Syncletica van Alexandria – Egypte, plm. 270 – 350

Syncletica

Zoals men een stug kledingstuk wast en bleekt door erop te stampen en het krachtig uit te wringen, zo wordt een sterke ziel door vrijwillige armoede nog krachtiger

Syncletica was een woestijnmoeder. Tijdgenoot van de beroemde Antonius. Dus een van de vele mannen en vrouwen die vanaf de vierde eeuw in Egypte, Palestina en Syrië kozen voor een spiritueel leven in afzondering in grotten en hutten. Zij stonden aan de wieg van christelijke spiritualiteit die tot op vandaag doorwerkt. Veel namen zijn vooral bewaard omdat hun uitspraken werden geboekstaafd en eeuwenlang doorgegeven. Er zijn geschreven collecties in het Latijn, Syrisch, Armeens, Georgisch, Koptisch, Ethiopisch, Arabisch en Oud-Slavisch.  Alleen een enkeling kreeg ook een biografie. Over Syncletica werd verteld dat ze van voorname komaf was en dat ze al jong naar God toe getrokken werd. Ze trok zich uit de stad terug om in een grot te gaan wonen. Er ontstond een grote toeloop van volgelingen en ze zou net als Antonius heel oud geworden zijn: wel tachtig.
En ze was mooi. Zoiets lees je nou nooit over een man.
Maar tot zover is het toch een nogal stereotiep verhaal. Haar spreuken klinken authentieker. Welke man zou er ooit op het idee komen om het proces van innerlijke verandering te vergelijken met het kloppen en wringen van wasgoed? De was zijn wij mannen pas een beetje van de vrouwen gaan overnemen toen er volautomaten en elektrische wasdrogers kwamen.
Een andere uitspraak van Syncletica gaat over het voedsel. Lekker eten is  er net als mooie kleren bij haar niet bij. Al die drukte over ‘kookkunst ter ere van het genot’  leidt je aandacht alleen maar af van wat echte verzadiging geeft aan je ziel. Ze maakt geen half werk van de oefening in zelfbeheersing. Mensen ‘in de wereld’ kennen die ook wel, maar dan ‘vermengd met haar tegendeel omdat zij met al hun andere zintuigen zondigen’.
Ik blijf graag een zintuiglijke genieter. Zo’n drastische aanpak van de ascese bezorgt me rillingen. Maar ze heeft wel een punt. Tegenwoordig krijgen we zonder toegevoegde kunstmatige kleur- geur- en smaakstoffen geen hap door de keel, zo overvoerd zijn we. En de vuilspuiterij op internet en andere media getuigt niet bepaald van zelfbeheersing. Oefeningen die ons helpen aan spirituele ontgifting en regelmatige wasbeurten van de geest kunnen ook vandaag geen kwaad. ‘Zoals de bitterste kruiden giftige dieren verdrijven, zo verjaagt gebed in combinatie met vasten vuile gedachten’.

(de afbeelding is een fantasie)

Johannes Elias Feisser – 10 december 1805 Winsum (Gr.) – 2 juni 1865, Nieuwe Pekela

Johannes EliasFeisser wikiOch! dat zij die geestelijk genoemd wenschen te worden geen bloot vleesch en bloed onder de ten eeuwigen leven herborene lidmaten Christi door den waterdoop mogten ingelijfd achten

150 jaar geleden overleed de eerste baptistenpredikant in Nederland. Winsum is de geboorteplaats van deze kerkstichter. Vader was militair geweest en had er een houtzaagmolen. Moeder was de dochter van een kalkfabrikant. (Haar broer werd de eerste burgemeester van de gemeente Winsum). Ze lieten hun kind in de kerk van Obergum dopen. Maar later vond deze dopeling die doop niet goed genoeg. Wat in zijn eeuw nog zeldzaam was. Hoewel na de invoering van de Burgerlijke Stand de doop niet meer nodig was om belangrijke burgerrechten te kunnen laten gelden, hielden de meeste theologen en kerken de kinderdoop recht overeind. Feisser niet.
Al rond 1808 was het gezin verhuisd naar Veendam. Vader werd er rijksontvanger. Onder invloed van een vrome oma koos zoonlief voor de studie theologie in plaats van het leger. Dat ging hem goed af, hij won een prijs, promoveerde op een kerkvader en werd predikant, het laatst in Franeker. Maar toen zijn vrouw, een barones, overleed alsmede twee kinderen en hij zelf ook ziek werd, moest hij ontslag nemen. Hij ging weer thuis wonen. In de geestelijke crisis die hij nu doormaakte, 33 jaar oud, had zijn Verlosser zich in hem geopenbaard, zei hij later. Amerikaanse opwekkingslectuur speelde daarbij een rol.
Na een half jaar kon hij het predikantschap weer oppakken: in Gasselternijveen waar maar weinig geestelijk leven zou zijn. Hij preekte er de kerk vol. Maar conflicten in de kerkenraad over zijn standpunten leidden tot zijn afzetting op nieuwjaarsdag 1844. Hij vond dat een kerk alleen met echte gelovigen volwaardig ‘lichaam van Christus’ kon zijn. Daarin passen geen gedoopte leden die geen geestelijk leven leiden. ‘Die den Geest Christi niet heeft, die komt Hem niet toe!’ zo luidt de titel van zijn brochure uit 1844. Net als de mensen van de Afscheiding (ds de Cock) legde Feisser de lat dus hoog. Bij de aanvraag om erkenning van zijn afgescheiden ‘Gemeente van Gedoopte Christenen’ geeft hij op dat ze van gereformeerde belijdenis zijn.
Maar zonder kinderdoop. Want intussen hadden Duitse geestverwanten Feisser bekend gemaakt met het baptisme. Op donderdag 15 mei 1845 kregen de eerste zeven mensen op ‘t Nijveen in een ondiepe veenvaart de doop door onderdompeling toegediend. (Bij het land van boer Reiling. Achterkleinzoon Jannes Reiling was een van mijn docenten uitleg Nieuwe Testament, tevens hoogleraar aan het seminarie van de Baptisten-Unie).
Erg succesvol was Feisser niet. Zijn kleine gemeente scheurde al snel. Hij trok nog wat rond en probeerde tevergeefs elders emplooi te vinden. Hij werd landbouwer met een kleine huisgemeente. Maar vanuit Amsterdam kwamen er evangelisten naar de veenkoloniën en zo kreeg het baptisme er toch verder voet aan de grond. En in de twintigste eeuw zouden de pinksterbeweging en de evangelikale opwekkingsbewegingen van over zee binnenwaaien. Nu met een veel grotere golf van kerkstichtingen op basis van volwassendoop. Onze PKN is momenteel bezig toenadering tot deze kerken te zoeken. Feisser had nu misschien mogen blijven.

John Mott – 25 mei 1865 Livingston Manor – 31 januari 1955 Orlando (VS)

John Mott 1910 wikimediaOm echt gebed en actie te krijgen om dingen te veranderen, moeten we de overtuiging hebben dat gebed en actie nodig zijn. Om de overtuiging te krijgen dat gebed en actie nodig zijn, hebben we kennis nodig.

Studentenleven lijkt vaak synoniem met veel feest, drank en amusement naast het studiepunten scoren. In de eerste helft van de vorige eeuw lieten bewegingen van zich spreken waarin dat anders was. De YMCA bestaat nog steeds. In Nederland timmerde tussen beide Wereldoorlogen de NCSV aan de weg. En John Raleigh Mott was de internationale leider. Door hem raakten studentenbeweging, zending, evangelisatie en oecumene internationaal met elkaar verstrengeld in een gezamenlijke stroomversnelling. In 1946 kreeg hij (gedeeld) de Nobelprijs voor de Vrede.
Hij was een Amerikaans methodist. Tijdens zijn studie geschiedenis, letteren en filosofie stortte hij zich vol overgave in debatten. Het leverde hem al snel een prijs op. In 1886 werd hij getroffen door een zin in een toespraak: ‘Zoek je grote dingen voor jezelf? Doe het niet. Zoek eerst het koninkrijk van God’. Door zijn inzet begon de studentenbeweging YMCA opvallend te groeien.
Vanaf de oprichting in 1895 tot 1920 was Mott, zelf medeoprichter, de generale secretaris en van 1920 tot 1928 hoofd van de World Student Christian Federation (WSCF). Christenen van verschillende richting werkten hierin samen ‘om leden van de academische gemeenschap te roepen tot geloof in God, tot discipelschap binnen het leven en de zending van de Kerk, en om hen te helpen om te streven naar vrede en gerechtigheid in en onder de volken’. Motts slogan ‘evangelisatie van de wereld binnen deze generatie’ werd befaamd.
In 1910 was Mott voorzitter van een enorme protestantse Wereldzendingsconferentie in Edinburgh. Evangelisatie zou meer moeten uitgaan van christenen binnen de eigen cultuur, kerken moesten ‘indigeniseren’, aldus de uitkomst waarvoor Mott zich daarna ook hard maakte. Kort erna kreeg hij met een collega van een bewonderaar een aanbod voor een gratis tocht met de Titanic. Ze weigerden en namen een meer bescheiden boot. Toen het bericht van de scheepsramp kwam zeiden de twee mannen tegen elkaar: ‘De goede God heeft kennelijk nog meer werk voor ons’. Het leven vol met reizen, boeken schrijven en toespraken zou nog lang doorgaan.
Na de formatie van de Wereldraad van Kerken in 1948 werd hij verkozen tot erepresident.
Motts Student Christian Movements bestaan nog steeds, wereldwijd, onder de vleugels van de Wereldraad van kerken. Maar in de loop van de twintigste eeuw kwamen er daarnaast wel nieuwe bewegingen met een meer behoudend karakter. De SCM verbonden zich met zaken als feminisme, bevrijdingstheologie, pacifisme, milieubeweging. Want het goede nieuws ging immers over de belofte van volwaardig leven voor ieder mens.

Ottho Gerhard Heldring – 17 mei 1804, Zevenaar – 11 juli 1876 Mariënbad (Oostenrijk-Hongarije)

Heldring 2Men hebbe de diepste verachting voor hare zonden, maar de zonderes hebbe men lief.

Het begon met gevallen vrouwen waarvan de ziel gered moest worden. In 1848 opende ds. Heldring in de Betuwe het eerste opvanghuis in Nederland om vrouwen uit de prostitutie aan een nieuw bestaan te helpen: het Asyl Steenbeek. Het werd het begin van een reeks ‘reddingshuizen’, gericht op opvang, opvoeding en onderwijs van kwetsbare en verwaarloosde meisjes en jonge vrouwen. En als het kon hun bekering.
Sinds 1827 al was hij predikant in het Betuwse Hemmen. Hij kaartte er in 1838 met cijfers onderbouwd het drankmisbruik aan met de wake-up-call: de jenever erger dan de cholera. Rond 1845 opende hij Nederlands ogen voor de armoede die de aardappelziekte teweeg bracht.
In het naburige Zetten bouwde hij voor zijn instellingen een nieuwe kerk op een vluchtheuvel voor het geval de Betuwe weer onder water kwam te staan. Protestanten uit het hele land zouden hun kinderen decennia lang naar Zetten sturen voor middelbaar onderwijs. ‘Zetten’ werd een begrip en zijn naam is er nog steeds verbonden aan een instelling voor o.a. getraumatiseerde jongeren. ‘Hoenderloo’ ook. In dit dorp dat hij als verwoed wandelaar had leren kennen op een van zijn vele trektochten, zorgde hij voor een waterput, een kerk en een instelling voor kansarme jongen.
Op zijn initiatief kwamen er in Amsterdam jaarlijkse conferenties van de Christelijke Vrienden. De ‘voormannen’ van het Réveil bespraken er met elkaar kerkelijke en maatschappelijke onderwerpen. Hier werd de basis gelegd voor de langzaam groeiende protestants-christelijke ‘zuil’ van organisaties. En hij was de organisatorische spil. Gelovig, gedreven, veelzijdig getalenteerd, sociaal bewogen, en geliefd om zijn literaire werk, gedeeltelijk in Gelders dialect. Hij redigeerde hun belangrijke tijdschrift ‘Christelijke Stemmen’ , ijverde mee voor christelijk onderwijs en richtte de Confessionele Vereeniging op (1864). De kerk kon immers in de samenleving alleen een vluchtheuvel zijn als ze orthodox was.
Maar Heldring was tegen de kinderverlakkerij van sinterklaas. Voor de kinderen in zijn internaat wilde hij pakjes onder de kerstboom. Zelf had hij in 1836 voor de eerste kerstboom in een Nederlandse kerk gezorgd, mét cadeautjes voor de armen. En dát was onder protestanten bepaald onorthodox. Maar wie er anders over dacht: even goede vrienden.
De naam Tabitha Kumi van zijn Betuwse meisjeshuis kwam ook te prijken op een meisjeshuis in Jeruzalem. Heldring was de spin in een internationaal netwerk van protestantse ‘in- en uitwendige zending’ dat zich uitstrekte tot in het Heilige Land toen zich de gelegenheid voordeed om ook daar op de komst van Gods koninkrijk vooruit te lopen.
Was al dit christelijk activisme geen dweilen met de kraan open omdat de politieke en economische machtsverhoudingen onaangetast bleven? Het is de tijd van Marx en Engels die de arbeiders aan de macht willen. Maar bij Heldring is religie in elk geval geen opium voor het volk, maar een activerende kracht, tot redding van de zwaksten. Vrouwen en kinderen voorop.

Adresloos danken?

Filosoof Ger Groot schreef in Trouw een mooie column over dankbaarheid: ‘Ook zonder God mogen we ons gelukkig prijzen’. Hij verdedigt de mogelijkheid van jezelf gelukkig prijzen zonder God. Want atheïsten moeten ook dankbaar kunnen zijn voor het geschenk van het leven, ook al heeft hun dank geen adres.
Mij bekroop de vraag of Groot hier niet juist het hybride karakter van atheïstische levenskunst bloot legt. Danken, loven en prijzen zijn nogal religieuze handelingen. Voor veel gelovigen zijn ze zelfs de kern van hun levenskunst. En adresloos danken is ook taalkundig iets raars. Bij het werkwoord danken hoort een dativus, een tegenover. Religie zet daarom God als stip op de horizon als perspectivisch verdwijnpunt voor de gevoelens en daden van dank, lof, vertrouwen, hoop, en niet te vergeten ook de twijfel, de wanhoop, het protest en de schuldbelijdenis. Hij is de spijker aan de muur waaraan we het allemaal ophangen. De theoloog Schleiermacher noemde hem twee eeuwen geleden het ‘Woher’ van dat allemaal, het waarvandaan.
Maar theologie begint al gauw te stamelen als er meer gezegd moet worden. God ‘is’ er dus, maar hij is geen wezen, geen zijnde. Achter de horizon kan ook een gelovige niet kijken. Het theïsme van de gelovige blijft ook hybride. In het heilige van tabernakel en tempel staat geen godsbeeld. En bij al te veel gepraat over God in de derde persoon en zijn al of niet bestaan vlucht de gelovige daarom graag vaak terug naar de religieuze praktijk van het spreken in de tweede persoon. Met behulp van verhalen, liederen, gebeden en andere rituelen proberen we in een relatie te blijven tot een ‘Gij’ (of tutoyeren een Jij). Een gelovige weet dat de voornaamste functie van het woordje ‘God’ is om juist die datief te zijn: de instantie om ‘U’ tegen te zeggen.
Maar als dankbare theïsten en atheïsten in feite hetzelfde doen en het enige verschil is dat de een zijn of haar levenskunst ophangt aan een gat waar de ander nog altijd de spijker ‘God’ heeft zitten, waarom dan niet gewoon samen? Als predikant heb ik in de loop der jaren de geboortekaartjes radicaal zien veranderen van ‘met dank aan God’ naar ‘met dankbaarheid geven we kennis van’ naar ‘hallo hier ben ik’ waar je gevoelens van ouders moet raden uit de bonte uitmonstering van de giga kaart. Toch kloppen ook de laatste ouders nog wel eens aan voor een kinderdoop. De kerk waarin God-gelovigen en God-betwijfelenden samen hun dankbaarheid vieren bestaat al lang. Groot, kom weer eens langs!

(tot zover mijn niet door Trouw geplaatste reactie)

Ongeloof hoef je niet bij de ingang van de kerk in te leveren, integendeel. De viering is er juist om geloof te activeren dat sluimerde en sliep. Soms even kun je er dan het ongeloof er achterlaten. (Bijvoorbeeld in de collectezak, het moment waarop we dankbaarheid in klinkende munt uitbetalen). Maar als dat niet lukt: elke week is er een herkansing. En ook bij de uitgang is er geen controle op de metafysische voorstellingen waarmee je door het leven gaat.

Christiaan Frederik Beyers Naudé (10 mei 1915, Roodepoort (Transvaal) – 7 september 2004, Johannesburg)

Christiaan Frederik Beyers NaudéJe bent nooit helemaal menselijk als je de menselijkheid in andere menselijke wezens niet hebt ontdekt. Sluit je ogen niet voor het onrecht van je eigen land door te proberen het onrecht van een ander land op te lossen.

Wie was deze dominee ook alweer, naar wie ook in ons land scholen en straten genoemd zijn?
Bij zijn geboorte was hij vernoemd naar generaal Beyers die voor de Boeren tegen de Engelsen gevochten had. Zijn vader, afstammeling van Hugenoten, was lid van de Broederbond, een club van blanke Boeren die een grote rol speelde bij de vestiging van het apartheidsbewind in Zuid-Afrika in 1948, toen het Britse imperium ontmanteld werd. En de architect van de apartheidspolitiek, André Verwoerd, was tijdens zijn studie een van zijn docenten. Geen wonder dat de jonge dominee Beyers Naudé op de kansels van de Nederduits Gereformeerde Kerk eerst ook vurig de apartheid predikte.
Sharpville betekende zijn definitieve ommekeer. Daar schoot de blanke politie in 1960 bij een vreedzame demonstratie 69 demonstranten dood. Naudé werkte mee aan resoluties van de Wereldraad van Kerken tegen de apartheid. Als directeur van het Christelijk Instituut richtte hij zich op dialoog en verzoening en deed hij aan research en documentatie. Hij werd door zijn kerk afgezet , waarop hij zich als blanke dominee aansloot bij de zwarte Dutch Reformed Church. ‘We moeten ons gereed maken voor tien jaar leven in de woestijn’ zei hij tegen zijn vrouw. Hij werd behandeld als een melaatse, aldus Desmond Tutu. De regering sloot uiteindelijk zijn instituut en legde hem van 1977 tot 1984 zelfs een ‘banning order’ op: huisarrest. Ondertussen begon de stroom buitenlandse onderscheidingen, ook uit Nederland. In zijn rol van voorzitter van de Raad van Kerken bepleitte hij vrijlating van politieke gevangenen en onderhandelingen met het ANC. Toen het er eindelijk van kwam, betrok Mandela hem bij de onderhandelingen met president De Klerk. Daarna deed hij wel eens bijbellezingen op congressen van het ANC, maar hij werd nooit lid. Hij kreeg de Nobelprijs voor de vrede. Na zijn overlijden ontving hij een staatsbegrafenis.
Hij voorzag dat veel blanken zich niet aan de nieuwe verhoudingen zouden aanpassen maar hun heil elders zouden zoeken. Het blanke racisme kende hij van binnen uit. ‘Oom Bey’ was zich desondanks altijd Afrikaner blijven noemen.
Apartheidsideologen ontleenden soms hun argumenten regelrecht aan geschriften van calvinisten als Abraham Kuyper. En de internationale boycot tegen Zuid-Afrika was ook onder Nederlandse protestanten niet onomstreden. Naudé heeft ook hier het protestantisme kleur helpen bekennen.

Tertullianus (ca. 160 Carthago – ca. 230)

TertullianusWat is meer een schande voor God: dat hij geboren is, of dat hij zou sterven? Dat hij het vlees zou dragen, of het kruis?

Een liefhebber van theologie moet ook Tertullianus eren. Een founding father van de westerse theologie, een van de eersten die in het Latijn over het geloof schreef.
Het is de tijd van Marcion. Deze priester in Rome zorgt voor grote opschudding met zijn opvatting dat het Oude Testament over een mindere god gaat dan het Nieuwe. Een ander discussiepunt in die tijd is de gedachte dat Jezus een schijnlichaam had. Om de hoge God te vrijwaren van de schande van een dood aan een kruis moest ook zijn Zoon ervan gevrijwaard, als je aan de goddelijkheid van Jezus wilde vasthouden. (Een Jezus die helemaal niet bestaan hoeft te hebben is de moderne variant.)
Tertullianus vindt zulke gedachten voor een christen absurd. Hij verdedigt de twee naturen en de lichamelijkheid van Christus, tegelijk mens én tegelijk God zelf die lijdt en sterft en opstaat. ‘Wat heeft Athene met Jeruzalem van doen?’ Geloof begint bij wat werkelijk het geval is, niet bij de filosofische vraag of iets wel of niet mogelijk is. Lichamelijke opstanding is even zeker als dat het onmogelijk is, zoals de dood van de zoon van God even aannemelijk is als dat het dwaas is – welke God laat zijn zoon sterven? – en zoals een christen zich net zo weinig schaamt voor het kruis als dat ditzelfde kruis een schandaal is.
Om dat geloof worden christenen bij vlagen bloedig vervolgd. Maar ‘het bloed der martelaren is het zaad van de kerk’. Tertullianus’ verslag van hun marteldood maakte Perpetua en Felicitas beroemd. Waarschijnlijk onder de indruk van de moed van christenen was Tertullianus ook zelf christen geworden. Ook hun strenge moraal en hun visie op de hemelse toekomst sprak hem aan.
Hij was geboren in Carthago in het huidige Tunesië, als zoon van een Romeinse centurio. Maar als christen wees hij militaire dienst af. Natuurlijk moesten christenen bidden voor het Romeinse rijk, maar dienst nemen in dat rijk was not done. Even fel als hij ook was tegen de wettelijk toegestane infanticide (kinderdoding), abortus en gladiatorenspelen. Wie het zwaard grijpt zou toch door het zwaard omkomen?
Een Kerkvader dus. Maar ergens na 207 werd Tertullianus lid van de strenge en charismatische sekte van de Montanisten. Daarom is hij nooit heilig verklaard. Hij staat wel op de onofficiële heiligenkalender van de Duitse protestanten, op 26 april. Ik doe mee. Er zijn meer heiligen die in hun radicaliteit wel eens doorschoten.

Willem van den Bergh (25 februari 1850, ‘s-Gravenhage – 30 april 1890, Montreux)

Willem van den Bergh

Ook het ambt der diakenen ligt onder moordenaarshanden uitgetogen, op de openbare weg. Halverwege tussen Jeruzalem en Jericho ligt het misvormd ter aarde

Onder leiding van Willem van den Bergh was de kerkenraad van de gemeente van Voorthuizen op de Veluwe de eerste die in 1886 ‘het synodale juk’ van de Hervormde Kerk van zich afwierp. Er was een goede treinverbinding met het ‘hoofdkwartier’ van Abraham Kuyper in Amsterdam. Zo begon daar de Doleantie die zoveel nieuwe gereformeerde kerken en kerkgebouwen in Nederland zou opleveren. Ook in datzelfde Voorthuizen waar ik opgroeide en als tiener organist was: in de kerk van Willem van den Bergh. Want het gebouw was een aantal jaren en rechtszaken later weer overgedragen aan de hervormde gemeente die opnieuw had moeten worden opgericht. De gereformeerden hadden een nieuwe kerk en pastorie moeten bouwen. Hoe hervormd we ook waren, over Van den Bergh en zijn geloofsdaad werd altijd met respect gesproken. Hij was overigens een sombere man die soms als een boeteprediker heftig tekeer ging.
Dr. mr. van den Bergh was getrouwd met Ida Pierson (1858-1884), dochter van Hendrik Pierson die predikant-directeur was van de Heldring-stichtingen in Hemmen voor de opvang van ‘gevallen vrouwen’. Ze was genoemd naar oma Pierson, ‘moeder-overste’ van de Réveilbeweging. Hij was behalve als theoloog ook als jurist gepromoveerd, op een studie over de strijd tegen prostitutie. Daarvoor had hij onderzoek gedaan in een van de instellingen van zijn schoonvader die een vooraanstaand activist was tegen prostitutie.
En hij heeft zich in de geest van dat Réveil hard gemaakt voor het sociale gezicht van de kerk. Niet alleen armenzorg, ook andere en nieuwe takken van ‘filantropie’ zouden rechtstreeks door de kerk ter hand genomen moeten worden: als diaconale verantwoordelijkheid. Ook de zorg na brandschade, hij was tegen verzekeringen. Hij kreeg de mannen van de Doleantie niet zo ver. Kerk en christelijke organisatie bleven ook bij de gereformeerden zelfstandig naast elkaar. Maar het sociale bewustzijn zat er wel in. Het zou in de gereformeerde zuil gaan wemelen van verenigingen en stichtingen voor zending, voor christelijke scholen, voor zieken- en bejaardenhuizen.
En ook voor ‘zwakzinnigenzorg’, zoals het toen ging heten. En daarin had Willem van de Bergh in het bijzonder een belangrijke hand gehad. Vlak na zijn dood werd ‘s Heeren Loo geopend, een tehuis in de bossen van Ermelo. En het zou in de volgende eeuw een heel netwerk van instellingen worden voor de opvang, begeleiding en scholing van mensen met verstandelijke beperkingen. De instelling in Noordwijk kreeg zijn naam, evenals her en der een straat of laan. En ds. van den Bergh haalde zelfs de canon van de geschiedenis van de geestelijke gezondsheidszorg. Dankzij zijn vernieuwende initiatief voor mensen met wie de samenleving eeuwenlang weinig raad wist.

Maria Skobstova (* 8 december 1891, Riga – † 31 maart 1945, Ravensbrück)

Maria Skobstova

We moeten niet toestaan dat Christus wordt overschaduwd door regels, gewoontes, tradities, esthetische overwegingen en zelfs niet door vroomheid

Ook wie sigaretten rookt, bier drinkt, twee keer gescheiden is en atheïstische en communistische ideeën heeft gehad, kan een heilige worden. In de Russisch-Orthodoxe kerk tenminste wel, al kostte het enige moeite. Maria Skobstova stierf zeventig jaar geleden in concentratiekamp Ravensbrück. Er zijn vermoedens dat ze vrijwillig de plaats ingenomen had van een andere vrouw. Ze was er terecht gekomen omdat ze in Parijs Joden had geholpen.
Als Liza Pilenko groeide ze op op een landgoed bij de Zwarte Zee. Aanvankelijk was ze een vroom meisje dat het spaarvarken slachtte voor ikonen in een nieuwe kerk. Maar toen haar vader overleed toen ze veertien was werd ze atheïst. Met haar moeder trok ze naar St. Petersburg. Daar werd ze dichteres, in een circuit van radicale intellectuele jongeren. Maar ze vond wel dat die teveel alleen praatten over hun sociale bewustzijn. Ze vond de weg terug naar het geloof van haar jeugd. Ze zag hoe de Christus die bloed had gezweet meer kon betekenen voor de mensheid dan revolutionaire ideeën. En ze mocht theologie gaan studeren aan het Alexander Nevskiklooster, een mannenbolwerk.
Kort na de Revolutie van 1917 was ze even burgemeester van de stad van haar jeugd. Maar de grond werd er te heet onder de voeten. Met haar tweede man Skobstov vluchtte ze naar het Westen om net als veel andere Russen uiteindelijk in Parijs terecht te komen. In de rouw na de dood van een dochtertje voelde ze zich, ondanks de zinloosheid van dit sterven, ´overschaduwd door een onbegrijpelijke Betekenis’. Hierdoor ging ze nog nadrukkelijker op zoek naar een ‘authentiek en gezuiverd leven’. Ze kreeg toestemming van haar man om te scheiden en de kloostergelofte af te leggen en haar bisschop gaf haar ruimte om op een nieuwe manier aan een leefgemeenschap in Parijs gestalte te geven.
Temperamentvol als ze was had ze vaak niet het geduld om de liturgie uit te zitten. Er was veel werk te doen. God was immers vooral te vinden in het aangezicht van de behoeftige naaste, de paupers van Parijs. In haar shabby pij was ze een bekende verschijning in Les Halles om voedsel bij elkaar te scharrelen voor haar maaltijdproject.
Ze was fel anti-nazi. Door de Duitse bezetting werd ze zich er extra van bewust dat ze de naam van een Joodse vrouw als kloosternaam had gekozen. Ze hielp Joden bij het verkrijgen van doopbewijzen of bij hun onderduik of vlucht.
Het was op Stille Zaterdag 1945 dat ze de gaskamer inging. In de verte klonk het geschut van de bevrijders.

Dietrich Bonhoeffer (4 februari 1906 Breslau 9 april 1945 Flossenburg)

BonhoefferOns christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mensen het goede doen

De verfilming van het leven van Dietrich Bonhoeffer Agent of Grace eindigt met een shot van alleen de twee blote voeten op het schavot in Flossenburg. Hitler had vlak voor de ondergang van zijn rijk nog de terechtstelling bevolen van een aantal vooraanstaande Duitsers die zich tegen hem teweer hadden gesteld. Zo werd ook Bonhoeffer na meer dan twee jaar gevangenschap opgehangen.
De film begint vrolijk met jazz op een piano in New York. Hij groeide op in een groot gezin in Berlijn. Een door en door fatsoenlijke omgeving. Vader was een vooraanstaand psychiater en buitenkerkelijk. Moeder was gelovig en had predikanten in de familie. Veel kerken had Dietrich in zijn jeugd niet van binnen gezien. Toch koos hij voor theologie en al heel snel was hij gepromoveerd, gevolgd door predikantschap voor Duitsers in Barcelona en Londen en een combinatie van taken in Berlijn.
Dietrich kreeg in 1935 de leiding van seminaries voor de opleiding van predikanten van de dissidente Bekennende Kirche. Hij probeerde daarin zijn ideaal van leven in een geestelijke gemeenschap vorm te geven, geïnspireerd door het kloosterleven en de ashrams van Gandhi. Er stille tijd gehouden en liturgie gevierd, maar ook gestudeerd en gesport, gemusiceerd en naar de grammofoonplaten van negro spirituals geluisterd die hij had meegenomen uit de VS. De meeste van deze jonge predikanten kwamen al snel om in de legers van Hitler. De seminaries werden opgedoekt. De beschermvrouwe van deze seminaries op het Pruisische platteland bracht ondertussen haar jonge kleindochter Maria op zijn weg. Ze hadden nog nauwelijks verkering of Bonhoeffer werd gevangen genomen, op verdenking van betrokkenheid bij een complot tegen Hitler. Die verdenking was juist. In 1939 was hij bewust weer terug gekomen uit de VS. Zijn zwager Hans von Dohnanyi had hem bij een van de belangrijkste samenzweringen betrokken. Voor de hele familie was verzet tegen Hitler een kwestie van fatsoen.
In de gevangenis heeft Bonhoeffer schetsen op papier gezet voor het christendom na de oorlog. Zelf verenigde hij de theologische doordenking van allerlei vraagstukken met een diep en eenvoudig geloof. In de gevangenis vormden Bijbelteksten en liederen van Paul Gerhardt dagelijks zijn geestelijk ontbijt. Dat is wat hij ook het christendom na de oorlog toewenst in brieven en schetsen voor een boek. Een zich bescheiden opstellend, ‘werelds’ maar spiritueel leven in dienstbaarheid. In ‘navolging van Christus’, zoals zijn bekendste boek heette. Desnoods met blote voeten.

Jan Koopmans (Sliedrecht, 26 mei 1905 – Amsterdam, 24 maart 1945)

Jan Koopmans‘Europa is ontkerstend, de wereld bezeten, de mensen worden gedemoniseerd. Te laat? Neen, het is nog niet te laat’

Zeventig jaar geleden overleed Jan Koopmans. Hij was twaalf dagen daarvoor geraakt door een verdwaalde kogel toen er dertig personen als represaille werden gefusilleerd in het Amsterdamse Weteringplantsoen. Nederland verloor net voor de bevrijding een toonaangevend predikant.
Koopmans volgde eerst de opleiding tot leraar HBS. Zijn vader stond huiverig ten opzichte van zijn wens om predikant te worden. Na zijn studie theologie in Utrecht werd hij in 1928 predikant in Elkerzee op het Zeeuwse eiland Schouwen, drie jaar later gevolgd door ‘s-Heer Hendrikskinderen. Zijn vervolg van de studie werd in 1938 bekroond met een proefschrift over het belang dat de Reformatoren van de 16e eeuw hechtten aan het oudkerkelijk dogma.
Het jaar erop werd hij bijbelstudiesecretaris van de Nederlandse Christen Studentenvereniging (NCSV) die in de jaren ’30 van grote betekenis was. Vanuit die functie had hij ook regelmatig contact met de Bekennende Kirche in Duitsland. Hij was nauw geestverwant van zijn leermeesters prof. K. H. Miskotte en ds. Oepke Noordmans, predikant in de Achterhoek. Ze waren aanhangers en pleitbezorgers van de theologievernieuwing die door de Zwitser Karl Barth was ingezet. Koopmans was betrokken bij de optredens van Barth in Nederland. Vanwege de neutraliteitspolitiek werden die nauwlettend door de overheid gevolgd.  In 1939 probeerde hij namens ‘de Lunterse kring’ met  ‘Amersfoortse thesen’  tevergeefs de Hervormde kerkleiding tot scherpere positiekeuze tegen het antisemitisme te bewegen.
Toen de Duitse bezetting een feit was geworden moest elke overheidsambtenaar de zogeheten Ariërverklaring tekenen. Koopmans schreef in november 1940 in reactie daarop de brochure ‘Bijna te Laat!’ Het was een hartstochtelijk appèl op de Nederlandse kerk en het Nederlandse volk om de Joden niet te verraden. Het jaar erop noemde hij in een verklaring het antisemitisme als ‘een van de hardnekkigste en dodelijkste vormen van verzet tegen de heilige en barmhartige God, wiens Naam wij belijden’.  In 1941 predikant geworden in Amsterdam probeerde hij zo veel mogelijk Joden te helpen. Vanuit zijn functie protesteerde hij regelmatig bij de Duitsers tegen de behandeling van de Joden. In een SS-blaadje werd hij intussen gehoond ‘als procuratiehouder der firma Juda en Co.‘ Om arrestatie te voorkomen logeerde Koopmans in de laatste maanden van de oorlog regelmatig op een ander adres. Met die fatale afloop.
Predikanten van allerlei richting hadden in en na de oorlog zijn bundels preekschetsen in de kast staan. Ze zijn heel veel geraadpleegd. Zo bleef hij ondanks zijn voortijdige dood een invloedrijk leraar van de kerk.

Teresa van Avila (28 maart 1515 Avila – 4 oktober 1582 Alba de Tormes (Sp))

Teresa van Avila2O wat laat zijn mijn verlangens pas ontvlamd en hoe vroeg was U reeds in de weer om mij goed te doen en mij te roepen!

Teresa van Avila, vijfhonderd jaar geleden geboren, is voor Rooms-Katholieken een grote heilige. In 1970 kreeg ze als eerste vrouw van de paus de status van kerkleraar. Voor een Hollandse protestant is ze wel erg Spaans, erg Rooms en erg non. Haar Spaanse koningen bestreden noordelijk de Reformatie en de Nederlandse opstand met legers en brandstapels. En wat moet je van haar mystieke visioenen denken? Bernini heeft die treffend in marmer uitgedrukt, een topattractie in Rome: smachtend met de ogen dicht wordt ze in haar buik getroffen door de liefdespijl van een engel. Er was van meet af discussie over de erotische lading van haar visioenen. Haar heiligverklaring in 1622 dankte ze aan het feit dat ze volgens biografen heel ‘mannelijk’ haar hartstochten had weten te beheersen. In de negentiende eeuw vonden psychologen haar een typische hysterica, in de twintigste werd ze een feministisch icoon.
Feit is dat ze behalve veel visioenen ook visie had en daadkrachtig leiderschap aan de dag legde. De visioenen begonnen toen ze drie jaar verlamd op bed gelegen had. Ze was een knappe jonge vrouw uit betere kringen, kleindochter van ‘conversos’: gedwongen bekeerde joden. Tegen de zin van haar vader koos ze voor het kloosterleven in plaats van het huwelijk, in een klooster dat veel vrijheden kende. Ze reisde veel rond, vooral toen de fase aanbrak dat ze tientallen kloosters stichtte. Samen met de mysticus Johannes van het Kruis werd ze namelijk pleitbezorger van een strengere naleving van de oorspronkelijke regels van de Karmel. Ze liepen tegen flink verzet op. Het middel van excommunicatie werd niet geschuwd: voor straf wekenlang geen priester voor de mis. Haar biografie staat vol met lastige mannen en listige manoeuvres om de Inquisitie te ontwijken die visionaire vrouwen wantrouwde. Maar de Ongeschoeide Karmelieten en Karmelietessen kregen een grote toestroom.
Overigens stond ze met haar mooie voeten stevig op de grond. ‘Er is een tijd voor boetedoening en een tijd voor patrijs’ (een Castiliaanse lekkernij.) In haar honderden brieven bemoeide ze zich net zo goed met huishoudelijke zaken, orde en netheid en hogere kerkpolitiek als met een ieders geestelijk leven.
Niet alleen aan visioenen en ingevingen hechtte ze grote waarde, maar ook aan de beoefening van het ‘innerlijke gebed’. Zo onttrok ze het innerlijk van zichzelf en haar zusters aan de controle van heren prelaten en machthebbers. Dus toch ook een rebelse hervormer.

Felix Mendelssohn-Bartholdy (3 februari 1809, Hamburg, – 4 november 1847, Leipzig)

1024px-Felix_Mendelssohn-Bartholdy_(AMZ_1837)Meer aan je eigen vordering werken, minder aan de mening van anderen!

3 februari 1809, Hamburg, – 4 november 1847, Leipzig

Felix Mendelssohn-Bartholdy is een van mijn favoriete componisten. Zijn orgelwerken of zijn Lieder ohne Worte voor piano liggen binnen het bereik van de gevorderde amateur. Zijn religieuze koormuziek ligt goed in het gehoor. Zijn grote oratoria Elias en Paulus brachten belangrijke bijbelse figuren in de concertzaal met een avondvullend programma. Maar zijn belangrijkste daad is misschien wel dat hij de Mattheuspassion van zijn verre voorganger Johann Sebastian Bach onder het stof vandaan haalde. Op 11 maart 1829 vond de eerste uitvoering sinds Bachs dood plaats, in de concertzaal. Aangepast aan de instrumenten en de smaak van zijn tijd, met veel meer zangers en instrumenten dan Bach zelf ooit had, en veel langzamer. Het succes duurt nog steeds voort. Zo kun je een Mattheüspassie-christen zijn, eentje die nooit naar een kerkdienst gaat en niet ‘gelooft’ maar wel jaarlijks in de lijdenstijd voor Pasen het hele muzikale epos van Jezus’ lijden en sterven toch zich door laat dringen. En dat is niet niks.
Felix was een kleinzoon van de beroemde Moses Mendelssohn die in de achttiende eeuw het joodse geloof had verenigd met Verlichtingsfilosofie en zo de grondlegger van de Haskala was, het geassimileerde jodendom. Ondanks dat Joden her en der ook meer burgerrechten kregen, lieten verschillende nakomelingen zich toch dopen. Zo ook zoon Abraham, een rijke bankier, met zijn gezin in 1816 in Berlijn.
Felix zat toen al op muziekles, muzikaal wonderkind als hij was. Daardoor heeft hij in zijn relatief korte leven enorm veel muziek geschreven. Onbegrijpelijk hoe hij al dat componeren heeft kunnen verenigen met een drukke concert- en lespraktijk, een internationale carrière als dirigent, de oprichting van het conservatorium van Leipzig, de stad van Bach. Ondertussen trouwde hij met een protestants meisje en kregen ze vijf kinderen. En dan ook nog eens perfectionist zijn! Hij overleed al jong, overspannen en treurend om de dood van Fanny, zijn zus.
Het heeft hem niet geholpen dat hij gedoopt christen was en zijn muzikale talent zo groots had ingezet om de boodschap van Oud én Nieuw Testament voor het voetlicht te brengen. Al in 1850 begonnen de antisemitische aanvallen van Richard Wagner. In Hitlers rijk was zijn muziek zelfs totaal taboe en werden zijn standbeelden vernield.
En na de oorlog werd zijn muziek nog lang weggezet als te romantisch, religieuze kitsch, te braaf. Gelukkig is dat allemaal geschiedenis.

Johannes Cassianus, 360 Dacia Pontica – 435 Marseille

CassianusPurgatio, illuminatio, unitio – zuivering, verlichting, vereniging

Cassianus is een belangrijke schakel in de geschiedenis van het christelijke kloosterleven. Toch is hij nooit heilig verklaard. Anders dan kerkvader Augustinus vond Cassianus namelijk dat een mens ook wel een klein beetje kon meewerken aan zijn eigen heil. Daarvoor werden mensen tenslotte monnik. Maar in de vijfde eeuw kwam je dit op veroordeling als semi-pelagiaan te staan, half een volgeling van Pelagius. Het verhinderde niet dat zijn boeken klassiekers werden.
Dat meewerken aan je eigen heil vergt zelfs een behoorlijke geestelijke inspanning. De praktijk van het kloosterleven die Cassianus beschrijft bestaat immers uit nederigheid, soberheid, gehoorzaamheid, veelvuldig gebed, vasten en mediteren. Vooral onder de Kartuizers, een strenge orde, kreeg hij groot gezag.
Johannes Cassianus werd geboren als zoon van Romeinse kolonisten in het huidige Roemenië. Hij ontving onderwijs in een klooster in Bethlehem en verbleef twaalf jaar bij de kluizenaars in Egypte die hij later beschreef. Hij stond onder invloed van belangrijke oosterse theologen uit zijn tijd en had belangrijke taken in Constantinopel en het pauselijke hof in Rome. Maar niet lang na de verovering van Rome door de Gothen in 410 blijkt hij zijn carrière te hebben afgebroken om zich te wijden aan zijn eerste liefde, het monnikenleven. Bij Marseille sticht hij een dubbelklooster voor mannen en vrouwen waar hij als zestigplusser aan het schrijven slaat.
Cassianus stond op het kruispunt van de Griekse en Latijnse spiritualiteit. Het einddoel is bij hem het Rijk Gods, de eenwording met de liefde van God. Maar die kun je niet bewerken, alleen ontvangen. Wat je wel kan nastreven is zuiverheid van hart waardoor je er ontvankelijk voor wordt.
In de Griekse spiritualiteit was het hart verdacht. Wie zijn hart volgt kan speelbal worden van zijn gevoelens en aandriften. Richt je liever op je geest en zorg dat die vrij wordt van hartstochten. Maar Cassianus draait het min of meer om. De geest moet het hart bevrijden van het drek dat de dagelijkse beslommeringen erop achterlaten. Dan kan dit het centrum van liefde worden. Alle geestelijke oefeningen van de monnik zijn daarop gericht. Vooral de dagelijkse gebeden. Maar ook de oefening in deugden. Cassianus werkte een lijst van acht hoofdzonden uit – een nog altijd handig hulpmiddel tegen vervuiling van je ziel.
Een van zijn boeken is al in 1382 in het Nederlands vertaald. Ook buiten de kloostermuren begonnen mensen te zoeken naar intensivering van hun geestelijk leven en dan wordt Cassianus ook voor de ‘moderne devoten’ een belangrijke gids.
Anno 2015 is het volgen van je hart erg populair. Maar dan losgekoppeld van elke geestelijke discipline, nogal eens onnadenkend. ‘Als het maar goed voelt’ lijkt soms het enige kompas. Een scheut Cassianus kan geen kwaad.
Oosterse christenen gedenken hem op 29 februari. Dat is in de buurt van de zondag dat we in de kerk vaak lezen over Jezus’ retraite van veertig dagen in de woestijn.

Valentinus van Rome, † 14 februari 269, Rome

De liefde is een vlammend vuur (Hooglied)

In 1927 is Valentijn door de Kerk van Engeland van de heiligenkalender geschrapt. Tevergeefs. 14 februari is al eeuwen de feestdag voor verliefden. Valentijn heeft oude wortels. Half februari begint de paartijd van de vogels. De Romeinen kenden dan de Lupercalia, het feest van de wolvin. Het bestond uit reinigingsrituelen voor meisjes die voor het eerst menstrueerden, het offeren van bloemen aan Juno, de beschermgod van de huwelijken. In Rome was er ook sprake van een parade van naakte jongemannen die briefjes trokken met daarop de naam van een meisje.
Valentijnsgroeten sturen bestond al in de veertiende eeuw in Frankrijk, Engeland en België. In Frankrijk werden bovendien ‘Valentijns’ en ´Valentines’ door het lot gekoppeld en voor een jaar op proef verloofd. Er zijn tijden geweest dat op 14 februari de aankomst van Jezus op zijn hemelse Bruiloft gevierd werd.
Maar welke Valentijn is in 496 heilig verklaard? Verhalen over heiligen gingen soms door elkaar lopen. Valentijn van Rome staat te boek als een arme priester die een meisje van haar blindheid genas, mensen die troost zochten een bloem uit zijn tuintje gaf, hen in een huwelijkscrisis bijstond. Omdat hij het keizerlijke verbod trotseerde om geliefden christelijk te trouwen werd hij in 269 onthoofd. Keizer Claudius II wilde jonge mannen ongehuwd in het leger hebben omdat ze dan beter vochten. In de gevangenis zou de priester een kaart gestuurd hebben, getekend ‘van jouw Valentijn’, aan de dochter van de cipier, dat genezen meisje dus.
De Valentinus van Terna was een succesvolle bisschop die uit Interamna (Terna) naar Rome werd geroepen om daar de zieke zoon van een belangrijke functionaris te genezen en daar vervolgens veel mensen tot geloof bracht. In de vervolging van 268 werd hij daarom onthoofd, ’s nachts, om niet te veel opzien te baren. Later werden zijn relikwieën geroofd en door half Europa versleept. Die zouden ook werken tegen muizen.
Mogelijk zijn deze twee Valentijns toch één. Het is hoe dan ook net als met sommige bijbelverhalen. Te mooi om niet waar te zijn. Ik stem voor die van Rome. Ook al is dat van die briefkaart vast een verzinsel. En elke gemeente zou rond 14 februari een inspiratieavond voor stellen moeten beleggen. Met muziek, een verhaal over overwinnen van relatiedipjes, een zegen voor wie de trouwbelofte hernieuwen, een drankje en dansje. Die man of vrouw die ooit met jou in zee wilde is tenslotte vaak een lot uit de loterij. Mij kost deze dag in elk geval weer een bloemetje.Valentijn

John Henry Newman, 21 februari 1801, Londen – 11 augustus 1890, Birmingham

NewmanHet geweten heeft rechten, maar ook plichten

Gewetenloosheid is er best veel in de wereld. Newman maakte zich er al grote zorgen over.
1874. Het liberalisme viert triomfen. De vrijheid van meningsuiting krijgt steeds meer voet aan de grond. Newman ziet schaduwkanten. Gewetensvrijheid is nu ‘het recht om te denken, te spreken, te schrijven en te handelen naar eigen oordeel en stemming, zonder enige gedachte aan God.’ Het is een vrijbrief ‘om af te zien van geweten, een Wetgever en Rechter te negeren, zich los te maken van ongeziene verplichtingen’. Hoe actueel als we denken aan ons vurig verdedigde recht tot het maken van harde grappen in cartoons en cabaret. Of aan alle applaus voor iedereen die vooral druk zichzelf weet te zijn.
Vanuit het christelijk geloof zouden we ons geweten liever moeten zien als echo van de stem van God. Wie bij zijn geweten te rade gaat luistert dan niet naar de stem van egoïsme dat ver voor zichzelf uitkijkt. Evenmin naar het verlangen om consistent met jezelf te zijn. Het geweten is boodschapper van de Eeuwige, ‘de inheemse plaatsvervanger van Christus’.
En daarom was dezelfde Newman vurig pleitbezorger van een gelovig klimaat in de kerk, het gezin en het onderwijs. Want tot zo´n gewetensvol mens moet je gevórmd worden.
Newman was een van de grootste theologen uit het negentiende-eeuwse Engeland. Tot op heden wordt hij bewonderd als gedreven zoeker naar waarheid, met eerbied voor de traditie en tegelijk open voor nieuwe sporen waarop de Geest de kerk wil leiden, een oprecht gelovige. Hij behoorde tot de zogenaamde Oxfordbeweging. Die streefde naar een opwekking van geestelijk leven in de kerk door hernieuwde aansluiting op oude katholieke wortels. Liturgie, gebed, sacrament en ambt stonden hoog in het vaandel. In 1845 stapte hij van de Kerk van Engeland over naar de RK Kerk. Newman werd een belangrijke pion in het streven naar katholieke terreinwinst op de Anglicanen. De toenmalige paus maakte hem in 1879 kardinaal. En onlangs in 2010 werd hij door paus Benedictus zalig verklaard, de eerste Britse zalige sinds de Reformatie. De paus prees hem voor het verdedigen van de vitale plaats van godsdienst in de samenleving. Maar Newman heeft ook altijd onder niet-katholieken respect genoten en inspirerend gewerkt op hun vernieuwing van kerk en liturgie.
Zijn uitvaart schijnt 15.000 mensen op de been gebracht te hebben. Zijn preken in mooi Engels waren veel gelezen. Zijn wapenspreuk was Cor ad cor loquitur, hart spreekt tot hart.
Newman. Mooie naam. Moesten we niet allemaal ‘de nieuwe mens aantrekken’ (Efeziërs 4: 24)?

Jezus bestond niet en Troje lag in Engeland

Met verbazing lees ik de argumenten waarmee de redactie van Trouw het opneemt voor collega Van der Kaaij die de historiciteit van Jezus ontkent. Het wetenschappelijke debat in de negentiende eeuw over die historiciteit zou onbeslist geëindigd zijn. En Van der Kaaij zou met zijn opstelling oude papieren hebben. Het stukje suggereert ook dat christelijk Nederland een beetje lui is geweest door de vraag naar de historische bewijzen nooit meer aan de orde te stellen.
De vraag naar de historiciteit van rabbi Jezus van Nazareth is allereerst een gewone  wetenschappelijke kwestie. En dan is de zaak heel helder. Er is een brede wetenschappelijke consensus over die historiciteit. We kunnen er net zo zeker over zijn als over de ligging van het Troje van Homeros aan de kust van het huidige Turkije. Er zullen altijd wel lieden zijn die het proberen met een ligging in Engeland. Zoals er ook Holocaustontkenners zijn. Maar wetenschappelijk is nu eenmaal de regel dat als er een bepaalde mate van plausibiliteit is bereikt, je dan mag spreken van zekere kennis. Precies daarom geldt ook omgekeerd dat de uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster een fabeltje is. Zoiets geldt zelfs voor kennis op natuurwetenschappelijk terrein. De relatie tussen klimaatopwarming en CO2-uitstoot is onomstotelijk, ook al is er geen 100-procent een stemmigheid. Dwarse types zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven, maar je kunt ze niet altijd serieus nemen.
Ja, er is een klein landje waarvan een aantal ultra-vrijzinnige theologen honderd jaar geleden serieus meenden dat Jezus een mythologische constructie was van later datum.  Het strekt niet erg tot onze  eer dat zij de enigen zijn die Nederland vertegenwoordigen in het vuistdikke overzicht van Albert Schweitzer van het wetenschappelijke debat tot dan. De Radicale Hollanders werden aangestuurd door een rigide opvatting over historische bewijsvoering. Daar kon Jezus niet aan voldoen, waarom hij werd veroordeeld: product van mythische fantasie. Het zou niet best zijn voor ons strafrecht als daar dezelfde strenge regels van bewijsvoering werden gehanteerd. Teveel criminelen zouden vrijspraak krijgen wegens gebrek aan bewijs.
Die Radicalen waren wel symptomatisch. De protestantse theologiebeoefening in Nederland heeft ook daarna geen goede traditie opgebouwd op dit veld van wetenschappelijk onderzoek. De enige Nederlander die doorgedrongen was tot Amerikaanse Jesus-seminar waar een groot aantal geleerden de kwesties bediscussieerden, was onze cineast Paul Verhoeven. Zijn Jezusbiografie werd vervolgens door de theologen afgeserveerd, maar zonder dat zij met een alternatief kwamen. De volgende belangrijke wetenschappelijke stap werd gezet door alweer een buitenlander, de niet-meer- christelijke Iraniër Reza Aslan met zijn boek De Zeloot.
Ik zie collega Van der Kaaij als slachtoffer van die zwakte in de Nederlandse theologiebeoefening.  Maar ‘christelijk Nederland’ had en houdt ondertussen goede papieren om zich geen zorgen te maken over de historische plausibiliteit van het bestaan van rabbi Jezus.
En als gelovigen hebben we er nog een belangrijke reden voor. We leven in een wereld waarin Auschwitz geen mythe is en waarin de bewijzen voor de gruwelijkheden van IS nogal verpletterend zijn. In diezelfde wereld kreeg de mensheid ook figuren van vlees en bloed als Gandhi, Martin Luther King, Mandela. We hebben existentieel belang bij de historiciteit van oprechte menselijkheid, geweldloze inzet voor gerechtigheid, gelukte naastenliefde.  Dat die er is maakt de historiciteit van Jezus des te geloofwaardiger. We kunnen niet zonder.

(door dagblad Trouw niet geplaatste bijdrage, vrijdag 6 februari 2015)