Thomas a Kempis, plm. 1380 Kempen – 25 juli 1471 Windesheim

Thomas a KempisSchrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en verdraag manmoedig wat u tegenloopt

Thomas Hemerken werd geboren in Kempen. Hij ontving onderwijs bij de Broeders des Gemenen Levens in Deventer. Eenmaal kloosterling in het Bergklooster in Zwolle wordt hij de man ‘met een boekje in een hoekje’. De beweging van de Moderne Devotie krijgt intussen een steeds bredere actieradius, een beweging van mannen en vrouwen die in gemeenschappen wonen en zich wijden aan groei in geestelijk leven. Thomas´ boek De navolging van Christus, gegroeid tussen 1420-1441, is de rijpste vrucht van deze beweging geworden. Het kwam te liggen op de nachtkastjes van uiteenlopende figuren als Florence Nigthingale, paus Johannes Paulus II en Bill Clinton. Geen wonder, want het is een vriendelijk spiritueel zelfhulpboek. Het wil helpen grip te krijgen op de innerlijke krachten die je allerlei kanten uit willen sturen  en vaak niet in de richting waarin je voor God, de naaste en jezelf een beetje aangenaam mens bent. Geen geloofsleer, maar gids voor geestelijk leven. 

Niet dat je deze eeuwenoude bestseller uit Zwolle steeds met rode oortjes leest. Je moet bij de Moderne Devoten wel erg nadrukkelijk afzien van allerlei ‘wereldse’ genietingen. Soms lijkt het boek vooruit te lopen op de sombere spiritualiteit die nog wel in de Bible Belt rondwaart: hoe onwaardiger je jezelf vooral probeert te voelen, hoe meer kans op een ervaring van genade. Maar als je dit met een korreltje zout neemt, vind je kostbare handvaten voor het winnen van echte innerlijke levensvreugde en ook heel nuchtere waarnemingen.
Thomas gebruikt vaak het beeld van het ‘bezoek’ dat je kunt krijgen van God. Hoe houd je de deur voor Hem open zodat het vuur van de liefde en het licht van inzicht weer wordt aangewakkerd? En zoals de titel al aanduidt is Jezus het aandachtscentrum. Voor Mariaverering en heiligenaanbidding moet je bij Thomas niet erg zijn. Hij wil vooral verbinden met Jezus. Beschouwingen over de geestelijke betekenis van brood en wijn van het Avondmaal vormen het hart van het boek.
Thomas heeft nog wel heel wat meer schrijfsels nagelaten. Minstens drie keer schreef hij de hele Bijbel over. De Devoten geloofden enorm in het belang van goede teksten om op te kunnen ‘kauwen’ en schreven die driftig over, voor zichzelf en op bestelling. Van copyright was voor de uitvinding van de boekdrukkunst geen sprake. Daarmee is De Navolging een boek dat vooral ook uitdaagt om zelf teksten te vergaren in een raperarium, een citatenboek om al mediterend je eigen moderne devotie vorm te geven. Blijven plakken dus.

NB najaar 2014 een gespreksgroep van vier avonden over Thomas, Navolging en Moderne Devotie, zowel in Winsum als in Drachten

 

Nelson Mandela: 18 juli 1918 Mvezo, Oostkaap – 5 december 2013 Johannesburg

Nelson MandelaVergeet nooit dat een heilige een zondaar is die blijft proberen

Een heiligverklaring door de paus of de Anglicaanse Kerk zal ‘Madiba’ (‘koning’) Mandela niet ondergaan. Hij vond zichzelf ook geen heilige of messias. Als jongeman was de knappe Nelson een vrouwenversierder. In het ANC had hij Afrika rondgereisd voor de militaire vleugel die sabotage en aanslagen pleegde. En toen hij na jarenlange gevangenschap vrij kwam om leiding te geven aan een vreedzame overgang van apartheidsstaat naar regenboognatie Zuid-Afrika en de eerste vrije verkiezingen eraan kwamen, moest er buitenlandse diplomatie (en gebed) aan te pas komen om de tegenstellingen tussen zijn ANC en de Inkatha-partij van de Zoeloes niet te laten ontaarden in een etnisch drama zoals ongeveer tezelfder tijd in Rwanda plaatsvond. In zoverre geen heilige.
Maar wel een gedenkwaardig mens. Het is geen wonder dat Robbeneiland waar hij samen met veel andere anti-apartheidstrijders zo lang in gevangenschap doorbracht, een soort bedevaartsoord werd. Ex-gevangenen tonen bezoekers het dunne matje op de betonnen vloer waarop men moest slapen en de kleine cel met bed die Mandela later kreeg. Je kunt er de steengroeve bezoeken waar ze moesten bikken en door de schittering van de zon oogkwalen opliepen omdat ze geen zonnebrillen kregen. Uitermate gedisciplineerd, vastberaden en met een ongebroken geest sloeg hij zich door de jarenlange gevangenschap heen.
In de verhalen van afgelopen december na zijn overlijden hoorde je niets over de rol van religie. Zuid-Afrika is doordrenkt van christendom. Mandela had ook christelijk onderwijs genoten. De apartheidsmannen beriepen zich op Bijbel en calvinisme, maar de Bijbel was ook inspiratiebron voor de zwarte bevolking en mensen van het verzet. Mandela zelf was kennelijk geen bijbellezer en kerkganger. Maar midden tussen allerlei teksten uit zijn gevangenschap staan ook de opmerkelijke bladzijden waarin hij voor zijn vrouw Winnie op nieuwjaarsdag 1970 uit zijn geheugen een roman samenvat die hij in 1964 had gelezen. Daarin schrijft Pontius Pilatus een brief aan een vriend over het proces van Jezus van Nazareth en de diepe indruk deze man op hem gemaakt had. ‘Op zijn gezicht stond een glans van liefde en hoop geschreven; maar op hetzelfde moment vertoonde hij de uitdrukking van iemand die diep bedroefd was door de dwaasheid en het lijden van de mensheid als geheel’. Pilatus beseft dat de eigenlijke macht niet bij hem ligt maar bij deze man in de beklaagdenbank. ‘Hier staat de rechter zelf terecht’. Mandela herkent in dit verhaal ‘zaken van het heden’ (de censuur leest in 1970 mee). Hij besluit de brief aan Winnie met: ‘Ik hoop dat je het betekenisvol en bruikbaar vindt en vertrouw erop dat het je enige mate van geluk brengt’. Jazeker had Mandela iets met Jezus.
18 juli, zijn geboortedag, is door de VN in 2009 uitgeroepen als jaarlijkse Mandela-gedenkdag voor vrijheid, gerechtigheid en democratie.

Bron: Nelson Mandela, In gesprek met mijzelf, Spectrum-Houten 2010

Marcella van Rome, rond 335-411 Rome

Marcella van Rome - santa sabina ‘Ze voert je door de groene weiden en de verscheidene bloemen van de goddelijke boeken’ 

We weten maar weinig over ‘kerkmoeder’ Marcella van Rome. Haar brieven aan de kerkvader Hieronymus zijn niet bewaard gebleven. Brieven van hem áán haar en over haar wel.
Toen ze op haar zeventiende weduwe werd, wilde haar moeder haar enige kind uithuwelijken aan een oudere man met flink vermogen. Liever nog een echtgenoot dan een erfenis, als ik me niet aan de eeuwige kuisheid zou willen wijden, antwoordde ze haar moeder. Dat laatste dus. In plaats van zich met opzichtige sieraden en kleding en in dure geurtjes op de huwelijksmarkt te begeven, zoals onder heidense weduwen gebruikelijk was, hulde zij zich in de donkere kleding van vrouwen die zich aan een leven in soberheid, onthouding en gebed hebben gewijd, aldus Hieronymus. Die ongehuwde staat betekende ook dat ze zich onttrok aan een leven in onderdanigheid aan de man, zoals de wet van Rome aan gehuwde vrouwen voorschreef. Daarvoor voelde ze zich niet in de wieg gelegd kennelijk. Ze blijkt ook erg van argumenteren te houden en bepaald niet van autoritair gedrag.
Haar villa op de Aventijn, een van de zeven heuvels van Rome, werd een van de eerste christelijke leefgemeenschappen van ongehuwde vrouwen binnen de muren van de stad. Ze was geïnspireerd door de verhalen over het monnikenleven in Egypte, van de beroemde Athanasius persoonlijk gehoord, de biograaf van kluizenaar Antonius. Maar haar eigen stadskloostertje week met haar boekenverzameling, theologisch onderricht, gastopvang en armenzorg van de voorbeelden elders af. Ze was goed onderlegd en kende niet alleen Latijn maar ook Grieks en las met haar vrouwen kennelijk zelfs Hebreeuws.
Met niemand minder dan Hieronymus heeft ze omgang. Die is bezig met de herziening van de Latijnse bijbelvertaling, de in komende eeuwen gezaghebbende bijbel van de westerse kerk.  Eerst mondeling en na zijn vestiging in Bethlehem per brief, hebben ze hele discussies over tal van uitlegkundige kwesties. In wederzijds respect. ‘Slavendrijfster!’ roept hij een keer uit als ze hem weer bestookt met vragen. Leerlingen van haar werden belangrijke figuren in nieuwe zustergemeenschappen in Bethlehem. In Rome zelf werd ze soms door geestelijken geraadpleegd. In discussies over mogelijk ´ketterse´ gedachten bij de theoloog Origenes mengde ze zich met resultaten van eigen onderzoek. Als bejaarde vrouw maakt haar moed indruk op de Gotische houwdegens die Rome veroveren en plunderen en de vrouwen lastig vallen. Later wordt het in de Kerk van Rome steeds meer ondenkbaar dat vrouwen in de rol van geestelijk leraar (magistra) terecht komen, ook al had Hieronymus haar herhaaldelijk ten voorbeeld gesteld naast de professen en leraressen in de Bijbel. Wat hem betreft mochten zulke vrouwen wel aan het Woord komen.

Bron: de vertaling en inleiding van Esther de Boer van het gedenkschrift van Hieronymus, (Ad Fontes deel 5, Zoetermeer 2009)

 

Marc Chagall, 7 juli 1887 Vitebsk (Wit-Rusland) – 28 maart 1985, Saint-Paul-de-Vence (Fr)

Marc ChagallMijn afbeeldingen moeten de mensen helpen in gebed de weg naar God te vinden

In de roman Mijn naam is Asjer Lev van de Amerikaans-Joodse schrijver Chaim Potok schokt de jonge kunstschilder om wie het draait zijn orthodox-joodse omgeving door te kiezen voor het symbool van het kruis als hij het lijden van zijn moeder op het witte doek tot uitdrukking wil brengen. Het motief zou ontleend kunnen zijn aan het leven van de Russisch-Joods-Franse kunstenaar Marc Chagall. Als hij in 1938, het jaar van de Kristallnacht, het leed van de Europese Joden op het doek brengt, doet hij dat door een eigentijdse variant van de crucifix te schilderen. Jezus heeft een joodse gebedsmantel om de lendenen en om het kruis heen zien we beelden uit vroegere pogroms. Een boodschap voor het christelijke Europa. Hun lijdende Jezus was nu terug te vinden in wat de Joden werd aangedaan. Het is het favoriete schilderij van paus Franciscus. En anderen.
Chagall heeft een enorm oeuvre nagelaten. Maar of het nu gaat om schilderijen, grafisch werk, wandtapijten, mozaïeken of glas-in-lood-ramen in kerken en kapellen over de hele wereld, zijn beeldtaal veranderde sinds begin jaren ’30 nauwelijks, een Chagall herken je snel. Zelf zat hij vol tegenstrijdigheden. Temperamentvol en gevoelig, enerzijds in verzet tegen tradities, anderzijds er blijvend mee verbonden, religieus en artistiek. Hij hield van zijn geboortedorp Vitebsk, maar riep ook vaak dat Parijs, destijds het hart van de kunstwereld, zijn thuis was. Hij was van huis uit chassidisch-joods, maar zag ook wel wat in het christendom. Hij schijnt ook geworsteld te hebben met zijn seksuele geaardheid, maar na verlies van zijn eerste vrouw hertrouwde hij tweemaal. Hij beleefde  twee wereldoorlogen, de Russische Revolutie en het ontstaan van de staat Israël. Hij werd zowel verguisd als geprezen en moest soms de eindjes aan elkaar knopen.
Een sleutelrol in zijn kunstenaarsbiografie speelde de opdracht begin jaren ’30 om de Bijbel te illustreren. Voor inspiratie reisde hij naar Palestina. Het hielp hem om zijn liefde voor de bijbel te hervinden en in zijn kunst te integreren. En menig vakantietoerist heeft intussen het kleine maar fijne museum in het Franse Nice bezocht, waar de kleuren je tegemoet vlammen van doeken bij ondermeer het Hooglied. Chagalls werk rond bijbelse thema’s helpt fantastisch om toegang te krijgen tot emotionele lagen en diepere betekenissen in verhalen uit het Oude Testament. En dus ook uit het Nieuwe Testament. En wie goed genoeg is voor een Chagall-bijbel hoort dan ook op de kalender voor inspirerende geloofsgetuigen.

Pavel Adelgejm, 1 augustus 1938, Rostov a.d. Don (USSR) – 5 augustus 2013, Pskov (Rusland)

Pavel Adelgejm Trouw
´Je kunt het gelaat van God niet herkennen door kruis en gevangenis uit de weg te gaan´

Is Russisch-Orthodox christendom meer dan ikonen, kerkdiensten die staande moeten worden bijgewoond, vocale kerkzang volgens eeuwenoude traditie, kerkleiding die aan de leiband van de staat loopt en nationalistische gevoelens?
Iemand voor wie het zeker meer moest zijn was Pavel Adelgejm. Op 5 augustus 2013 kwam hij om het leven door messteken van een verwarde man. Het was even wereldnieuws. ‘De laatste vrije priester van het Moskouse patriarchaat’ werd hij daarin genoemd. Hij was een uitgesproken criticus van de kerkleiding en van de nauwe band tussen kerk en staat. Een bevoorrechte positie in het onderwijs en steun voor de bouw van kerken met schitterende koepels in ruil voor een kritiekloze opstelling ten opzichte van het bewind was hem een doorn in het oog. In 2012 had hij ook een petitie ondertekend voor een milde behandeling van de bandleden van Pussy Riot die een mis hadden verstoord. ‘Altijd zijn er profeten, armen, bezetenen en heilige dwazen geweest die inbraken op de regels van heilige ruimtes’, zo schreef hij. En deze vrouwen hadden de leugen ontmaskerd van de onnatuurlijke band tussen de Kerk en de Russische Federatie.
Zowel zijn ene grootvader als zijn vader waren gedood door het communistische regime. De familie bezat voorheen verschillende fabrieken. Pavel kwam in een kindertehuis en ging vervolgens met zijn moeder in ballingschap in Kazachstan. Al jong besloot hij priester te worden. Hij woonde een tijdje in het Holenklooster in Kiev. In 1964 werd hij priester in Oezbekistan. Hij kreeg het voor elkaar er een kerk te bouwen, een hele prestatie. Mogelijk daarom kreeg hij vervolgens drie jaar strafkamp: ‘laster tegen de Sovjet-Unie’. Hij verloor er een been. Bij zijn vrijlating werd hij hartelijk ontvangen door de aartsbisschop van Tasjkent. Heel anders was de verhouding met zijn latere aartsbisschop die hem ernstig dwarsboomde. Intussen was het IJzeren Gordijn verdwenen en de Russische Federatie tot stand gekomen. Adelgejm bracht twee sociaal actieve parochies tot bloei. Met steun vanuit protestantse kerken in Nederland bouwde hij ook weer een kerk, bij een psychiatrisch ziekenhuis. Maar hij moest vertrekken uit de parochie en mocht in deze kerk geen diensten meer leiden.
Die aandacht voor de sociaal en psychisch zwakkere medemens was kenmerkend voor zijn pastoraat. Hij bezocht jarenlang mensen in de gevangenis en hielp mensen daadwerkelijk die in problemen zaten. En deze altijd vriendelijke maar ook eigenzinnige man was daarin niet te stuiten. Juist dat lijkt hem uiteindelijk noodlottig geworden te zijn.

Bronnen: Trouw, 8-8-2013 en internet

Bertha von Suttner, 9 juni 1843 Praag – 21 juni 1914 Wenen

Bertha_von_Suttner (2)
Onze tegenstanders zeggen altijd dat oorlog een natuurwet is. Strijd is het zeker, maar oorlog niet. Eenheid is de natuurwet.

Aan Bertha von Suttner lag het niet dat honderd jaar geleden de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ze heeft meer gedaan om te proberen die te voorkomen dan heel wat vooraanstaande theologen en kerkleiders van haar tijd bij elkaar. Ik kan niet ontdekken of ze iets had met kerk en religie. (Ze was aanhanger van de evolutieleer van Darwin. En ze liet zich cremeren. In die tijd liet zich dat moeilijk verenigen met kerklidmaatschap.) Maar om haar werk als onvermoeibaar vredesactiviste die geloofde in de mogelijkheid de oorlogsgod te temmen die telkens weer hele bevolkingsgroepen over de kling jaagt, verdient zij een plekje op de eregalerij van ´geloofsgetuigen´. Toen Jezus de vredestichters zalig sprak zei hij er niet bij dat ze per se religieus moesten zijn.
Ze kwam als gravin Kinsky von Wchinitz und Tettau ter wereld, telg van een Boheemse adellijke familie. Ze groeide op met een gokverslaafde moeder en diverse gouvernantes. Opera, literatuur en filosofie hadden haar grote interesse. Na haar huwelijk met Alex von Suttner vertrok het echtpaar naar de Kaukasus om ver weg te zijn van zijn familie. Kort erna brak de Russisch-Turkse oorlog van 1877-78 uit. Over de verschrikkingen die ze zagen schreven ze in hun journalistieke werk voor kranten. Ook na hun verhuizing naar Oostenrijk bleef zij zich als schrijfster actief. Haar afschuw van oorlogen en verheerlijking van heldenmoed en vaderlandse eer gaf ze vorm in haar roman ‘Die Waffen nieder’ uit 1889, eindeloos herdrukt, in zestien talen vertaald, een belangrijk manifest van het pacifisme. In het internationale circuit van vredesbewegingen speelde ze een belangrijke rol, in het bijzonder met haar inzet voor een internationaal Hof van Arbitrage waar landen hun conflicten aan zouden voorleggen in plaats van het uit te vechten. Toen in 1899 de eerste internationale vredesconferentie op regeringsniveau bijeengeroepen werd, voelde Bertha dit als de kroon op haar werk. Ze had zich ingezet voor deelname van alle belangrijke grootmachten. Daar, in Den Haag, werd ook besloten dit Hof op te richten. Kort erna begon de bouw van het Vredespaleis als huisvesting voor dit Hof en later ook voor andere organisaties te bescherming van de internationale rechtsorde. Andrew Carnegie, die veel geld schonk voor de bouw, financierde ook een pensioen voor Bertha von Suttner.
Als jonge vrouw in Parijs had ze bij Alfred Nobel gewerkt. Ze bleef nauwe contacten met hem onderhouden en inspireerde hem om de Nobelprijs voor de Vrede in te stellen. Zelf ontving ze als eerste vrouw deze prijs in 1905. Ze streed overigens niet alleen voor vrede, maar ook voor vrouwenrechten, meer democratie en gelijke sociale en politieke rechten.
Kort na haar overlijden brak toch de Eerste Wereldoorlog uit, erger dan alle oorlogen van de negentiende eeuw. Eens te meer bleek dat hoe noodzakelijk de strijd tegen oorlogsgod Moloch blijft.

ANTOINE DE SAINT-EXUPÉRY 29 juni 1900 Saint-Maurice-de-Rémens – 31 juli 1944 bij Marseille

Ant de St Exupéry
Als je een schip wil bouwen, roep dan geen mannen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. Leer ze liever te verlangen naar de enorme eindeloze zee.

Dit is een beroemde uitspraak van Antoine de St.-Exupéry. Zeventig jaar geleden verdween hij met vliegtuig en al na een verkenningsvlucht boven Frankrijk voor de geallieerden. Lang is er gespeculeerd over zijn verdwijning. Een zelfdodingsactie? In de Sahara terecht gekomen met motorpech net als de vliegenier uit zijn beroemde boek ‘De Kleine Prins’ en daar vervolgens door droogte om het leven gekomen? Pas vrij recent werd het wrak van zijn vliegtuig in de Middellandse Zee ontdekt. Hij was door een Duits vliegtuig neergeschoten.
De Saint-Exupéry was van adellijke komaf. Als dichter en schrijver won hij verschillende literaire prijzen. Terre des Hommes (Aarde van mensen) is de titel van zijn memoires en werd later daardoor de naam van een bekende humanitaire organisatie. Wereldberoemd werd hij met het boek Le Petit Prince (De Kleine Prins) met prenten van eigen hand, uit 1943. Het ging in meer dan 80 miljoen exemplaren in tientallen talen over de wereld. Het kinderboek gaat over een prinsje dat van asteroïde B 612 is neergedaald bij een gestrande vliegenier in de woestijn. Het vertelt hem over zijn ontmoetingen met bewoners op diverse planeten, inclusief de aarde. Het verwondert zich over het gebrek aan kinderlijke fantasie van grote mensen. En waar ze dik en druk over maken kan hij ook niet bij, zaken zoals tijdwinst, grote aantallen, macht, boekenkennis en de waarde op papier van hun bezit. Zelf is hij gelukkig met de ene roos die er is gaan bloeien op zijn eigen planeetje, waar hij elke morgen de vier vulkaantjes schoon veegt. Ondanks de vier stekels die er aan zitten.
Het is al met al een heel spiritueel boek. Het moedigt aan om net zo zorgzaam te zijn voor je ziel als het prinsje om zijn kleine asteroïde en de ene roos. Iedereen is wel eens een met pech gestrande vliegenier in de woestijn die wel een gids(je) kan gebruiken voor nieuw contact met de eigen binnenkant. En voor het gaan kijken met andere ogen om een bron onder het zand te kunnen zien en dan te overleven. Met zijn sprookje heeft St.-Exupéry in feite prachtig geïllustreerd wat het woord van Jezus zou kunnen betekenen dat je moet worden als een kind om het Koninkrijk van God binnen te kunnen gaan.

Antonius van Padua, 15 augustus 1195 Lissabon – 13 juni 1231 Arcella bij Padua

‘Als op Sint-Antonius de zonne schijnt, veel zorg voor de boer verdwijnt.’
Antoniuspadua
Sint Antonius beheert als heilige het bureau van verloren verworpen. Is het misschien daarom dat hij een populaire heilige is bij rooms-katholieken in allerlei streken? Iedereen is wel eens wat kwijt op heel ongelegen momenten. Ik vind het nog niet zo’n gekke gedachte dat de Kerk de hemelse Vader vrijwaart van allerlei schietgebeden voor hulp in kleine zaken zoals sleutels en mobieltjes die nu!! nodig zijn en dat je in zulke gevallen dan tot iemand anders kan roepen van menselijk vlees en bloed.
Antonius was als Fernandez Buglio in Lissabon geboren. Al op 15-jarige leeftijd treedt hij in bij de Augustijner Koorheren. De stoffelijke resten van de eerste Franciscaanse martelaren worden uit Marokko in zijn klooster gebracht. Onder de indruk wordt hij ook Franciscaan en wil hij in hun voetsporen treden. Hij wordt missionaris onder moslims in Marokko en neemt de naam aan van de patroon van het klooster aldaar, Antonius Abt. Maar hij kan niet goed tegen het klimaat. Het schip op de terugreis landt vanwege een storm op Sicilië. De stille en bescheiden broeder die zijn adellijke komaf verbergt komt in Bologna terecht als hulp in een kloosterkeuken. Bij verrassing valt de keukenhulp op een dag op als iemand met spreekvaardigheid die ook goed onderlegd is in Bijbel en theologie. Franciscus van Assisi zelf benoemt hem tot eerste lector theologie voor jonge broeders in zijn beweging. Hij stuurt hem ook als prediker naar verschillende steden. Hij weet veel mensen in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië van daalwegen te bekeren. Zijn bijnaam wordt ‘ketterhamer’. In een van de legenden gaat Antonius als er niemand van de Katharen (‘ketters’) komt opdagen voor zijn preken, de vissen toespreken, die meteen de kop uit het water steken. Hij moet vaak in de buitenlucht preken vanwege de grote toeloop. Hij werd geroemd om zijn vriendelijkheid, eenvoud en deemoed. Een jaar na zijn dood is hij al heilig verklaard.
In een andere legende wordt hij op een onvermoed moment betrapt met het Christuskind op de armen dat een enorm licht uitstraalt. Misschien is dat de verklaring voor zijn status als helper bij het zoeken. Deze man kende een grote liefde voor Christus. Die was kennelijk zijn innerlijke bron van stralende vreugde en grote kracht. Zo kan hij een helpend voorbeeld zijn om bij paniekerig gepieker het contact weer te herstellen met je bron van vindingrijkheid, je eigen ‘creatieve middelpunt’, om het met Anselm Grün te zeggen.

Bronnen onder meer: Anselm Grün, Vijftig heiligen voor je leven, ten Have 2003

In Winsum dronken we Cremisan-wijn

Cremisan web

Cremisan web2

In mijn gemeente Winsum is het bij de Avondmaalsdiensten in de Centrumkerk gebruikelijk dat de kinderen druivensap krijgen aangeboden in een aardewerk beker. Die beker is een geschenk van de zustergemeente in de voormalige DDR waarmee onze gemeente een tijdlang vriendschapsbetrekkingen onderhield. In de Avondmaalsdiensten van 15 juni jl zat er in de andere bekers die rondgingen witte wijn. Dat zijn we niet gewend en het was ook eenmalig. Ook al staat er nergens in de Bijbel dat de kleur rood moet zijn.
Het kwam niet omdat we als gemeente ‘van kleur verschoten’ zijn en ons niet meer aan bijbelse voorschriften houden. Integendeel. Maar deze keer dronken we Cremisanwijn, als daad van solidaire verbondenheid met christenen achter een andere Muur. Cremisanwijn is miswijn gebotteld door de paters Salesianen in hun klooster 5 km buiten Bethlehem, richting Jeruzalem. De stichtingen Kairos-Palestina Nl en Vrienden van Sabeel NL hielden daarmee in april jl. een solidariteitsactie om aandacht te vragen voor de situatie van Palestijnen in de regio Bethlehem. De voorzitter van onze synode ds Karin van de Broeke en de Raad van Kerken hebben toen de Cremisanwijn ontvangst genomen. De Raad van kerken noemde het een sympathieke actie.
De aangekondigde uitbreiding van de beruchte Muur brengt deze wijn heel letterlijk in gevaar. Landbouw in een de vruchtbare Cremisanvallei wordt verder bemoeilijkt. De bouw van de Muur is door internationaal protest van onder meer RK bisschoppen uit het buitenland (niet uit ons land) wel opgeschort. Maar nog in mei jl liet de brute verwoesting van een boomgaard van christen-Palestijn en vredesactivist Daoud Nasser, in dezelfde regio, duidelijk zien waar de staat Israël op uit is.
Het is altijd spannend om in een kerkdienst het onderwerp Palestijnen aan te snijden. Ook deze keer. Zou het christenen in andere landen van het Midden-Oosten betreffen dan is solidariteit vanzelfsprekend. Wie vindt het niet afschuwelijk dat zij samen met veel andere burgers in de gewelddadige conflicten tussen de verschillende bevolkingsgroepen worden vermalen? Maar als het om de door Israël bezette gebieden gaat, ontstaat er altijd wel ergens onrustige kriebel. Dat is begrijpelijk gezien de holocaust en onze religieuze verbondenheid met het Jodendom en vooral ook omdat we in ons land decennialang gebrekkig en eenzijdig ‘pro-Israël’ zijn geïnformeerd en deze desinformatie maar doorgaat tot op de huidige dag.
En of christenen in de nu nog door Israël bezette gebieden in een eigen Palestijnse staat veilig en vrij zouden zijn, valt moeilijk te voorspellen. Palestijnen zijn nu eenmaal nog nauwelijks in de gelegenheid geweest om te experimenteren met het opbouwen van een eigen democratische rechtsstaat. Maar wat onze broeders en zusters in Bethlehem en omstreken ons zelf steeds en dringend voorhouden is niet voor misverstand vatbaar. Ze vragen zich af hoe lang er in dit land van de Bijbel naast dode stenen nog levende stenen zullen zijn die getuigen van de komst van de Heer. Niet door secularisatie maar omdat het leven onder de bezetting zo zwaar valt dat wie kan vertrekken dat vaak ook doet. Ze vragen om sympathie en steun in hun geweldloos verzet, soms met moed in de schoenen, tegen de Israëlische bezetting. En alleen al niet weggaan maar blijven is verzet: soemoed, volharding.
De paus stapte een paar weken geleden uit de auto om aan hun kant van de Muur even te bidden. De graffiti op die plek legt een verband met het Joodse ghetto van Warschau in WO II. Dat is hun verbijstering. ‘Hoe kan het dat jullie ons aandoen wat jullie zelf toen door Duitsers is aangedaan?’ Als we als christenen hier niet in de nood, het verdriet en de verbijstering van onze broeders en zusters daar willen delen, wat zijn we dan eigenlijk voor christenen?
Dat sluit niet uit dat we dan ook voor Israëli’s bidden. Maar dat vraagt dan wel nuancering en precisie. Want dan zijn alle Joden niet meer één pot nat. Dan moeten we in onze gebeden ook onderscheid maken tussen hen die zich ook verzetten tegen bezetting, discriminatie en de vele vormen van onrecht die de staat Israël pleegt en gedoogt en de anderen, volgzaam, kritiekloos of erger. Zoals een Israëlische vrouw ooit duidelijk maakte tegen de burgemeester die haar kwam condoleren met het verlies van haar zoon door Palestijns geweld. De scheidslijn loopt niet tussen ‘ons Joden’ en ‘zij de Palestijnen’, maar tussen wie vrede willen en wie haar steeds weer kapot maken.
Aan het slot van de preek vertelde ik een van de verhalen die er in Bethlehem aan de muur zijn gehangen (met steun uit Nederland!). Hoe een meisje van 16 alles zwart om zich heen zag, maar dankzij een droom waarin ze God hoort, toch hoop ging zien.

Meer informatie op:
http://www.kairospalestina.nl/nl/zoekresultaten.aspx?searchkey=cremisan
http://www.raadvankerken.nl/pagina/2888/wijn_uit_palestina
Een uitgebreid verhaal over de familie Nasser en de Tent of Nations (in het Engels):
http://www.bbc.com/news/magazine-27883685

CCF14062014_00000

Kinderdoop springlevend?

Er zijn in Nederland 6808 basisscholen in allerlei soorten en maten. Per leerjaar zitten er ongeveer 175.000 kinderen op school. Aldus de officiële cijfers. In de Protestantse Kerk worden er momenteel rond de 7700 kinderen per jaar gedoopt. Dat is dus minder dan vijf procent van alle pasgeborenen. Nauwelijks meer dan gemiddeld één kind per basisschool in Nederland is zometeen gedoopt in de PKN. Toch meent de kerkleiding bij de presentatie van de jaarcijfers 2013 in de synode en in de rondzendmail daar met grote letters boven te kunnen zetten dat de kinderdoop springlevend is. Het is een wel erg nadrukkelijke ‘framing’ van de cijfers. In de rondzendmail zelfs vergezeld met een staatje dat laat zien dat voorzover er in de PKN gedoopt wordt dat bijna altijd een kinderdoop is.
Eerder dit jaar heb ik in een stukje in Trouw de synode verweten dat men veel te eenzijdig beleid voert dat gericht is op het promoten van de kinderdoop. Daartoe is een paar jaar geleden besloten, inclusief beleid dat erop gericht is dat die doop dan ook eenmalig blijft en niet gevolgd wordt door een herdoop. Onze kerk voert in oecumenisch verband actief beleid om herdoop bij overgang naar een andere kerk tegen te gaan.
Wie dieper in de cijfers duikt kan zien dat er ook geboortes plaatsvinden bij ouders die lid zijn van de PKN zonder dat er een kinderdoop op volgt. Er staat dan met zoveel woorden in de statistiekbrief dat het duidelijk is dat niet alle ingeschreven kinderen worden gedoopt. ‘Dit hangt mogelijk samen met de sterke tendens onder de ouders van deze kinderen om geen belijdenis te doen’. Wat de cijfers ook laten zien is dat het aantal keren dat er per jaar openbare geloofsbelijdenis plaatsvindt minder dan de helft is van het aantal kinderdopen. En dat het aantal uitschrijvingen per jaar een veelvoud is van die van doop en belijdenis.
Kortom: de kinderdoop van een marginaal aantal pasgeboren ingezetenen van Nederland wordt in veel gevallen niet gevolgd door een traject van catechese die uitmondt in geloofsbelijdenis, maar eerder in kerkverlating, soms om in te treden in een andere kerk al dan niet gepaard aan een herdoop, in de meeste gevallen waarschijnlijk om buitenkerkelijk verder te gaan. We zien een doop die in teveel gevallen niet meer wordt gevolgd door een langdurige catechetische en pastorale begeleiding en kerkelijk engagement. Waarmee de kloof tussen de dooppraktijk en de bijbelse betekenis van de waterdoop steeds groter wordt, want de waterdoop in de bijbel markeert het begin van het leven in de navolging van Christus. Teveel gedoopten zeggen op een bepaald moment, en steeds vaker al vroeg, nee tegen die navolging.
Die 7700 kinderen die de waterdoop hebben ontvangen moeten we ondertussen wel koesteren. Met mijn kritiek op het synodebeleid zeg ik niet dat we niet heel enthousiast mensen moeten verwelkomen die met hun kind het pad van een gelovige opvoeding willen betreden. We moeten ze juist stevig begeleiden, enthousiasmeren en inspireren. Maar de kerkleiding zou meer moeten doen met het ongemakkelijke gevoel dat menige predikant heeft bij de voortzetting van de dooppraktijk uit de tijd van volkskerk en verzuilde samenleving, terwijl die steeds schever aansluit op de postmoderne situatie van kerk in een geseculariseerde en multireligieuze omgeving.
Karl Barth, de belangrijkste protestantse ‘kerkvader’ van de 20e eeuw was tevens criticus van de kinderdoop. Ik heb van hem geleerd dat een dominee niet in zijn eentje de kerkelijke praktijk moet gaan veranderen. Dat moet als dat nodig is de kerk doen. Maar kerken zijn logge lichamen en onze kerk is ook nog eens lui en heeft een kerkleiding die een slaapmiddel verspreidt.
Voor mijzelf betekent dit dat ik met vreugde kinderen blijf dopen die daarvoor van harte worden aangemeld, maar dat ik ook regelmatig wijs op de mogelijkheid van een verwelkomingsritueel zonder doopwater (zegening, ‘opdragen’, zalving). Want het ‘ja’ van God tegen het pasgeboren kind kan op allerlei manieren gevierd worden. En als zich ooit een volwassene meldt met de nadrukkelijke wens van een doop omdat er aan de eigen kinderdoop geen persoonlijke herinnering bestaat, kan deze op mijn steun en hulp rekenen.

PKN: ‘Cijfers 2013 bekend. Kinderdoop springlevend’

Johannes Calvijn (10 juli 1509 Noyon (Fr) – 27 mei 1564 Genève)

‘Wat ik gedaan heb is in feite niets waard en ik smeek u, vergeef me alles wat ik verkeerd deed, maar mocht er iets goeds bij zitten, wil dat dan vasthouden.’
Calvijn
Zijn vijfhonderdste geboortedag in 2009 leverde veel boeken, conferenties, een Calvijnlied en zelfs een glossy op. Nu is het 450 jaar geleden dat hij na een ziekbed overleed. Ook gedenkwaardig. Het gaat tenslotte om de kerkvader van ons calvinisten.
Calvinisten staan bekend als sober, matig, arbeidzaam, onbuigzaam, principieel en als het moet bereid om het conflict aan te gaan. Zelfs Nederlandse rooms-katholieken worden in het buitenland soms wel als calvinistisch gezien. Gedeeltelijk gaan die eigenschappen misschien wel voor Calvijn en zijn leer op. Maar hij is toch vooral de Fransman die gegrepen werd door het Evangelie van Gods vrije genade voor zondige mensen en leefde in diepe eerbied voor de allerhoogste Soevereiniteit alleen. De Reformatie kreeg in hem iemand die goed kon preken én debatteren met tegenstanders buiten en andersdenkenden binnen de beweging. Omdat hij als jurist geschoold was, was hij bovendien geknipt voor de rol om bij te dragen aan regelgeving voor het kerkelijk leven van de protestanten die zich van het ‘juk van Rome’ hadden bevrijd. Aan de leidinggevende kwaliteiten die hij in Straatsburg en Genève ten toon spreidde, danken we typisch ‘gereformeerde’ trekken in het kerkelijk leven, zoals de samenzang van berijmde psalmen en het ambt van gekozen ouderling en diaken naast de predikant.
Deze jurist zag zich vooral als advocaat en getuige van Jezus Christus. Christus spreekt tot ons ‘gekleed in het gewaad van zijn Evangelie’ en Calvijn was niets liever dan Bijbeluitlegger.
De theoloog Calvijn had ondertussen wel een flinke tik meegekregen van het geleerde humanisme van zijn tijd. Daardoor had hij weinig gevoel voor de rituelen en symbolen van de christelijke traditie, minder dan zijn oudere collega-kerkhervormer Maarten Luther. Hij veegde ze van tafel. Niemand die nog piekerde over het gebruik van zalfolie op plechtige momenten na Calvijns woorden over de ‘stinkende adem van de priester die erover heen was gegaan’. Alleen besprenkeling van de hoofdjes van pasgeboren kinderen met water en het delen van (gewoon) brood en wijn kon als sacrament nog door de beugel. Toen in de twintigste eeuw bloemen, paaskaarsen en liturgische kleden de protestantse kerkdienst binnenkwamen moet er in de hemel een hoofd met puntbaardje treurig geschud hebben.
Zo stierf Calvijn dus zonder het ‘sacrament van de stervenden’ te hebben ontvangen. (Na nog een preek tegen bezoekers met de oproep om niets meer te veranderen aan de leer.) Er kwam geen zalving of handoplegging voor een zegening aan te pas. De ‘volharding der heiligen’ is een belangrijk calvinistisch leerstuk. Het woord van Gods genade moet voor een gelovige voldoende houvast zijn. Over stoer geloof gesproken.

Bron: H.J. Selderhuis, Calvijn, een mens, Kampen 2008; J. Calvijn, Institutie

Florence Nightingale (12 mei 1820 Florence – 13 augustus 1910 Londen)

‘Het verwaarlozen of misbruiken van een imbeciele oude vrouw of vuil kind is hetzelfde als godslastering’
Florence Nightingale
Onlangs brak er bijna weer een Krimoorlog uit. In die van 1854 stonden Britten naast Turken tegenover de Russen. Florence Nigthingale legde toen de basis voor de moderne verpleegkunde. Haar geboortedag, 12 mei, werd de internationale Dag van de Verpleging. Nightingale werd beroemd dankzij dagbladreportages over the lady with the lamp, aan het hoofd van 38 verpleegsters actief in het legerhospitaal in Scutari (Aziatisch Istanbul) om mensonterende toestanden onder de zieke en gewonde soldaten het hoofd te bieden. Dat ze ’s nachts met een lamp door de ziekenzalen trok was niet alleen uit zorg voor de zieken en gewonden, maar ook om te controleren of er geen zuster bij een patiënt in bed was gekropen. Met geduld en tact wist zij orde in het hospitaal te scheppen en wist ze te bereiken dat de verzorging van gewonden aanmerkelijk verbeterde. Ze was ook in wiskunde en statistiek onderlegd. Het thuisfront kreeg informatie over haar legerhospitaal met diagrammen die ze zelf uitvond. Na terugkomst in Engeland richtte ze in 1856 in Londen de eerste verpleegstersschool op. Dankzij haar werd de hele gezondheidszorg meer geprofessionaliseerd en op wetenschappelijke leest geschoeid.
Maar Nightingale is meer dan moeder-overste van alle verpleegsters, bekwaam regeringsadviseur in gezondheidskwesties, rolmodel voor gematigde feministen en pionier in het gebruik van statistieken. In de lamp die ze met haar pen over tal van zaken laat schijnen brandt een gelovige vlam. Ze was religieus en schreef ook tal van spirituele geschriften. Ze had als 17-jarig meisje Gods stem gehoord en later stage gelopen bij ds. Fliedner en zijn diaconessen. Als de jonge ziekenhuisdirectrice wordt benoemd voor haar werk in de Krimoorlog is ze bezig met het lezen van De Navolging van Christus van ‘onze’ Thomas a Kempis. Het unitarische geloof van haar jeugd bestond al uit een nogal rationele en vrije instelling ten opzichte van de klassieke geloofsleer, gecombineerd met sociaal engagement (ook voor dieren). De gedachten die ze zelf formuleert over God en geloof zijn eveneens vrijmoedig en ondogmatisch. Unitariërs wijzen de leer van de goddelijke drie-eenheid en van de godheid van Christus af. Volgens haar zelf is God in elke man of vrouw bezig mens te worden. Het gaat erom dat we deel krijgen aan de goedheid van zijn wezen. Zo sneuvelen er veel traditionele leerstellingen. Ze heeft niet veel op met christenen van haar tijd die geloof en kerk probeerden te beschermen tegen de vernieuwing en vooruitgang die wetenschap en samenleving ondergaan. Ze put inspiratie uit allerlei bronnen, niet alleen de Bijbel en het christelijk geloof. Mystieke auteurs hebben haar bijzondere interesse. Ze vertaalt een aantal van hun teksten en geeft die uit. God woont volgens haar met zijn Geest van goedheid, wijsheid en kracht in al onze daden, woorden en gedachten. Stellen we ons ervoor open dan gaan onze handen bijvoorbeeld riolen aanleggen om de volksgezondheid te bevorderen. Doen we dat niet, dan verlengen we niet alleen het lijden van mensen, maar ook van God zelf die meelijdt in wat zijn schepselen lijden. Zoals ooit op Goede Vrijdag zichtbaar was geworden in het grote voorbeeld van opofferingsgezindheid voor de mensheid.

Bron: J.J. Suurmond, De spiritualiteit van Florence Nighthingale, Zoetermeer 2010

Sören Kierkegaard (5 mei 1813, Kopenhagen – 11 november 1855, Kopenhagen)

Als iemand christen wil worden zal hij onrustig moeten zijn; als iemand christen geworden is, zal hij blijvend onrust wekken
Kierkegaard
Kierkegaard was een dwarsligger. Hij lag een tijdlang overhoop met zijn vader. Vervolgens met zichzelf toen hij zijn verloving met Regina Olsen verbrak omdat hij zich niet geschikt vond voor een huwelijk en evenmin voor het predikantschap. Hij lag overhoop met de filosofieën van zijn tijd. En tenslotte met zijn kerk, de Lutherse staatskerk en haar ‘ambtenaren’ de predikanten. Een moeilijk mens met een groot en onbegrepen lijden. Vond hij ook zelf.
Kierkegaard begreep dat hij geroepen was voor een religieus schrijverschap. Meters boeken heeft hij nagelaten. Lang schreef hij onder allerlei pseudoniemen. We danken aan hem begrippen en gedachten die tot ver in de twintigste eeuw grote invloed zouden krijgen in theologie en filosofie. Nog nooit eerder had iemand zo grondig nagedacht over het geloof als een sprong in het diepe, een ‘existentiële sprong’ als antwoord op het ‘absolute’ van het Evangelie. Godsdienst moet meer zijn dan het erop na houden van een fraaie levensbeschouwing. Het is ook meer dan voldoen aan een christelijk pakketje normen en waarden. God eist je op en het Evangelie is radicaal. Het maakt je met Christus ‘gelijktijdig’ en vraagt zijn navolging. De grote filosofen van zijn eeuw – met sommige ervan had hij in de collegebanken gezeten – hadden dit onvoldoende gepeild. De kerkleiders al evenmin.
Kierkegaard volgde heel nieuwsgierig de politieke omwentelingen van 1848 in Europa. Met zijn kritiek op de gevestigde orde van kerk en staat was hij verwant aan het socialisme van Marx en Engels. Maar het grote verschil was dat hij bleef hameren op de noodzaak van een godsdienstige levenskeuze. Want daardoor wordt een mens pas echt ‘enkeling’ in plaats van kuddedier in de massa. En zonder eerbied voor God de Vader zou het niet goed komen met de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Zo leek hij wel een opwekkingsprediker. Maar dan wel uit een unieke houtsoort gesneden. Deze profetische criticus van filosofie, theologie, kerk, staat en burgerdom bleek tegelijk een groot kenner te zijn van de diepten van de menselijke ziel. En iemand die vooral ook zelf in gesprek was met God.
In een van zijn gebeden biecht hij op dat hij dacht God nodig te hebben om de mensen te kunnen beminnen. ‘Maar u zag het anders: U hebt de mensen tegen mij gebruikt, om mij te helpen u te beminnen’.

Bron: door W.R. Scholtens geredigeerde boeken met teksten van S.K.: Dagboeknotities, Wilde Ganzen en Gebeden

Anne de Vries (22 mei 1904 Assen – 29 november 1964 Zeist)

Hij zorgt voor ons. Hij past op ons. Als wij ongehoorzaam zijn en van Hem weglopen, zoekt Hij ons altijd weer op.

Anne de Vries (2)
In de vroegste herinnering aan mijn eigen geloofsopvoeding zit ik bij mijn moeder op schoot, waarschijnlijk met een duim in de mond. Ze leest het verhaal voor van het ongehoorzame lammetje, veilig bij de Goeder Herder. Het is uit het Kleutervertelboek voor de bijbelse geschiedenis van Anne de Vries met platen van Tjeerd Bottema.
Later werd er dagelijks aan tafel voorgelezen uit de tweedelige kinderbijbel van dezelfde auteur. Zonder kleuter- en kinderbijbels geen geloofsopvoeding en zonder geloofsopvoeding geen kerk. In elk geval niet in het Nederlandse protestantisme van de 19de en 20ste eeuw. Honderden preken en urenlang catechisatie konden vaak niet veel meer veranderen aan de beeldvorming van de bijbelse geschiedenis zoals die door meestervertellers op de lagere school en thuis via de kinderbijbel tot stand was gekomen. En nog wel eens gebruikt een kindernevendienstjuf een verhaal van Anne de Vries of concurrent en tijdgenoot W.G. van der Hulst, vanwege de levendige en pakkende verteltrant. Ook al klinkt er soms een moraal en opvoedingsideaal van een voorbije tijd in door, de tijd vòòr Annie M.G. Schmidt toen lekker stout zijn nog niet echt kon. Lammetje is ongehoorzaam. De optie dat het zwarte schaapje wegliep omdat het werd gepest bestond in 1948 nog niet.
Anne de Vries werd honderdtien jaar geleden geboren op Pinksteren. Een zondagskind dus. Zijn ouders waren net ontsnapt aan de armenhuizen van de Lange Jammer, bekend uit zijn bestseller Bartje. Zijn jeugd bracht hij door op een eenzaam gelegen oude boerderij in het veld bij Assen. Als scholier schreef hij berichtjes voor de Asser Courant die hem twee kwartjes per stuk opleverden. Een kerstverhaal was een keer een rijksdaalder waard. Meester op school zag zijn intellect. Hij mocht naar de Normaalschool en werd onderwijzer aan het blindeninstituut Bartimeüs in Zeist. Net voor de bezetting verhuisde hij terug naar ‘zijn’ Drenthe om daar van de pen te leven. Wie las ook niet Jaap en Gerdientje? En Reis door de nacht en Het leven van Johannes Post droegen bij aan gekleurde beeldvorming over verraad en verzet ten tijde van de Duitse bezetting.
Niets ten nadele van Cramer-Schaap, Johanna Klink, Karel Eykman, Kees de Kort, of hun vergeten verre voorgangers. Een plaats voor Anne de Vries op een kalender van geloofsgetuigen eert mede al die anderen die zorgvuldig hervertellend en parafraserend contact legden tussen Bijbel en kinderziel. Maar iemand moet met stip op één staan.

Isaäc da Costa (14 januari 1798 Amsterdam – 28 april 1860 Amsterdam)

Da CostaZij zullen ons niet hebben de goden van deez’ eeuw

Kan een conférencier ook op een getuigenkalender staan? Een van de belangrijkste vernieuwingsbewegingen in het protestantisme van de negentiende eeuw was het Réveil. Daarvan was Da Costa de ziel. De grachtenpanden van de Réveilaanhangers uit hogere kringen waren groot genoeg voor samenkomsten: conférences. Bij de Bijbelstudies van Da Costa en zijn vrije improvisaties over allerlei onderwerpen op theologisch en maatschappelijk terrein was het vaak druk en hing men aan zijn lippen.
Isaäc da Costa was van portugees-joodse komaf. Hij studeerde rechten en letteren en schreef toneelstukken en dichtwerken. Enkele liederen kwamen in gezangenbundels. Met zijn neef Abraham Capadose had hij zich in 1823 laten dopen in de Pieterskerk in Leiden. Nog in hetzelfde jaar publiceerde hij een brochure Bezwaren tegen de geest der eeuw. Het was een reactionair protest tegen allerlei uitingen van de verlichte en liberale tijdgeest, geïnspireerd door hun leermeester Willem Bilderdijk.
Bilderdijk had niet alleen een romantisch ideaal over een calvinistisch-christelijk Nederland op hen overgebracht, maar ook liefde voor de geschiedenis van hun eigen joodse volk. Uit de pen van Da Costa kwamen dan ook niet alleen pathetische gedichten die de driehoek ‘God-Nederland-Oranje’ verheerlijkten en Nederland tot het Israël van het Westen verklaarden, maar ook een belangrijke Geschiedenis van de Joden. Da Costa bracht zijn geloofsgenoten daarmee diepe eerbied bij voor het Joodse volk als volk. Hij nam de toenemende maatschappelijke gelijkberechtiging van de Joden in Europa met instemming waar. Tegelijk hield hij vast aan het ideaal van Nederland als een christelijke natie en keek hij als ‘Bijbelgetrouw’ christen uit naar de terugkeer van het Joodse volk naar het land van de Bijbel. Zijn zionisme had al met al een nationalistische tint.
Toen in 1848 zoals hij had voorzien in Europa ‘tronen vielen, vorsten vloden’ omarmde hij de nieuwe grondwet. Dat wekte de toorn van Groen van Prinsterer, de ‘generaal’ van de antirevolutionairen. Ze verschilden ook al van mening over de weg naar herstel van de ‘vervallen’ Hervormde Kerk. Da Costa bepleitte een ‘medische’ in plaats van een ‘juridische’: liever door inhoudelijk debat dan door formele leertucht. En hij verzette zich ook niet – tot teleurstelling van Capadose – tegen de pokkeninenting. Het viel dus uiteindelijk wel mee met zijn bezwaren tegen de geest van zijn eeuw.
Toen hij begraven werd puilde de Nieuwe Kerk te Amsterdam uit. Nederland had een gepassioneerde geloofsgetuige verloren.

(Over die uitvaart schreef mijn in 2103 overleden leermeester prof. dr. Otto J. de Jong ooit een artikel. Opmerkelijk was dat er in protestantse uitvaarten niet gezonden werd, ook niet bij die van deze dichter)