Mahatma Gandhi (2 oktober 1869, Porbandar, India – 30 januari 1948, New Delhi, India)

‘Jullie christenen dragen zorg voor een document dat genoeg dynamiet bevat om alle beschavingen op te blazen, de wereld op zijn kop te zetten en vrede te brengen aan een door gevechten verscheurde wereld’

In India is 2 oktober zijn gedenkdag. Een Hindoe op een christelijke getuigenkalender? In het geval van Gandhi kan daar weinig discussie over zijn. Jezus was voor Gandhi een belangrijke inspiratiebron. De woorden van de Bergrede waren voor hem goudomrand. Met zijn eigen keuze voor actief geweldloos verzet tegen discriminatie en onderdrukking door de Britten inspireerde hij vervolgens Martin Luther King in zijn even geweldloze strijd voor burgerrechten van de zwarte bevolking in de VS. En vele anderen. In de Hitlertijd wilde Dietrich Bonhoeffer naar Gandhi toe om ervaringen op te doen voor het predikantenseminarie dat Bonhoeffer ging opzetten voor de Belijdende Kerk. Hij was welkom in zijn ashrams, maar het is er niet van gekomen. In zijn briefje aan Bonhoeffer herinnert Gandhi hem er aan dat er wel vegetarisch gegeten wordt.
Ooit stond ik met andere theologen op het aftandse station van Pietermaritzburg, Zuid-Afrika. Een plaquette gaf aan dat het daar begonnen was. De jonge advocaat Gandhi was er uit te trein gezet omdat hij weigerde met zijn kaartje eersteklas in de derde klas plaats te nemen. Deze discriminatie van Indiërs maakte hem tot een strijdvaardig pleitbezorger van hun burgerrechten. Beroemd werd het vreedzaam verzet van 1906 tegen de ‘pasjeswetten’. Dit jaar precies een eeuw geleden keerde hij van Zuid-Afrika terug naar India, net als Zuid-Afrika toen nog onder Brits bewind.
Gandhi heeft door zijn eigen optreden ongetwijfeld ook bijgedragen aan bijstelling van het christelijke beeld van Jezus! Wat leek hij op hem, in zijn witte kledij, zijn sobere leven, zijn volstrekte solidariteit met de armsten, de ‘onaanraakbaren’ die hij ‘kinderen van God’ noemde. Hij ging voorop in een lange zoutmars van 600 km naar de Oceaan, heel wat vreedzamer dan de lange mars van Mao tezelfder tijd in China, als een Jezus die door Galilea en Judea mensen op sleeptouw neemt voor het Koninkrijk van God. En hij liep ook niet weg voor het risico van een gewelddadige dood. Die vond plaats op 30 januari 1948. Kort na die moord gaven de Britten hun kolonialistische greep op het subcontinent van India-Pakistan op.
En nog altijd zijn er gemeenschappen in India die helemaal in zijn geest leven. Veel idealen zijn helemaal niet verwezenlijkt. Maar wie heeft gezegd dat de tocht kort zou zijn?
Gandhi 3

Thomas Clarkson (28 maart 1760, Wisbech (Cambridgeshire) – 26 september 1846 Ipswich)

Thomas ClarksonWaarachtig christendom geeft haar sympathie niet aan land of huidskleur, maar voelt voor allen die worden vervolgd, waar ze ook leven

Clarkson was de belangrijkste activist voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij. Hij was zoon van een dorpsschoolmeester/priester. Toen hij op het St. John’s College te Cambridge studeerde vond daar een opstelwedstrijd plaats over de vraag ‘Is het wettig om iemand tegen zijn wil slaaf te maken?’ Hij begon er alles over te lezen en won de wedstrijd. Kort erna voelde hij dat God hem riep om de rest van zijn leven aan de bestrijding van de slavernij te wijden. Hij begon mensen die met de slavenhandel te maken hadden te interviewen en maakte contact met de tegenstanders van slavernij aan weerskanten van de oceaan. Met An essay on the slavery and commerce of the human species won hij vele mensen voor de zaak van de abolitionisten. Er zouden nog vele publicaties volgen. De eerste petitie aan het Britse parlement kwam er in 1783, ondertekend door ruim driehonderd Quakers, met wie hij zich geestverwant voelde. Er kwam een Comité voor de afschaffing van de slavenhandel van de grond, met Thomas Clarkson en William Wilberforce als belangrijkste oprichters. Wilberforce ijverde voor de zaak in het Britse Lagerhuis. Er was veel tegenstand want de slavenhandel was een zeer winstgevende business. In 1787 werd Clarkson aangevallen in Liverpool door een bende zeemannen die betaald waren om hem uit te schakelen. Hij ontsnapte ternauwernood, maar het veranderde niets aan zijn gedrevenheid. Hij reisde het land rond, 35.000 mijl te paard, bezocht slavenschepen, interviewde wel 20.000 zeemannen en voerde een aanschouwelijke campagne met educatief materiaal zoals ijzeren handboeien, beenboeien, duimschroeven, gereedschap om slaven de kaken te openen en brandijzers. Hij kreeg de hulp van twee scheepschirurgen Falconbridge and Arnold. Wat ook hielp was het autobiografische verhaal van Equiano Olauhdah (Gustavus Vassa), een Nigeriaanse slaaf die zich vrijgekocht had. Wilberforce gaf een eerste abolitionistische speech in het Britse Lagerhuis op 12 mei 1789. Maar in 1791 werd het wetsvoorstel tegen de slavenhandel weggestemd. Waarop een suikerboycot volgde. Pas met een nieuwe regering kwam op 4 februari 1807 de Wet tegen de slavenhandel in de Britse koloniën er eindelijk door.
Intussen was Clarkson getrouwd met de jonge schoonheid Catherine Buck, maar financieel door alle acties aan de grond geraakt. Dankzij vrienden kon hij toch gaan werken aan een historisch overzicht van de strijd tegen de slavenhandel. Tegelijk begon nu ook het verzet tegen de slavernij zelf. Clarkson, nu al een zestiger, trok opnieuw het land in. Oude netwerken werden geactiveerd om publieke opinie en parlement te beïnvloeden. In 1833 werd eindelijk ook de slavernij zelf bij wet afgeschaft, ondanks de enorme economische nadelen die er aan deze afschaffing verbonden waren!
Nu de rest van de wereld nog (Nederland volgde pas 30 jaar later). Ook op een belangrijke anti-slavernij conventie 1840 was Clarkson nog de belangrijkste spreker. De laatste jaren van zijn leven dwongen oogproblemen hem tot kalmte.

Bronnen o.a.:
http://spartacus-educational.com/REclarkson.htm
http://gallery.nen.gov.uk/audio75970-abolition.html (citaat 1840)

Nicolaas Beets (13 september 1814, Haarlem – 13 maart 1903, Utrecht)

Nic BeetsDoen door laten

Tweehonderd jaar geleden werd Nicolaas Beets geboren. Hij werd beroemd als de schrijver van de Camera Obscura, literair hoogtepunt uit het Biedermeier, het tijdperk van trekschuiten en ruisende jurken. De auteur was een theologiestudent.
Eenmaal predikant trok Beets veel publiek. Rijtuigen kwamen van heinde en ver naar Heemstede. Hij had zich intussen aangesloten bij het Réveil, de internationale opwekkingsbeweging van gegoede burgers. Uit zijn pen vloeiden voortaan vooral preken in veelgelezen bundels Stichtelijke Uren. Verschillende liederen droeg hij bij aan de hervormde Vervolgbundel van 1866. ‘Daar is uit ’s werelds duistre wolken’ en ‘Wie heeft op aard de prediking gehoord’ hebben het nieuwste Liedboek niet meer gehaald, maar wel een gedicht dat veel ouderen op de christelijke lagere school vaak uit het hoofd hebben geleerd (p. 568). ‘De moerbeitoppen ruisen’ / God ging voorbij /Neen, niet voorbij, hij toefde/ Hij wist wat ik behoefde /En sprak tot mij
Een heel eigen positie nam hij in toen de anti-revolutionairen van het Réveil zich steeds meer gingen organiseren. Hij was oprichter en voorzitter van de predikantenvereniging ‘Ernst en vrede’, de eerste organisatie van de ‘ethisch-irenischen’ zoals ze spottend genoemd werden. Tot ergernis van Groen van Prinsterer en de zijnen gaf hij niet thuis als er acties en manifestaties op touw gezet werden om veranderingen af te dwingen in de kerkelijke organisatie. Hij was wars van partijvorming en kerkscheuring. Getuig met respect voor anderen van je mening, maar pleeg geen machtspolitiek! En met zijn milde vriendelijkheid was hij door dik en dun de vriend gebleven van mr. J. J.L. van der Brugghen, de sympathieke eerste regeringsleider uit de antirevolutionaire beweging, maar verantwoordelijk voor de Schoolwet uit 1857 die in de ogen van de antirevolutionairen een mislukking was. Iedereen had hem vervolgens laten vallen.
Doen door laten was Beets’ motto. Hij herkende zich niet in de ‘te groote bezorgdheid, te zichtbare inspanning, te grote voorbarigheid’ waarmee men in kerk en staat voor principes streed. Jezus deed heel veel níét. Activisme en geldingsdrang walst gauw over mensen en gevoelens heen die misschien ook recht van bestaan hebben. In het Victoriaanse tijdperk van stoom, ijzer en ijverige organisatie was dit een dwars maar spiritueel tegengeluid.
Na een predikantschap in Utrecht werd hij daar hoogleraar theologie. Maar in wetenschapsbeoefening lag niet zijn kracht. Hij was een actief pleitbezorger voor het in- en uitwendige zendingswerk. Als hoogbejaarde was hij nog voorganger bij een koninklijke begrafenis.

 

Joseph Kam (19 sept 1769 ‘sHertogenbosch gedoopt – 18 juli 1833 Amboina)

interieur prot kerk Ambon ‘.. om het dwalend menschdom tot het licht der waarheid te brengen het welk ons aanstraald in het aangezicht van Jezus Christus’

Joseph Kam kreeg de eretitel ‘Apostel van de Molukken’. Door zijn vader was hij in aanraking gekomen met de Hernhutter Broeders in Zeist. Pas in 1808 zag hij kans gehoor te geven aan het verlangen om zendeling te worden. Kam werd de eerste kwekeling van het pas opgerichte Nederlandse Zendelingengenootschap. Het was de tijd van de Franse overheersing. Om zijn opleiding goed af te kunnen ronden liet men hem door de zeeblokkade ontsnappen naar Engeland. Tweehonderd jaar geleden, in 1814, kwam Kam in Nederlands-Indië aan, toen ons Koninkrijk de zeggenschap overnam van de Britten. Hij werd predikant op Ambon. Door de omvang van zijn taken en van het gebied dat hij in supervisie kreeg leek hij meer een protestantse bisschop met een diocees van enkele tienduizenden zielen. Hij legde een enorme werkkracht aan de dag. Schijnbaar onvermoeibaar reisde hij soms maandenlang achter elkaar door de archipel, op een gegeven moment met een zelf aangeschafte schoener en toen deze schipbreuk leed vervolgens een grotere.
Het christendom had – net als de islam – al wortel geschoten. Kam zag toe op de organisatie en opbouw van de gemeentes op de verschillende eilanden die hij langs trok. Zijn voorganger in de tijd van Brits gezag was baptist geweest. De kinderdoop was vanaf 1801 achterwege gebleven en dat leverde een stuwmeer aan dopelingen op. Kam zette het maximum op 130 per dienst.
Predikanten waren in het Koninkrijk van Willem I een soort ambtenaren en toezicht op het onderwijs was er een belangrijke taak. Het kerkelijk opbouwwerk maakte deel uit van de beschavingsmissie van het Hollandse gezag. Het christendom dat werd gestimuleerd was dan ook erg Europees. Kam trad streng op tegen restanten van oude inheemse godsdienst. Met zijn eigen drukkerij zorgde hij ervoor dat er bijbels, leer- en liedboeken in het Maleis werden verspreid. Hij stimuleerde ook fluitorkesten voor de ondersteuning van de gemeentezang. Aan de oplossing van het tekort aan goed opgeleide ‘godsdienstonderwijzers’ en ‘assistenten’ kon Kam slechts een begin maken.
Kam schijnt een warmere geloofsbeleving ingebracht te hebben ten opzichte van het stijle en formele protestantisme dat in de eeuw ervoor met de VOC was aangewaaid. Hij schreef zelf uitvoerige verslagen voor de gouverneur over zijn tochten over zee, de ontmoetingen met plaatselijke leiders, de kerkdiensten her en der. Het lijkt soms alsof je het bijbelboek Handelingen leest over de zendingsreizen van de apostel Paulus. Het is wel duidelijk wie het grote voorbeeld van deze apostolische ijver was.

Katharina Zell, geb. Schütz (1497/98, Straatsburg – 5 september 1562, Straatsburg)

Kath ZellDe wegen van God zijn soms moeilijk te doorgronden en verborgen, maar de ware kinderen van God kunnen een offer brengen, zoals ook Abraham

Katharina Zell werd het prototype van de protestantse domineesvrouw. Na de Reformatie van de zestiende eeuw konden geestelijken trouwen. Kloosters werden gesloten. Voor veel vrouwen was dat een plek geweest waar ze zich vergaand konden ontwikkelen en leidinggevende kwaliteiten laten zien. Nu werd de pastorie de beste plek daarvoor. Katharina von Bora (Luther) en Idelette van Buren (Calvijn) waren niet de eersten. Het begon in Straatsburg, belangrijk toevluchtsoord voor voortvluchtige protestanten. In 1523 kreeg het in één jaar drie predikantsechtparen. Martin Bucer kwam er aan met een voormalige non, Matthias Zell bevestigde een priester-collega met zijn concubine in een officieel huwelijk en trouwde zelf met Katharina Schütz.
Ze was dochter van een schrijnwerker in de stad. Ze had zich schriftelijk met de kerkhervorming in de stad bemoeid en verdedigde in een publicatie het priesterhuwelijk. Eenmaal getrouwd werd ze actief in de zorg voor armen, zieken en gevangenen. De grote pastorie functioneerde als een soort herberg voor wie bescherming zocht en in nood verkeerde. Ten tijde van de Boerenoorlog organiseerde ze de opvang van 3000 vluchtelingen in de stad. Ze zorgde voor de catering bij conferenties van de leiders van de Reformatie. Ze schreef ook verhandelingen over geloofsthema’s en troostbrieven en verzorgde de uitgave van een liederenbundel. Bij het overlijden van haar man in 1548 hield ze zelf de begrafenistoespraak. ‘Mijn hulpprediker’ had hij haar genoemd.
Terwijl de verschillende leidende figuren van de Reformatie hun onderlinge verschillen nogal eens breed wilden uitmeten wees zij graag op wat ze gemeenschappelijk hadden. Niemand minder dan Luther erkende haar talent om de boel bij elkaar te houden. Tot haar dood toe bleef ze in gesprek met figuren binnen de reformatiebeweging die door anderen al waren buitengesloten. En tegenover het beruchte zwijggebod van de apostel Paulus zette ze met gevoel voor ironie de sprekende ezelin die profeet Bileam tot luisteren had gedwongen.
Toen ze een predikant op de vingers tikte over zijn gepraat over een collega, kreeg ze te horen dat ze de vrede verstoorde. Ze zou geantwoord hebben met een opsomming van haar bezigheden: slachtoffers van een epidemie bezoeken, doden begraven, gevangenen en ter dood veroordeelden bezoeken, geen tijd nemen voor frivool amusement. Vaak drie dagen en nachten niet gegeten en geslapen. Nooit de kansel beklommen, maar meer gedaan dan menig voorganger in het bezoeken van wie er ellendig aan toe waren. Hoezo de vrede niet bewaren?
Het volgen van Christus betekende dus niet dat een vrouw een volgzaam typetje moest worden.

Enkele bronnen: 
http://www.kerkbladvoorhetnoorden.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=2158:katharina-zell&catid=14:artikelen&Itemid=28 (Christa Boerke)
http://www.frauenundreformation2017.at/sites/default/files/deutschland_0.pdf
Christian Müller, ‘Katharina Zell’, in: Peter Zimmeling (hersg), Evangelische Seelsorgerinnen (google books)

Over haar portret:
ik heb het vermoeden dat haar portret, ergens in Wittenberg op een moderne muurschildering aangebracht en op internet onder haar naam te vinden, wordt verward met dat van Wibrandis Rosenblatt, echtgenote van de drie hervormers Oecolampadius, Cato, Bucer.

Augustinus van Hippo, 13 november 354 Thagaste – 28 augustus 430 Hippo Regius

AugustinusBemin en doe dan wat je wilt. Alleen vanuit de liefde wordt alles waardevol en zinvol. Draag daarom de liefde in je hart, want uit de liefde kan niets anders dan goeds voortkomen.

28 augustus is de naamdag van kerkvader Augustinus.
Augustinus was welbespraakt en een begenadigd schrijver. Zijn boeken en preken werden een onuitputtelijke bron van inspiratie geworden voor theologie, spiritualiteit en prediking tot op de huidige dag. Dat geldt zowel voor rooms-katholieken als protestanten. Calvijn, Luther, Karl Barth maar ook de Friese dominee Noordmans waren grote Augustinus-kenners. En wijsheden van Augustinus doen zelfs de ronde in moderne coaching.
Hij was van Berberse komaf en werkte aan het einde van de vierde eeuw als bisschop in het huidige Algerije. Het christendom had definitief beslag gelegd op het Romeinse rijk en Augustinus zette de christelijke leer over genade en onvrije wil, uitverkiezing en zonde voor eeuwen stevig in de verf.
Maar met de liefde ligt het bij Augustinus ingewikkeld. Toen hij zich onder invloed van de preken van Ambrosius bekeerde tot het christelijk geloof kwam een droom van zijn moeder uit, maar was het tegelijk gedaan met de vrouwen in zijn leven. Zijn concubine liet hij naamloos in de geschiedenis verdwijnen. Zijn moeder die hem letterlijk achtervolgd met haar gebeden, overleed kort erna. Hij koos voor een celibatair leven in een kloostergemeenschap.
Augustinus was een zinnelijk mens. Hij heeft prachtige bladzijden gewijd aan ons verlangen en hunkeren naar liefde. ‘Veel te laat heb ik jou lief gekregen, Schoonheid wat ben je oud, wat ben je mooi’ zingt zijn ziel als hij de waarheid van de liefhebbende Vader van de Bijbel heeft ontdekt. En om deze God te vinden hoeven we onze zintuigen niet uit te schakelen. Als we ons maar niet laten foppen door wat ze aan kortstondige bevrediging brengen. We moeten de verrukking maar bewaren voor wat God ons aan waarheid, goedheid en schoonheid in zijn liefde.
En Augustinus wil het huwelijk niet minachten en schreef er een geestelijke gids voor. Onze lichamelijkheid maakt deel uit van Gods goede schepping. Maar hij zadelde de Kerk wel op met een leer van de erfzonde die een fataal verband legde tussen zondig begeren en seksuele behoefte. Hij rekende te fors af met een terrein dat zich inderdaad maar moeilijk onder controle van wil en verstand laat brengen. Het leverde in zijn geval wel uitbundige lofprijzingen op de kracht van de liefde op als ze eenmaal verenigd is met Gods liefde. Daar waar we weten van geven, vergeven en elkaar sparen, daar is niets minder dan Gods eigen liefde aan het werk. Ubi caritas, ibi Deo.

Guillaume Groen van Prinsterer, 21 augustus 1801 Voorburg – 19 mei 1876 Den Haag

Groen van PrinstererVasthouden aan de waarheid eist vasthouden aan de plichten die voor ieders bijzondere positie en betrekking zijn opgelegd. Laat ons trouw zijn, een ieder op zijn eigen plaats.

Als er iemand bij veel protestanten op een hoog voetstuk kwam te staan, dan Groen van Prinsterer wel. Grondlegger van protestants-christelijke politiek in Nederland. Gaf als een generaal leiding aan de ‘mobilisatie’ van het protestantse volksdeel. Een van zijn succesvolste marsbevelen betrof de organisatie van het christelijk onderwijs in CNS-scholen.
Groen paarde groot inzicht aan een diep en orthodox geloof. En aan de deur van het royale pand van het echtpaar Groen dichtbij het Binnenhof of van hun zomerverblijf in Wassenaar werd niet tevergeefs geklopt voor een bijdrage uit hun grote portemonnee om protestants onderwijs en andere initiatieven van de ‘kleine luyden’ te bekostigen.
Groen studeerde in Leiden rechten samen met Thorbecke, later zijn grote politieke tegenstander. Het huwelijk met Betsy van der Hoop bleef kinderloos. In Brussel kwamen zij dankzij hun predikant Merle d’Aubigné onder de invloed van de opwekkingsbeweging van het Réveil. Uit schrik over de revolutiegeest van de Belgische opstand begon hij vanaf 1829 met zijn blad Nederlandsche Gedachten. Ook al was hij in dienst van de Koning, het belette hem niet om kritiek te uiten op de harde maatregelen tegen de Afgescheidenen van Hendrick de Kock die het eenheidsideaal van Willem I doorkruisten. Meerdere keren zat hij in de Tweede Kamer. Als tegenstander van de slavernij mocht hij in 1853 voorzitter worden van de Staatscommissie afschaffing slavernij, helaas zonder direct succes.
Zijn boek Ongeloof en Revolutie, aan de vooravond van de belangrijke grondwetswijziging van 1848, vormt tot vandaag een soort bijbel van christelijke politici. Hier werd stevig aan het denken gezet over de gevaren van de volkssoevereiniteit die heel Europa leek te begeren. Wat voor ongeest kan er aan de macht komen als staat en maatschappij niet van eerbied voor de God van de Bijbel zijn vervuld? Tijdens de Duitse bezetting had menig protestant het zetje nodig van een zin uit dit boek om de schroom te overwinnen om in verzet te gaan tegen de overheid. ‘Ik wil geen uitlegging onderschrijven, welke ons verplichten zou de gekroonde rover die gisteren de wettige Vorst verjaagd heeft, heden als een van God verordineerde macht te beschouwen.’
Groen predikte beginselvastheid. Tot zijn erfenis behoren ook de negatieve kanten van partijschap, van heftig debat over de principes en afkeer van theologie die de hoofdzaken van het christelijk geloof eigentijds nuanceert. Zelf bleef hij een gentleman die al te felle aanhangers wel maande om op de bal te blijven spelen en niet op de man. En vòòr alles ‘geen staatsman, maar evangeliebelijder’.

Marga Klompé, 16 augustus 1912 Arnhem – 28 oktober 1986 ‘s-Gravenhage

Marga KlompéHoe ik vond dat je God het best kon dienen, was in wezen irrelevant. Belangrijker was hoe God vond dat Hij gediend wilde worden.

Op lijstjes van beeldbepalende figuren van het Nederlandse christendom uit de voorbije eeuw kom je steevast ook Marga Klompé tegen. ‘Liever weinig goed, dan veel vluchtig’ was een van haar uitspraken. Maar de eerste vrouwelijke minister van ons land had een indrukwekkende politieke loopbaan. Ze had een groot aandeel in de uitbouw van de moderne verzorgingsstaat. Ze bleef daarbij nadrukkelijk rooms-katholiek gelovig christen. Als het moest ook kritisch naar kerk en paus.
Margaretha Albertina Maria Klompé wordt geboren op 16 augustus 1912 te Arnhem. Vader is eigenaar van een kleine postpapierfabriek. Als studente in Utrecht neemt ze afstand van haar rooms-katholieke opvoeding en geniet ze van de bevrijding van alle regels en betutteling. Maar ze maakt een crisis door die haar terug brengt in de moederkerk, wel met blijvend respect voor andere vormen van godsdienst. Ze is actief in het verzet als koerierster, wordt docente scheikunde in Nijmegen en promoveert in wis- en natuurkunde. Dan gaat ze voor de KVP de Tweede kamer in. Ze schrijft in haar dagboek dan ze hoopt ‘dat God mij de kracht geeft om mijzelf te blijven en in deze sfeer iets uit te dragen van de Liefde en de Rechtvaardigheid’. In 1955 stemt ze vóór afschaffen van de regel dat leraressen en ambtenaressen automatisch ontslag krijgen bij hun huwelijk, ook al stemmen de 28 mannelijke collega’s in de fractie tegen. In 1956 begint haar eerste ministerschap. Op haar conto staan de Algemene Bijstandswet uit 1963 en de Omroepwet van 1966. Joseph Luns noemt haar “Onze lieve vrouwe van altijddurende bijstand”. Ze wordt wel geplaagd om de grote ernst waarmee zij haar taken uitvoert.
Ze maakt zich ook in kerkelijke zaken in internationaal verband verdienstelijk, in het bijzonder op het gebied van vrede, ontwapening en ontwikkeling. Als het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) de celibaatsverplichting voor priesters wil handhaven, ondertekent ze een protestbrief van tachtig vooraanstaande politici en wetenschappers in de wereld. Ook al bleef ze zelf ongehuwd. Twintig jaar later uit ze zich in een open brief ter gelegenheid van het pausbezoek aan Nederland (1985) uiterst kritisch over het bestuursapparaat rond de paus en het gemis aan ware, echte zielzorg. Ze vreest dat paus Johannes Paulus II ‘allerlei hoopvolle tekenen van onze tijd, van hedendaags waardebesef niet verstaat en zo schade toebrengt aan de blijde boodschap van het Evangelie waarvoor hij zich inzet’.
Haar stem klonk nogal deftig. Haar hart zat duidelijk op de goede plaats.

Bron: E. Borgman, In liefde en rechtvaardigheid. Het dagboek van Marga Klompé 1948-1949 (2012)

Augustus

5 Pavel Adelgjem
9 Jheronimus Bosch, plm. 1450- 9 augustus 1516
Johannes Climacus
12 Frère Roger Schütz
13 Hippolytus van Rome, plm 170 – 235
16 Marga Klompé
17 Vedanayagam Samuel Azariah (17 augustus 1874 – 1 januari 1945)

20Bernard van Clairvaux, 1090 – 20 augustus 1153
21 Groen van Prinsterer
22 Simone Weil
26 Augustinus
27 Johann Georg Hamann, 27 augustus 1730–11 juni 1788
30 Matthias Grünewald
31 Ignatius van Loyola, 24 december 1491 – 31 juli 1556

Thomas a Kempis, plm. 1380 Kempen – 25 juli 1471 Windesheim

Thomas a KempisSchrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en verdraag manmoedig wat u tegenloopt

Thomas Hemerken werd geboren in Kempen. Hij ontving onderwijs bij de Broeders des Gemenen Levens in Deventer. Eenmaal kloosterling in het Bergklooster in Zwolle wordt hij de man ‘met een boekje in een hoekje’. De beweging van de Moderne Devotie krijgt intussen een steeds bredere actieradius, een beweging van mannen en vrouwen die in gemeenschappen wonen en zich wijden aan groei in geestelijk leven. Thomas´ boek De navolging van Christus, gegroeid tussen 1420-1441, is de rijpste vrucht van deze beweging geworden. Het kwam te liggen op de nachtkastjes van uiteenlopende figuren als Florence Nigthingale, paus Johannes Paulus II en Bill Clinton. Geen wonder, want het is een vriendelijk spiritueel zelfhulpboek. Het wil helpen grip te krijgen op de innerlijke krachten die je allerlei kanten uit willen sturen  en vaak niet in de richting waarin je voor God, de naaste en jezelf een beetje aangenaam mens bent. Geen geloofsleer, maar gids voor geestelijk leven. 

Niet dat je deze eeuwenoude bestseller uit Zwolle steeds met rode oortjes leest. Je moet bij de Moderne Devoten wel erg nadrukkelijk afzien van allerlei ‘wereldse’ genietingen. Soms lijkt het boek vooruit te lopen op de sombere spiritualiteit die nog wel in de Bible Belt rondwaart: hoe onwaardiger je jezelf vooral probeert te voelen, hoe meer kans op een ervaring van genade. Maar als je dit met een korreltje zout neemt, vind je kostbare handvaten voor het winnen van echte innerlijke levensvreugde en ook heel nuchtere waarnemingen.
Thomas gebruikt vaak het beeld van het ‘bezoek’ dat je kunt krijgen van God. Hoe houd je de deur voor Hem open zodat het vuur van de liefde en het licht van inzicht weer wordt aangewakkerd? En zoals de titel al aanduidt is Jezus het aandachtscentrum. Voor Mariaverering en heiligenaanbidding moet je bij Thomas niet erg zijn. Hij wil vooral verbinden met Jezus. Beschouwingen over de geestelijke betekenis van brood en wijn van het Avondmaal vormen het hart van het boek.
Thomas heeft nog wel heel wat meer schrijfsels nagelaten. Minstens drie keer schreef hij de hele Bijbel over. De Devoten geloofden enorm in het belang van goede teksten om op te kunnen ‘kauwen’ en schreven die driftig over, voor zichzelf en op bestelling. Van copyright was voor de uitvinding van de boekdrukkunst geen sprake. Daarmee is De Navolging een boek dat vooral ook uitdaagt om zelf teksten te vergaren in een raperarium, een citatenboek om al mediterend je eigen moderne devotie vorm te geven. Blijven plakken dus.

NB najaar 2014 een gespreksgroep van vier avonden over Thomas, Navolging en Moderne Devotie, zowel in Winsum als in Drachten

 

Nelson Mandela: 18 juli 1918 Mvezo, Oostkaap – 5 december 2013 Johannesburg

Nelson MandelaVergeet nooit dat een heilige een zondaar is die blijft proberen

Een heiligverklaring door de paus of de Anglicaanse Kerk zal ‘Madiba’ (‘koning’) Mandela niet ondergaan. Hij vond zichzelf ook geen heilige of messias. Als jongeman was de knappe Nelson een vrouwenversierder. In het ANC had hij Afrika rondgereisd voor de militaire vleugel die sabotage en aanslagen pleegde. En toen hij na jarenlange gevangenschap vrij kwam om leiding te geven aan een vreedzame overgang van apartheidsstaat naar regenboognatie Zuid-Afrika en de eerste vrije verkiezingen eraan kwamen, moest er buitenlandse diplomatie (en gebed) aan te pas komen om de tegenstellingen tussen zijn ANC en de Inkatha-partij van de Zoeloes niet te laten ontaarden in een etnisch drama zoals ongeveer tezelfder tijd in Rwanda plaatsvond. In zoverre geen heilige.
Maar wel een gedenkwaardig mens. Het is geen wonder dat Robbeneiland waar hij samen met veel andere anti-apartheidstrijders zo lang in gevangenschap doorbracht, een soort bedevaartsoord werd. Ex-gevangenen tonen bezoekers het dunne matje op de betonnen vloer waarop men moest slapen en de kleine cel met bed die Mandela later kreeg. Je kunt er de steengroeve bezoeken waar ze moesten bikken en door de schittering van de zon oogkwalen opliepen omdat ze geen zonnebrillen kregen. Uitermate gedisciplineerd, vastberaden en met een ongebroken geest sloeg hij zich door de jarenlange gevangenschap heen.
In de verhalen van afgelopen december na zijn overlijden hoorde je niets over de rol van religie. Zuid-Afrika is doordrenkt van christendom. Mandela had ook christelijk onderwijs genoten. De apartheidsmannen beriepen zich op Bijbel en calvinisme, maar de Bijbel was ook inspiratiebron voor de zwarte bevolking en mensen van het verzet. Mandela zelf was kennelijk geen bijbellezer en kerkganger. Maar midden tussen allerlei teksten uit zijn gevangenschap staan ook de opmerkelijke bladzijden waarin hij voor zijn vrouw Winnie op nieuwjaarsdag 1970 uit zijn geheugen een roman samenvat die hij in 1964 had gelezen. Daarin schrijft Pontius Pilatus een brief aan een vriend over het proces van Jezus van Nazareth en de diepe indruk deze man op hem gemaakt had. ‘Op zijn gezicht stond een glans van liefde en hoop geschreven; maar op hetzelfde moment vertoonde hij de uitdrukking van iemand die diep bedroefd was door de dwaasheid en het lijden van de mensheid als geheel’. Pilatus beseft dat de eigenlijke macht niet bij hem ligt maar bij deze man in de beklaagdenbank. ‘Hier staat de rechter zelf terecht’. Mandela herkent in dit verhaal ‘zaken van het heden’ (de censuur leest in 1970 mee). Hij besluit de brief aan Winnie met: ‘Ik hoop dat je het betekenisvol en bruikbaar vindt en vertrouw erop dat het je enige mate van geluk brengt’. Jazeker had Mandela iets met Jezus.
18 juli, zijn geboortedag, is door de VN in 2009 uitgeroepen als jaarlijkse Mandela-gedenkdag voor vrijheid, gerechtigheid en democratie.

Bron: Nelson Mandela, In gesprek met mijzelf, Spectrum-Houten 2010

Marcella van Rome, rond 335-411 Rome

Marcella van Rome - santa sabina ‘Ze voert je door de groene weiden en de verscheidene bloemen van de goddelijke boeken’ 

We weten maar weinig over ‘kerkmoeder’ Marcella van Rome. Haar brieven aan de kerkvader Hieronymus zijn niet bewaard gebleven. Brieven van hem áán haar en over haar wel.
Toen ze op haar zeventiende weduwe werd, wilde haar moeder haar enige kind uithuwelijken aan een oudere man met flink vermogen. Liever nog een echtgenoot dan een erfenis, als ik me niet aan de eeuwige kuisheid zou willen wijden, antwoordde ze haar moeder. Dat laatste dus. In plaats van zich met opzichtige sieraden en kleding en in dure geurtjes op de huwelijksmarkt te begeven, zoals onder heidense weduwen gebruikelijk was, hulde zij zich in de donkere kleding van vrouwen die zich aan een leven in soberheid, onthouding en gebed hebben gewijd, aldus Hieronymus. Die ongehuwde staat betekende ook dat ze zich onttrok aan een leven in onderdanigheid aan de man, zoals de wet van Rome aan gehuwde vrouwen voorschreef. Daarvoor voelde ze zich niet in de wieg gelegd kennelijk. Ze blijkt ook erg van argumenteren te houden en bepaald niet van autoritair gedrag.
Haar villa op de Aventijn, een van de zeven heuvels van Rome, werd een van de eerste christelijke leefgemeenschappen van ongehuwde vrouwen binnen de muren van de stad. Ze was geïnspireerd door de verhalen over het monnikenleven in Egypte, van de beroemde Athanasius persoonlijk gehoord, de biograaf van kluizenaar Antonius. Maar haar eigen stadskloostertje week met haar boekenverzameling, theologisch onderricht, gastopvang en armenzorg van de voorbeelden elders af. Ze was goed onderlegd en kende niet alleen Latijn maar ook Grieks en las met haar vrouwen kennelijk zelfs Hebreeuws.
Met niemand minder dan Hieronymus heeft ze omgang. Die is bezig met de herziening van de Latijnse bijbelvertaling, de in komende eeuwen gezaghebbende bijbel van de westerse kerk.  Eerst mondeling en na zijn vestiging in Bethlehem per brief, hebben ze hele discussies over tal van uitlegkundige kwesties. In wederzijds respect. ‘Slavendrijfster!’ roept hij een keer uit als ze hem weer bestookt met vragen. Leerlingen van haar werden belangrijke figuren in nieuwe zustergemeenschappen in Bethlehem. In Rome zelf werd ze soms door geestelijken geraadpleegd. In discussies over mogelijk ´ketterse´ gedachten bij de theoloog Origenes mengde ze zich met resultaten van eigen onderzoek. Als bejaarde vrouw maakt haar moed indruk op de Gotische houwdegens die Rome veroveren en plunderen en de vrouwen lastig vallen. Later wordt het in de Kerk van Rome steeds meer ondenkbaar dat vrouwen in de rol van geestelijk leraar (magistra) terecht komen, ook al had Hieronymus haar herhaaldelijk ten voorbeeld gesteld naast de professen en leraressen in de Bijbel. Wat hem betreft mochten zulke vrouwen wel aan het Woord komen.

Bron: de vertaling en inleiding van Esther de Boer van het gedenkschrift van Hieronymus, (Ad Fontes deel 5, Zoetermeer 2009)

 

Marc Chagall, 7 juli 1887 Vitebsk (Wit-Rusland) – 28 maart 1985, Saint-Paul-de-Vence (Fr)

Marc ChagallMijn afbeeldingen moeten de mensen helpen in gebed de weg naar God te vinden

In de roman Mijn naam is Asjer Lev van de Amerikaans-Joodse schrijver Chaim Potok schokt de jonge kunstschilder om wie het draait zijn orthodox-joodse omgeving door te kiezen voor het symbool van het kruis als hij het lijden van zijn moeder op het witte doek tot uitdrukking wil brengen. Het motief zou ontleend kunnen zijn aan het leven van de Russisch-Joods-Franse kunstenaar Marc Chagall. Als hij in 1938, het jaar van de Kristallnacht, het leed van de Europese Joden op het doek brengt, doet hij dat door een eigentijdse variant van de crucifix te schilderen. Jezus heeft een joodse gebedsmantel om de lendenen en om het kruis heen zien we beelden uit vroegere pogroms. Een boodschap voor het christelijke Europa. Hun lijdende Jezus was nu terug te vinden in wat de Joden werd aangedaan. Het is het favoriete schilderij van paus Franciscus. En anderen.
Chagall heeft een enorm oeuvre nagelaten. Maar of het nu gaat om schilderijen, grafisch werk, wandtapijten, mozaïeken of glas-in-lood-ramen in kerken en kapellen over de hele wereld, zijn beeldtaal veranderde sinds begin jaren ’30 nauwelijks, een Chagall herken je snel. Zelf zat hij vol tegenstrijdigheden. Temperamentvol en gevoelig, enerzijds in verzet tegen tradities, anderzijds er blijvend mee verbonden, religieus en artistiek. Hij hield van zijn geboortedorp Vitebsk, maar riep ook vaak dat Parijs, destijds het hart van de kunstwereld, zijn thuis was. Hij was van huis uit chassidisch-joods, maar zag ook wel wat in het christendom. Hij schijnt ook geworsteld te hebben met zijn seksuele geaardheid, maar na verlies van zijn eerste vrouw hertrouwde hij tweemaal. Hij beleefde  twee wereldoorlogen, de Russische Revolutie en het ontstaan van de staat Israël. Hij werd zowel verguisd als geprezen en moest soms de eindjes aan elkaar knopen.
Een sleutelrol in zijn kunstenaarsbiografie speelde de opdracht begin jaren ’30 om de Bijbel te illustreren. Voor inspiratie reisde hij naar Palestina. Het hielp hem om zijn liefde voor de bijbel te hervinden en in zijn kunst te integreren. En menig vakantietoerist heeft intussen het kleine maar fijne museum in het Franse Nice bezocht, waar de kleuren je tegemoet vlammen van doeken bij ondermeer het Hooglied. Chagalls werk rond bijbelse thema’s helpt fantastisch om toegang te krijgen tot emotionele lagen en diepere betekenissen in verhalen uit het Oude Testament. En dus ook uit het Nieuwe Testament. En wie goed genoeg is voor een Chagall-bijbel hoort dan ook op de kalender voor inspirerende geloofsgetuigen.

Pavel Adelgejm, 1 augustus 1938, Rostov a.d. Don (USSR) – 5 augustus 2013, Pskov (Rusland)

Pavel Adelgejm Trouw
´Je kunt het gelaat van God niet herkennen door kruis en gevangenis uit de weg te gaan´

Is Russisch-Orthodox christendom meer dan ikonen, kerkdiensten die staande moeten worden bijgewoond, vocale kerkzang volgens eeuwenoude traditie, kerkleiding die aan de leiband van de staat loopt en nationalistische gevoelens?
Iemand voor wie het zeker meer moest zijn was Pavel Adelgejm. Op 5 augustus 2013 kwam hij om het leven door messteken van een verwarde man. Het was even wereldnieuws. ‘De laatste vrije priester van het Moskouse patriarchaat’ werd hij daarin genoemd. Hij was een uitgesproken criticus van de kerkleiding en van de nauwe band tussen kerk en staat. Een bevoorrechte positie in het onderwijs en steun voor de bouw van kerken met schitterende koepels in ruil voor een kritiekloze opstelling ten opzichte van het bewind was hem een doorn in het oog. In 2012 had hij ook een petitie ondertekend voor een milde behandeling van de bandleden van Pussy Riot die een mis hadden verstoord. ‘Altijd zijn er profeten, armen, bezetenen en heilige dwazen geweest die inbraken op de regels van heilige ruimtes’, zo schreef hij. En deze vrouwen hadden de leugen ontmaskerd van de onnatuurlijke band tussen de Kerk en de Russische Federatie.
Zowel zijn ene grootvader als zijn vader waren gedood door het communistische regime. De familie bezat voorheen verschillende fabrieken. Pavel kwam in een kindertehuis en ging vervolgens met zijn moeder in ballingschap in Kazachstan. Al jong besloot hij priester te worden. Hij woonde een tijdje in het Holenklooster in Kiev. In 1964 werd hij priester in Oezbekistan. Hij kreeg het voor elkaar er een kerk te bouwen, een hele prestatie. Mogelijk daarom kreeg hij vervolgens drie jaar strafkamp: ‘laster tegen de Sovjet-Unie’. Hij verloor er een been. Bij zijn vrijlating werd hij hartelijk ontvangen door de aartsbisschop van Tasjkent. Heel anders was de verhouding met zijn latere aartsbisschop die hem ernstig dwarsboomde. Intussen was het IJzeren Gordijn verdwenen en de Russische Federatie tot stand gekomen. Adelgejm bracht twee sociaal actieve parochies tot bloei. Met steun vanuit protestantse kerken in Nederland bouwde hij ook weer een kerk, bij een psychiatrisch ziekenhuis. Maar hij moest vertrekken uit de parochie en mocht in deze kerk geen diensten meer leiden.
Die aandacht voor de sociaal en psychisch zwakkere medemens was kenmerkend voor zijn pastoraat. Hij bezocht jarenlang mensen in de gevangenis en hielp mensen daadwerkelijk die in problemen zaten. En deze altijd vriendelijke maar ook eigenzinnige man was daarin niet te stuiten. Juist dat lijkt hem uiteindelijk noodlottig geworden te zijn.

Bronnen: Trouw, 8-8-2013 en internet

Bertha von Suttner, 9 juni 1843 Praag – 21 juni 1914 Wenen

Bertha_von_Suttner (2)
Onze tegenstanders zeggen altijd dat oorlog een natuurwet is. Strijd is het zeker, maar oorlog niet. Eenheid is de natuurwet.

Aan Bertha von Suttner lag het niet dat honderd jaar geleden de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ze heeft meer gedaan om te proberen die te voorkomen dan heel wat vooraanstaande theologen en kerkleiders van haar tijd bij elkaar. Ik kan niet ontdekken of ze iets had met kerk en religie. (Ze was aanhanger van de evolutieleer van Darwin. En ze liet zich cremeren. In die tijd liet zich dat moeilijk verenigen met kerklidmaatschap.) Maar om haar werk als onvermoeibaar vredesactiviste die geloofde in de mogelijkheid de oorlogsgod te temmen die telkens weer hele bevolkingsgroepen over de kling jaagt, verdient zij een plekje op de eregalerij van ´geloofsgetuigen´. Toen Jezus de vredestichters zalig sprak zei hij er niet bij dat ze per se religieus moesten zijn.
Ze kwam als gravin Kinsky von Wchinitz und Tettau ter wereld, telg van een Boheemse adellijke familie. Ze groeide op met een gokverslaafde moeder en diverse gouvernantes. Opera, literatuur en filosofie hadden haar grote interesse. Na haar huwelijk met Alex von Suttner vertrok het echtpaar naar de Kaukasus om ver weg te zijn van zijn familie. Kort erna brak de Russisch-Turkse oorlog van 1877-78 uit. Over de verschrikkingen die ze zagen schreven ze in hun journalistieke werk voor kranten. Ook na hun verhuizing naar Oostenrijk bleef zij zich als schrijfster actief. Haar afschuw van oorlogen en verheerlijking van heldenmoed en vaderlandse eer gaf ze vorm in haar roman ‘Die Waffen nieder’ uit 1889, eindeloos herdrukt, in zestien talen vertaald, een belangrijk manifest van het pacifisme. In het internationale circuit van vredesbewegingen speelde ze een belangrijke rol, in het bijzonder met haar inzet voor een internationaal Hof van Arbitrage waar landen hun conflicten aan zouden voorleggen in plaats van het uit te vechten. Toen in 1899 de eerste internationale vredesconferentie op regeringsniveau bijeengeroepen werd, voelde Bertha dit als de kroon op haar werk. Ze had zich ingezet voor deelname van alle belangrijke grootmachten. Daar, in Den Haag, werd ook besloten dit Hof op te richten. Kort erna begon de bouw van het Vredespaleis als huisvesting voor dit Hof en later ook voor andere organisaties te bescherming van de internationale rechtsorde. Andrew Carnegie, die veel geld schonk voor de bouw, financierde ook een pensioen voor Bertha von Suttner.
Als jonge vrouw in Parijs had ze bij Alfred Nobel gewerkt. Ze bleef nauwe contacten met hem onderhouden en inspireerde hem om de Nobelprijs voor de Vrede in te stellen. Zelf ontving ze als eerste vrouw deze prijs in 1905. Ze streed overigens niet alleen voor vrede, maar ook voor vrouwenrechten, meer democratie en gelijke sociale en politieke rechten.
Kort na haar overlijden brak toch de Eerste Wereldoorlog uit, erger dan alle oorlogen van de negentiende eeuw. Eens te meer bleek dat hoe noodzakelijk de strijd tegen oorlogsgod Moloch blijft.