Broeder Roger – *12 mei 1915 Provence (Zw) – † 16 aug 2005 Taizé (Fr)

Roger Schutz

De Opgestane is er. Of je het weet of niet, hij ontsteekt een vuur in je duisternis dat nooit uitdooft

Jaarlijks brengen duizenden jongeren overal vandaan een week in Taizé door. Niet om daar diep in Frankrijk te zwemmen, te luieren en tot diep in de nacht naar de disco te gaan. Taizé is andere muziek. Er gaat een bijzondere aantrekkingskracht uit van de bijzondere sfeer in de dagelijkse vieringen samen met de broeders en de gesprekken en ontmoetingen daarom heen.
Roger Schütz, stichter van deze bijzondere broedergemeenschap, was een Zwitserse domineeszoon. Tijdens zijn studie theologie was hij lid van een christelijke studentenbeweging. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak wilde hij net als zijn grootmoeder tijdens de eerste had gedaan, de helpende hand uitsteken. Hij fietste naar het Bourgondische dorpje Taizé en begon daar een opvang. Samen met zijn zuster zorgde hij voor vluchtelingen, vooral joden. Toen zich na de oorlog meer protestantse broeders bij hem aansloten legden zij in 1949 enkele kloostergeloften af. Later kwamen er ook rooms-katholieken bij en werd de gemeenschap steeds internationaler. Dit beantwoordt aan het ideaal van broeder Roger om te werken aan verzoening tussen christenen en bij te dragen aan het overwinnen van conflicten tussen volkeren. Rond 1957 begon de toestroom van jongeren. Men richtte drie kilometer buiten het dorp tijdelijk een terrein in. Maar ze bleven komen. In 1962 werd de kerk gebouwd die sindsdien herhaaldelijk is uitgebreid.
Gebed is een belangrijke pijler. Met de beroemde minutenlange stilte in de vieringen, met z’n allen zittend op de grond. Daarvoor en daarna de speciale Taizéliederen, eenvoudig en kort, om door veel herhaling de woorden meditatief ‘naar binnen’ te zingen.
Eenvoudig is ook het leven van de broeders en ook voor de gasten is er absoluut geen luxe. Jaarlijks wordt de eventueel behaalde winst weggeschonken. De andere peiler van Taizé is dus dit leven in dienstbaarheid. Frère Roger woonde zelf een tijdlang tussen de armen van Calcutta. Taizé is betrokken bij werk onder de armen op allerlei plaatsen. En om de ´pelgrimage van vertrouwen´ overal te stimuleren worden er jaarlijks ook grote Taizé-ontmoetingen elders in de wereld gehouden.
In augustus 2015 is hij met een bijzondere bezinningsweek herdacht, tien jaar nadat hij om het leven kwam na messteken door een verwarde vrouw. Maar het ging hem niet om hemzelf, maar om mensen in contact te brengen met de kracht van de liefde van Christus.

Hadewych – plm. 1210-1260, Zuidelijke Nederlanden

www.heiligen-3s.nl/heiligen/12/15/12-15-1248-Hadewych-Vlaanderen.php +++ 1989. Mozaïek door Henk Hilterman Nederland, Haarlem, St-Bavo.Die minne es al

‘Een heylich glorieus wijf’. Zo werd ze in de omgeving van Jan van Ruusbroec genoemd, de beroemde Brusselse mysticus uit de veertiende eeuw die een groot bewonderaar was van haar geschriften. Na de herontdekking van haar geschriften in 1838 groeide langzaam maar zeker de bewondering voor haar dichterskwaliteiten. Een zalig- of heiligverklaring is haar niet ten deel gevallen.
Over Hadewych is maar weinig bekend. Haar visioenen, liederen, gedichten en brieven werden in een Brabantse variant van het Middelnederlands geschreven, rond 1240. Ze was ongetwijfeld van gegoede afkomst, misschien zelfs van adel, gezien onder meer haar talenkennis: Diets, Frans en Latijn. Zij kende teksten van grote mystieke theologen, maar ook Franse minneliederen (chansons). Minneliederen schrijft zij ook zelf, alleen smachten er dan geen ridders naar een edele vrouw. Bij haar smacht de vrouw naar de Minne van God, in de menselijke gedaante van Christus, of in de volheid van zijn Drieenigheid.  Met hart en ziel maakt ze hem het hof. Ze is door de minne ‘vreselijk omvat’. En ze beschrijft ervaringen van mystieke extase –  ‘orewoet’ – waarin het er heftig aan toe gaat. Overweldigend.
‘Het was op het feest van Driekoningen en ik was negentien jaar oud.’ Zo begint een van haar Visioenen. Ze wordt in de geest gevoerd naar ‘een hoghe gheweldeghe stat’ (=plaats). Er is een troon en ze hoort een stem. Ze ziet God en wordt één met hem. Om daarna weer terug te keren tot de gewone aardse toestand is nogal jammerlijk. Maar niet zonder de boodschap dat ze voortaan anders over mensen zal oordelen, niet langer vanuit haar eigen impulsiviteit. ‘Ende du salt elken gheven recht na sine werdecheit’- je zult ieder in zijn of haar eigen waarde laten.
De manier waarop ze in haar brieven vriendinnen aanspreekt laat zien dat ze een leidende rol vervulde. Ze vermaant hen bijvoorbeeld als ze hun verstand te weinig gebruiken en hun tegenzin niet opmerken tegen het verzorgen van zieken of het omgaan met moeilijke mensen. Je echt laten leiden door Minne vereist een voortdurend onderzoek van je eigen impulsen, gevoelens en gedachten.
Het is niet zeker of ze deel uitmaakte van de Begijnen, maar ze leefde kennelijk wel in een religieuze vrouwengemeenschap. In de ‘Lijst der volmaakten’ waarin zij haar grote voorbeelden opsomt, noemt zij een begijn die door een inquisiteur vermoord werd. Begijnen werden nogal eens van ketterij beschuldigd. In hun strijd om erkenning stond Hadewych dus aan hun kant. Ze was duidelijk een onafhankelijke vrouw en niet bang.  Haar naam betekent ‘fiere strijdster’.

(afbeelding fragment mozaïek Henk Hilterman (1989) St Bavokathedraal Haarlem)

Gregorius Bar Hebraeus – 1226 Malatya (Turkije) – 30 juli 1286 Maragha (Perzië)

BarHebreausAls de geest onzegbare woorden hoort die geen mond kan uitleggen, dan rust hij in de tabernakel van de Heer en verblijft hij op zijn heilige Berg

Mor Gregorios Bar Ebroyo was een van de grootste geleerden van de Syrisch-Orthodoxe Kerk. Zijn naam betekent zoon van de Hebreeër. Vader Aaron was een bekende joodse arts. Met een Mongoolse generaal die dankzij hem was opgeknapt ging de familie mee naar Antiochië. Als 17-jarige werd de zoon monnik. Hij studeerde geneeskunde en vele andere vakken in Antiochië en Tripoli en bleef dat eigenlijk levenslang doen. In 1246 werd hij bisschop van Mosoel, Aleppo werd in 1252 zijn standplaats. Als bisschop moest hij uitgebreide visitatiereizen maken. Hij benutte de mogelijkheid om overal bibliotheken te raadplegen. Hij schreef uitgebreide compilaties van de theologische, filosofische, wetenschappelijke en geschiedkundige kennis van zijn Syrisch-Arabische wereld. De boeken dragen titels als ‘De crême van de wetenschap’, ‘Lamp des heils’, ‘Boek der stralen’, ‘Boek van de vonk’. Zijn belangrijkste werk is ‘Warenhuis vol Geheimen’, een commentaar op de volledige Bijbel. Vanwege zijn eruditie werd hij gerespecteerd door zowel de Nestoriaanse Kerk als de Armeniërs.
Op theologisch gebied was Bar-Hebraeus een monofysiet, iemand die geloofde dat het goddelijke en menselijke in Christus in één natuur waren verenigd. Er waren door allerlei debatten en conciliebesluiten in de loop der eeuwen verschillen tussen de Kerk van het Romeinse rijk en de christenen van het Oosten ontstaan. Maar theologische verschillen tussen de diverse stromingen in het Oosten vond hij niet meer dan een kwestie van bewoording. Wat hemzelf betreft eigenlijk de moeite van een debat niet waard.
Op een bepaald moment bracht al die geleerdheid hem in een crisis. Waarop hij zich op studie van mystieke auteurs stortte, zo vertelt hij in zijn Boek van de Duif, een werk waarin hij heel  bescheiden vertelt over het licht dat hemzelf is opgegaan over de belangrijkste kennis: die van de goddelijke Liefde.
Zijn tombe staat in het klooster van Mar Mattai, 30 mijl buiten Mosoel (Ninevé), een klooster dat al in 363 gesticht was en op het hoogtepunt van zijn bestaan wel duizend monniken herbergde.
Met het oprukken van de Mongolen zou de neergang van Mosoel en omgeving als belangrijk centrum van christendom inzetten. Toch was het er tot voor kort nog steeds. Tot IS kwam. Op 22 juli 2014 is ook het klooster Mar Mattai door jihadisten veroverd en zijn de laatste monniken verdreven. Heel recent (juni 2015) zijn enkele monniken en studenten onder bescherming van Koerdische strijders wel weer teruggekeerd. Met gevaar van eigen leven willen zij vernietiging tegengaan.

Filippus Neri – Florence, 21 juli 1515 – Rome, 26 mei 1595

Filippo_NeriEen opgewekt hart wordt gemakkelijker volmaakt dan een sikkeneurig

Filippus Neri kreeg niet alleen de bijnaam ´de tweede apostel van Rome´ maar ook ´de goede Pippo´. Hij is de heilige van de lach. Een man vol humor en levenslust. En met een groot hart. Ook letterlijk, zoals bij lijkschouwing na zijn dood bleek. Men schreef het toe aan een mystieke ervaring vijftig jaar voor zijn dood.
Zijn ouders wilden dat hij een gefortuneerde oom als zakenman zou opvolgen. Maar dankzij zijn scholing bij de Dominicanen voelde hij zich geroepen tot een ander leven. Hij trekt in 1533 naar Rome en verdient de kost als opvoeder van een rijkeluiszoon. Tijd genoeg om in de catacomben af te dalen om daar uren te mediteren of door de straten te zwerven en praatjes te maken met kooplui en handwerkslieden, met jongeren te spelen en grappen te maken en godsdienstige onderwerpen te bespreken. Tegenwoordig noemen we dat presentiepastoraat. Hij bezoekt zieken en zorgt voor opvang van pelgrims. Zijn talenten wordt opgemerkt en op aandringen van anderen wordt hij in 1551 tot priester gewijd. Hij vormt met geestverwanten de broederschap San Girolamo della Carità. Daarmee organiseert hij ‘s avonds bijeenkomsten van gebed, zang en gesprekken: vespers met aansluitende ontmoeting. De broederschap wordt in 1575 omgezet in de congregatie die bekend wordt als Oratorianen, genoemd naar de kapel bij de Chiesa Nuevo. Vanaf 1577 is die kerk de thuisbasis. De selectie van passages uit de bijbel of de heiligengeschiedenis waarover muziek wordt gemaakt heten ‘oratorios’.
Neri hield ook dagelijks preken her en der in Rome en organiseerde ‘excursies’ naar andere kerken, vaak met muziek en een soort picknick’ onderweg. Grote mannen waren met hem bevriend, jan en alleman ging bij hem te biecht. Een kerkelijke carrière weet hij af. Was het door zijn eigen mystieke ervaringen dat hij veel vroomheid doorzag als theater? Over een meisje dat zou worden ‘bezocht’ door heiligen en engelen adviseerde hij: ‘geef haar een man’. En een non die over wondergaven zou beschikken, maar die weigerde haar onbekende bezoeker (Neri) de smerige laarzen uit te trekken, kon geen heilige zijn.
Neri leefde op een nieuwe manier een spiritueel leven. Vroom en vrolijk tegelijk, praktisch en sportief, geestelijk en alledaags. Sober, maar zonder spartaanse armoede. Niet helemaal verwonderlijk dat Rome in de tijd van Calvijn en protestantse beeldenstormen Rooms bleef.

Rembrandt van Rijn – *15 juli 1606, Leiden – † 4 oktober 1669, Amsterdam

Rembrandt - Self Portrait J910070Rembrandt gaat zoo diep in ‘t mysterieuse dat hij dingen zegt waarvoor in geen taal woorden bestaan (Vincent van Gogh)

‘Saul en David’ in het Mauritshuis zijn toch echt van Rembrandt, Saul met prachtige tulband en David die rechtsvoor psalmen op de harp speelt. En wat wás ‘De late Rembrandt’ eerder dit jaar in Amsterdam een prachtige tentoonstelling.
Is Rembrandt een geloofsgetuige? Hij is toch allereerst gewoon een gedreven schilder. Een groot kunstenaar. Een grensverleggend genie. Wie kent zijn levensverhaal niet? Zijn huwelijk met Saskia uit Stiens. Hoe hij grote opdrachten krijgt en tot welstand komt. Het grote verdriet om het overlijden van Saskia. Het samenwonen met Hendrikje Stoffels zonder officieel huwelijk en dus een conflict met de kerkenraad. Het faillissement en uit de gratie raken bij grote opdrachtgevers. Het vertrek uit de Jodenbreestraat. Zijn simpele graf in de Westerkerk.
Vele tientallen schilderijen, etsen en tekeningen van bijbelse figuren maken je ook geen heilige. In de Gouden Eeuw van trots Hollands protestantisme is christelijk geloof vanzelfsprekend en bijbelse prenten verkopen. Honderd gulden voor de prent over Christus die de zieken geneest als je goed je best doet. Calvinisten hoeven geen kunst in de kerk, maar des te meer in hun grachtenpanden.
Schrijvers verzinnen dagboeken van Rembrandt en leggen hem woorden in de mond. Maar zijn boodschap is zijn kunst. Rembrandt breekt met stilistische conventies over bijbelse figuren en christelijke heilsgeheimen. Christus krijgt zelden nog een aureool. Het kind Jezus moet ook aan de borst. Rabbi Jezus zou zo iemand uit de Jordaan kunnen zijn. Als door slijtage van de etsplaten de ets moet worden bijgewerkt, komt Christus in elke volgende ‘staat’ van de ets van Jezus voor Pilatus nóg meer centraal te staan of wordt de duisternis van Golgotha nóg zwarter. In een schilderij van de kruisafname is ook zijn eigen kop herkenbaar. En Rembrandt kiest de momenten die hij lezend in zijn Bijbel eruit licht heel precies. Voordat hij de kijker laat mediteren mediteert hij al schilderend zelf. Zo is met röntgenonderzoek duidelijk geworden dat hij heel erg geschoven heeft met Jozef in het schilderij van de zegening van Jozefs zonen door vader Jacob op zijn sterfbed. Jozef staat nu naast zijn vader en niet zoals eerst tegenover hem. In plaats van het moment van de tegenspraak van Jozef tegen zijn vader vast te leggen, schildert Rembrandt uiteindelijk een zoon die aanvaardt dat het gaat zoals vader het wil. Het is het jaar van Rembrandts faillissement.
Een jaar voor zijn dood schilderde hij ‘De thuiskomst van de verloren zoon’, waarvoor Henri Nouwen ooit dagenlang heeft zitten mediteren in de Hermitage. In deze laatste periode van zijn leven treedt er verstilling op. Nog meer voelbaar in het laatste schilderij, het lijkt onaf. Het licht maakt witte vlekken op het op het hoofd van de oude Simeon in de tempel en het kind Jezus dat hij vasthoudt. Ontroerend als je er vlak voor staat. ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien’. Hoor ik het de bejaarde meester zichzelf aan Rozengracht hardop voorlezen?
Protestanten zouden na de Reformatie niet veel meer hebben bijgedragen aan een kunstzinnige verbeelding van de boodschap van de Bijbel, schrijft een gezaghebbend boek over Christus in 2000 eeuwen westerse cultuur. Ik vrees dat de Belgische auteur iemand vergeten is.

Johannes Hus – plm. 1369, Husinec (Bohemen) – 6 juli 1415, Konstanz

JanHusDe waarheid overwint

Dit zouden de laatste woorden van Johannes Hus geweest zijn op de brandstapel, 600 jaar geleden. Pravda vítězí.
Als ik in een eucharistieviering alleen een ouwel krijg, moet ik denken aan de Tsjechische protestanten. Al een eeuw vóór Luther lagen ze dwars. ‘Utraquisten’ werden de lastposten genoemd, naar het Latijn voor ‘elk van beide’. Of ‘calicisten’, zij die de wijnkelk in handen van de leken wilden. Er is veel bloed bij gevloeid.
Hun grote held was Jan Hus. Bezoekers van Praag kennen hem van zijn standbeeld in het monumentale hart van de stad vlakbij de Tynkerk. Hij was rond 1400 voorvechter van het gebruik van de Tsjechische taal aan de universiteit en in de kerk. De Duitsers, tot dan dominant, hadden toen de beroemde universiteit verlaten en een nieuwe in Leipzig gesticht. Zijn heldenstatus heeft een nationalistische tint. Dat standbeeld dateert van vlak na de oprichting van Tsjecho-Slowakije in 1918.
Maar zijn strijd voor het Tsjechisch was onderdeel van een veel breder streven. Het ging de rector van de Praagse Universiteit om herstel van de integriteit van het christendom. Hus was volgeling van de hervormingsgezinde Wycliffe en vertaalde diens boodschap in krachtige, heldere boeken en preken. De charismatische persoonlijkheid wist hoog en laag te boeien. De koningin ging wekelijks bij hem te biecht en maakte hem hofkapelaan.
Het was de tijd het Grote Schisma, het langdurige en diepgaande politieke conflict dat Europa verdeelde, met twee pausen, de een in Rome, de ander in Avignon. Om geld te genereren voor kruistochten tegen elkaar verkochten beide pausen ambten tegen de hoogst biedende en aflaten aan het volk. Hus protesteerde tegen deze simonie, de corruptie, de handel in relieken en aflaten.
Het Concilie van Konstanz (1414-1418) moest dit schisma beëindigen. Het proces tegen Hus was een bijzaak. Hus was al geëxcommuniceerd. Hij wilde teveel. Hij kwam naar Konstanz met de belofte van de Duitse keizer Sigismund van vrijgeleide. Maar de keizer pleegde verraad en voorkwam niet dat de veroordeling van de leer van Hus gevolgd werd door de brandstapel.
Na zijn dood raakte Tsjechië verzeild in burgeroorlogen. Met de gans (Hus is Tsjechisch voor gans) en de kelk op de banieren werd keizer Sigismund door woedende boerenlegers bestreden, met tijdelijke successen. Maar de Hussieten zelf raakten verdeeld. En na executies in 1621 ontvluchtten 40.000 Hussieten de Habsburgse macht. Maar Moravische en Boheemse protestanten bestaan er nog steeds. Hun kerken overleefden ook het communistische tijdperk. Het logo is vaak een kelk.

Irenaeus van Lyon – plm. 130 Klein Azië – plm. 200 Lyon?

Omdat de dwaling zich meestal niet in haar naaktheid laat zien, maar zich liever hult in aantrekkelijke kledij, lijkt zij voor de onervarene meer waar dan de waarheid zelfirenaeus_lyons

28 juni is op de Rooms-Katholieke heiligenkalender  als de gedenkdag van Irenaeus. Hij geldt als beginner van christelijke theologie. Voor veel mensen is hij juist daarom tegenwoordig absoluut niet heilig meer. Hij bestreed namelijk de gnostiek. En de gnostiek is nu ‘in’, vooral sinds ‘nieuwe spirituelen’ zich konden herkennen in geschriften die in 1945 in het Egyptische Nag Hammadi onder het woestijnzand vandaan kwamen. Irenaeus zat dus in het kerkelijk complot tegen de ‘ware’ Christus.
Hij leefde in de tweede helft van de tweede eeuw. Hij had de martelaar Polycarpus van Smyrna nog gekend die weer leerling van de apostel Johannes geweest zou zijn. Zo voelde hij zich in een apostolische traditie staan. Het christendom waaiert naar alle kanten uit en Irenaeus wil er lijn in te brengen: de apostolische lijn. Bij hem begint de lijst met boeken die het Nieuwe Testament zijn gaan heten contour te krijgen, met daarin voor het eerst vier evangelisten.
Irenaeus ontwikkelt ook gedachten over de heilsgeschiedenis. Hij deelt de geschiedenis in periodes in aan de hand van Daniël en Openbaring. Hij is de eerste chiliast: iemand die gelooft in een duizendjarig Godsrijk op aarde na de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden.
En daar geloofden de gnostici dus niet in. Voor hen was het aardse leven slechts een tijdelijke fase in de ontwikkeling van de ziel. Een leerschool, waarna de ziel op kan gaan in hoger sferen. Irenaeus stond pal voor een christendom waar het eerder om een ongekeerde beweging gaat: hoe er uit ‘hoger sferen’ heil op aarde neerdaalt. In zijn christendom is  ons lichamelijke bestaan de plek waar we God eren. En Christus was echt volledig lichamelijk mens.
Ontwikkelen van ‘gnosis’ (kennis) was ook belangrijk voor keizer Marcus Aurelius, de filosofische keizer van wie gedachten over levenskunst nog steeds worden gelezen.  Maar ook onder zijn bewind waren er heftige christenvervolgingen. Die van het jaar 177 trof het Gallische Lyon. Irenaeus bleef gespaard, waarschijnlijk omdat hij in Rome was. Hij volgde de vermoorde bisschop van Lyon op en bleef er tot zijn dood.
De apostel Paulus vond al dat niet het verwerven van diepe spirituele inzichten het belangrijkste is maar het groeien in de liefde. ‘Kennis (gnosis) maakt verwaand, alleen de liefde bouwt op’ (1 Korintiërs 8: 1).
Laten we zulk kostbaar apostolisch erfgoed maar blijven koesteren.

Charles Haddon Spurgeon – 19 juni 1834, Kelvedon (Essex), – 31 januari 1892 Menton (Fr)

Een ton boeken die door mensen geschreven zijn wegen niet op tegen een ons van de Schrift

Toen ik belijdenis deed kreeg ik van mijn grootmoeder als cadeau een dagboek met meditaties van Charles Haddon Spurgeon, mooi uitgegeven met oranje omslag. Maar de negentienjarige theologiestudent kon de smaak niet te pakken krijgen van de in stukjes geknipte negentiende eeuwse preken en gaf het na een aantal bladzijden op.
In zijn tijd was Spurgeon een razend populaire prediker. Als 16-jarige had hij zich onder invloed van Methodisten door onderdompeling in een rivier laten dopen. Hij werd baptist. En nog maar twintig jaar oud werd hij al naar Londen beroepen, 1853. De een na de andere kerk werd al snel te klein. Er verrees een megakerkgebouw van 4600 zitplaatsen om de toestroom te herbergen, Metropolitan Tabernacle Church. ‘Prins der predikers’ was zijn bijnaam. Eens bracht hij 23.000 toehoorders op de been. Tienduizenden kwamen door zijn preken tot geloof, veelal huisknechten en dienstmeiden. De notities van hun getuigenissen kwamen onlangs weer boven water en geven een beeld van het soort leven waar deze bekeerlingen mee braken. Veelal ging het om zaken als drankzucht, grove taal, huiselijk geweld, agressief gedrag. Ook in Nederland kreeg hij bij een preektournee in 1863 volle kerken en daarna veel lezers van zijn gedrukte preken. Spurgeon
Hij wist het dus goed te brengen: op de man af, indringend, herkenbaar, pittig gekruid met anekdotes. Vergeving van zonden, de noodzaak van bekering en een persoonlijke relatie met God waren de hoofdthema’s van zijn preken. En hoe de bijbel een boek is dat met je praat, aldus de titel van een van zijn duizenden preken.
Zijn letterlijke uitleg van de bijbel brengt Spurgeon ook tot de opvatting dat een terugkeer van het Joodse volk naar Palestina de wederkomst van Christus dichterbij brengt – mits ze dan ook tot het christelijk geloof zijn bekeerd. Groot- Brittannië had met Duitsland bij de Turken een grotere toegankelijkheid van Palestina afgedwongen. Het veroorzaakte eschatologische koorts onder protestanten, nu de terugkeer van Joden naar hun land van herkomst meer mogelijk werd. ‘Onvervulde’ bijbelse profetieën leken hun vervulling nabij.
Spurgeon stichtte verder diverse weeshuizen, een tijdschrift, een gezelschap voor christelijke literatuur, een predikantenopleiding. Zijn studenten richtten minstens 200 kerken elders op. En hij had humor. ‘Door vol te houden bereikte ook de slak de ark’ schijnt een uitspraak van hem te zijn. En ‘niet iedere verandering is een verbetering, zoals de duif zei toen zij uit het net raakte en in het pasteitje terecht kwam.’

Martin Buber – Wenen, 8 februari 1878 – Jeruzalem, 13 juni 1965

Wegkijken van de wereld of er naar staren helpt een mens niet om God te bereiken. Maar wie de wereld in Hem ziet, staat in zijn tegenwoordigheid.

Martin Buber postzegelWelke ‘Jij’ maakt mij ‘Ik’? Volgens Martin Buber is de ik-jij-relatie de grondvorm van het menszijn. Wat echte ontmoeting is, hoe zeldzaam die is en hoe moeilijk, zette hij onder het vergrootglas in een klein boek ‘Ich und Du’ (‘Ik en gij’). Het verscheen in 1923 en het geldt als zijn belangrijkste filosofische boek. We zijn pas echt mens als we uit de wereld van ‘Het’ in de wereld van ‘Jij’ treden. Dan behandelen we de ander niet als een object of houden hem of haar van ons lijf als een vijand, dan treden we in een echte relatie en laten we ons aanspreken zoals we de ander aanspreken. Ver-antwoord-elijkheid nemen maakt ons tot mens.
Buber wilde zo als filosoof ook duidelijk maken waar religie over gaat. God is de Ander die ons roept. Over God kun je eigenlijk niet veel zeggen en weten. Redenerend over God als een Het, iets of niets, laat Hij zich niet vinden. Maar je staat voor zijn aangezicht. Zeg maar U of Jij en zing zijn lof.
Vijftig jaar geleden overleed Buber. Een van de grootste joodse denkers van de afgelopen eeuw. Hij veranderde de taal van theologie en filosofie en heeft ook psychotherapie en pastoraat beïnvloed. Een mens mag nooit tot een behandelobject gereduceerd worden!
Buber groeide als kind van gescheiden ouders op in het Galicische Lemberg (nu Lviv, Oekraïne). Hij werd een belangrijk onderzoeker en verzamelaar op het gebied van chassidische jodendom van Oost-Europa. Hoewel hij zelf een meer liberale jood was, wilde hij deze orthodoxe en ultraorthodoxe mystieke beweging voor de westerse wereld toegankelijk maken. Het waren Bubers chassidische vertellingen Hendrik Werkman de beroemde druksels maakte als verzetsdaad tegen het nazisme. (Hij had ze leren kennen dankzij de bevriende dominee Henkels).
Bekend werd hij ook door een ander vertaalproject: samen met zijn vriend en collega Franz Rosenzweig vertaalde Buber tussen 1926 tot 1936 de joodse Heilige Schrift, de Tenach, in het Duits. Ze deden dat heel grondtekstgetrouw in een monumentaal poëtisch Duits.
Ondertussen kwam Hitler aan de macht. Uit protest legde Buber zijn werk neer als professor in joodse geloofsleer en ethiek. In 1938 vluchtte hij naar Jeruzalem, waar hij tot 1951 les gaf in antropologie en sociologie. Buber was actief als ‘Homeland zionist’, maar verzette zich tot het laatst tegen de oprichting van de staat Israël en tegen politiek nationalisme. Hij had een gemeenschappelijke Arabisch-Israëlische staat gewild.
Een van de prijzen die hij kreeg was de Erasmusprijs.

Syncletica van Alexandria – Egypte, plm. 270 – 350

Syncletica

Zoals men een stug kledingstuk wast en bleekt door erop te stampen en het krachtig uit te wringen, zo wordt een sterke ziel door vrijwillige armoede nog krachtiger

Syncletica was een woestijnmoeder. Tijdgenoot van de beroemde Antonius. Dus een van de vele mannen en vrouwen die vanaf de vierde eeuw in Egypte, Palestina en Syrië kozen voor een spiritueel leven in afzondering in grotten en hutten. Zij stonden aan de wieg van christelijke spiritualiteit die tot op vandaag doorwerkt. Veel namen zijn vooral bewaard omdat hun uitspraken werden geboekstaafd en eeuwenlang doorgegeven. Er zijn geschreven collecties in het Latijn, Syrisch, Armeens, Georgisch, Koptisch, Ethiopisch, Arabisch en Oud-Slavisch.  Alleen een enkeling kreeg ook een biografie. Over Syncletica werd verteld dat ze van voorname komaf was en dat ze al jong naar God toe getrokken werd. Ze trok zich uit de stad terug om in een grot te gaan wonen. Er ontstond een grote toeloop van volgelingen en ze zou net als Antonius heel oud geworden zijn: wel tachtig.
En ze was mooi. Zoiets lees je nou nooit over een man.
Maar tot zover is het toch een nogal stereotiep verhaal. Haar spreuken klinken authentieker. Welke man zou er ooit op het idee komen om het proces van innerlijke verandering te vergelijken met het kloppen en wringen van wasgoed? De was zijn wij mannen pas een beetje van de vrouwen gaan overnemen toen er volautomaten en elektrische wasdrogers kwamen.
Een andere uitspraak van Syncletica gaat over het voedsel. Lekker eten is  er net als mooie kleren bij haar niet bij. Al die drukte over ‘kookkunst ter ere van het genot’  leidt je aandacht alleen maar af van wat echte verzadiging geeft aan je ziel. Ze maakt geen half werk van de oefening in zelfbeheersing. Mensen ‘in de wereld’ kennen die ook wel, maar dan ‘vermengd met haar tegendeel omdat zij met al hun andere zintuigen zondigen’.
Ik blijf graag een zintuiglijke genieter. Zo’n drastische aanpak van de ascese bezorgt me rillingen. Maar ze heeft wel een punt. Tegenwoordig krijgen we zonder toegevoegde kunstmatige kleur- geur- en smaakstoffen geen hap door de keel, zo overvoerd zijn we. En de vuilspuiterij op internet en andere media getuigt niet bepaald van zelfbeheersing. Oefeningen die ons helpen aan spirituele ontgifting en regelmatige wasbeurten van de geest kunnen ook vandaag geen kwaad. ‘Zoals de bitterste kruiden giftige dieren verdrijven, zo verjaagt gebed in combinatie met vasten vuile gedachten’.

(de afbeelding is een fantasie)

Johannes Elias Feisser – 10 december 1805 Winsum (Gr.) – 2 juni 1865, Nieuwe Pekela

Johannes EliasFeisser wikiOch! dat zij die geestelijk genoemd wenschen te worden geen bloot vleesch en bloed onder de ten eeuwigen leven herborene lidmaten Christi door den waterdoop mogten ingelijfd achten

150 jaar geleden overleed de eerste baptistenpredikant in Nederland. Winsum is de geboorteplaats van deze kerkstichter. Vader was militair geweest en had er een houtzaagmolen. Moeder was de dochter van een kalkfabrikant. (Haar broer werd de eerste burgemeester van de gemeente Winsum). Ze lieten hun kind in de kerk van Obergum dopen. Maar later vond deze dopeling die doop niet goed genoeg. Wat in zijn eeuw nog zeldzaam was. Hoewel na de invoering van de Burgerlijke Stand de doop niet meer nodig was om belangrijke burgerrechten te kunnen laten gelden, hielden de meeste theologen en kerken de kinderdoop recht overeind. Feisser niet.
Al rond 1808 was het gezin verhuisd naar Veendam. Vader werd er rijksontvanger. Onder invloed van een vrome oma koos zoonlief voor de studie theologie in plaats van het leger. Dat ging hem goed af, hij won een prijs, promoveerde op een kerkvader en werd predikant, het laatst in Franeker. Maar toen zijn vrouw, een barones, overleed alsmede twee kinderen en hij zelf ook ziek werd, moest hij ontslag nemen. Hij ging weer thuis wonen. In de geestelijke crisis die hij nu doormaakte, 33 jaar oud, had zijn Verlosser zich in hem geopenbaard, zei hij later. Amerikaanse opwekkingslectuur speelde daarbij een rol.
Na een half jaar kon hij het predikantschap weer oppakken: in Gasselternijveen waar maar weinig geestelijk leven zou zijn. Hij preekte er de kerk vol. Maar conflicten in de kerkenraad over zijn standpunten leidden tot zijn afzetting op nieuwjaarsdag 1844. Hij vond dat een kerk alleen met echte gelovigen volwaardig ‘lichaam van Christus’ kon zijn. Daarin passen geen gedoopte leden die geen geestelijk leven leiden. ‘Die den Geest Christi niet heeft, die komt Hem niet toe!’ zo luidt de titel van zijn brochure uit 1844. Net als de mensen van de Afscheiding (ds de Cock) legde Feisser de lat dus hoog. Bij de aanvraag om erkenning van zijn afgescheiden ‘Gemeente van Gedoopte Christenen’ geeft hij op dat ze van gereformeerde belijdenis zijn.
Maar zonder kinderdoop. Want intussen hadden Duitse geestverwanten Feisser bekend gemaakt met het baptisme. Op donderdag 15 mei 1845 kregen de eerste zeven mensen op ‘t Nijveen in een ondiepe veenvaart de doop door onderdompeling toegediend. (Bij het land van boer Reiling. Achterkleinzoon Jannes Reiling was een van mijn docenten uitleg Nieuwe Testament, tevens hoogleraar aan het seminarie van de Baptisten-Unie).
Erg succesvol was Feisser niet. Zijn kleine gemeente scheurde al snel. Hij trok nog wat rond en probeerde tevergeefs elders emplooi te vinden. Hij werd landbouwer met een kleine huisgemeente. Maar vanuit Amsterdam kwamen er evangelisten naar de veenkoloniën en zo kreeg het baptisme er toch verder voet aan de grond. En in de twintigste eeuw zouden de pinksterbeweging en de evangelikale opwekkingsbewegingen van over zee binnenwaaien. Nu met een veel grotere golf van kerkstichtingen op basis van volwassendoop. Onze PKN is momenteel bezig toenadering tot deze kerken te zoeken. Feisser had nu misschien mogen blijven.

John Mott – 25 mei 1865 Livingston Manor – 31 januari 1955 Orlando (VS)

John Mott 1910 wikimediaOm echt gebed en actie te krijgen om dingen te veranderen, moeten we de overtuiging hebben dat gebed en actie nodig zijn. Om de overtuiging te krijgen dat gebed en actie nodig zijn, hebben we kennis nodig.

Studentenleven lijkt vaak synoniem met veel feest, drank en amusement naast het studiepunten scoren. In de eerste helft van de vorige eeuw lieten bewegingen van zich spreken waarin dat anders was. De YMCA bestaat nog steeds. In Nederland timmerde tussen beide Wereldoorlogen de NCSV aan de weg. En John Raleigh Mott was de internationale leider. Door hem raakten studentenbeweging, zending, evangelisatie en oecumene internationaal met elkaar verstrengeld in een gezamenlijke stroomversnelling. In 1946 kreeg hij (gedeeld) de Nobelprijs voor de Vrede.
Hij was een Amerikaans methodist. Tijdens zijn studie geschiedenis, letteren en filosofie stortte hij zich vol overgave in debatten. Het leverde hem al snel een prijs op. In 1886 werd hij getroffen door een zin in een toespraak: ‘Zoek je grote dingen voor jezelf? Doe het niet. Zoek eerst het koninkrijk van God’. Door zijn inzet begon de studentenbeweging YMCA opvallend te groeien.
Vanaf de oprichting in 1895 tot 1920 was Mott, zelf medeoprichter, de generale secretaris en van 1920 tot 1928 hoofd van de World Student Christian Federation (WSCF). Christenen van verschillende richting werkten hierin samen ‘om leden van de academische gemeenschap te roepen tot geloof in God, tot discipelschap binnen het leven en de zending van de Kerk, en om hen te helpen om te streven naar vrede en gerechtigheid in en onder de volken’. Motts slogan ‘evangelisatie van de wereld binnen deze generatie’ werd befaamd.
In 1910 was Mott voorzitter van een enorme protestantse Wereldzendingsconferentie in Edinburgh. Evangelisatie zou meer moeten uitgaan van christenen binnen de eigen cultuur, kerken moesten ‘indigeniseren’, aldus de uitkomst waarvoor Mott zich daarna ook hard maakte. Kort erna kreeg hij met een collega van een bewonderaar een aanbod voor een gratis tocht met de Titanic. Ze weigerden en namen een meer bescheiden boot. Toen het bericht van de scheepsramp kwam zeiden de twee mannen tegen elkaar: ‘De goede God heeft kennelijk nog meer werk voor ons’. Het leven vol met reizen, boeken schrijven en toespraken zou nog lang doorgaan.
Na de formatie van de Wereldraad van Kerken in 1948 werd hij verkozen tot erepresident.
Motts Student Christian Movements bestaan nog steeds, wereldwijd, onder de vleugels van de Wereldraad van kerken. Maar in de loop van de twintigste eeuw kwamen er daarnaast wel nieuwe bewegingen met een meer behoudend karakter. De SCM verbonden zich met zaken als feminisme, bevrijdingstheologie, pacifisme, milieubeweging. Want het goede nieuws ging immers over de belofte van volwaardig leven voor ieder mens.

Ottho Gerhard Heldring – 17 mei 1804, Zevenaar – 11 juli 1876 Mariënbad (Oostenrijk-Hongarije)

Heldring 2Men hebbe de diepste verachting voor hare zonden, maar de zonderes hebbe men lief.

Het begon met gevallen vrouwen waarvan de ziel gered moest worden. In 1848 opende ds. Heldring in de Betuwe het eerste opvanghuis in Nederland om vrouwen uit de prostitutie aan een nieuw bestaan te helpen: het Asyl Steenbeek. Het werd het begin van een reeks ‘reddingshuizen’, gericht op opvang, opvoeding en onderwijs van kwetsbare en verwaarloosde meisjes en jonge vrouwen. En als het kon hun bekering.
Sinds 1827 al was hij predikant in het Betuwse Hemmen. Hij kaartte er in 1838 met cijfers onderbouwd het drankmisbruik aan met de wake-up-call: de jenever erger dan de cholera. Rond 1845 opende hij Nederlands ogen voor de armoede die de aardappelziekte teweeg bracht.
In het naburige Zetten bouwde hij voor zijn instellingen een nieuwe kerk op een vluchtheuvel voor het geval de Betuwe weer onder water kwam te staan. Protestanten uit het hele land zouden hun kinderen decennia lang naar Zetten sturen voor middelbaar onderwijs. ‘Zetten’ werd een begrip en zijn naam is er nog steeds verbonden aan een instelling voor o.a. getraumatiseerde jongeren. ‘Hoenderloo’ ook. In dit dorp dat hij als verwoed wandelaar had leren kennen op een van zijn vele trektochten, zorgde hij voor een waterput, een kerk en een instelling voor kansarme jongen.
Op zijn initiatief kwamen er in Amsterdam jaarlijkse conferenties van de Christelijke Vrienden. De ‘voormannen’ van het Réveil bespraken er met elkaar kerkelijke en maatschappelijke onderwerpen. Hier werd de basis gelegd voor de langzaam groeiende protestants-christelijke ‘zuil’ van organisaties. En hij was de organisatorische spil. Gelovig, gedreven, veelzijdig getalenteerd, sociaal bewogen, en geliefd om zijn literaire werk, gedeeltelijk in Gelders dialect. Hij redigeerde hun belangrijke tijdschrift ‘Christelijke Stemmen’ , ijverde mee voor christelijk onderwijs en richtte de Confessionele Vereeniging op (1864). De kerk kon immers in de samenleving alleen een vluchtheuvel zijn als ze orthodox was.
Maar Heldring was tegen de kinderverlakkerij van sinterklaas. Voor de kinderen in zijn internaat wilde hij pakjes onder de kerstboom. Zelf had hij in 1836 voor de eerste kerstboom in een Nederlandse kerk gezorgd, mét cadeautjes voor de armen. En dát was onder protestanten bepaald onorthodox. Maar wie er anders over dacht: even goede vrienden.
De naam Tabitha Kumi van zijn Betuwse meisjeshuis kwam ook te prijken op een meisjeshuis in Jeruzalem. Heldring was de spin in een internationaal netwerk van protestantse ‘in- en uitwendige zending’ dat zich uitstrekte tot in het Heilige Land toen zich de gelegenheid voordeed om ook daar op de komst van Gods koninkrijk vooruit te lopen.
Was al dit christelijk activisme geen dweilen met de kraan open omdat de politieke en economische machtsverhoudingen onaangetast bleven? Het is de tijd van Marx en Engels die de arbeiders aan de macht willen. Maar bij Heldring is religie in elk geval geen opium voor het volk, maar een activerende kracht, tot redding van de zwaksten. Vrouwen en kinderen voorop.

Adresloos danken?

Filosoof Ger Groot schreef in Trouw een mooie column over dankbaarheid: ‘Ook zonder God mogen we ons gelukkig prijzen’. Hij verdedigt de mogelijkheid van jezelf gelukkig prijzen zonder God. Want atheïsten moeten ook dankbaar kunnen zijn voor het geschenk van het leven, ook al heeft hun dank geen adres.
Mij bekroop de vraag of Groot hier niet juist het hybride karakter van atheïstische levenskunst bloot legt. Danken, loven en prijzen zijn nogal religieuze handelingen. Voor veel gelovigen zijn ze zelfs de kern van hun levenskunst. En adresloos danken is ook taalkundig iets raars. Bij het werkwoord danken hoort een dativus, een tegenover. Religie zet daarom God als stip op de horizon als perspectivisch verdwijnpunt voor de gevoelens en daden van dank, lof, vertrouwen, hoop, en niet te vergeten ook de twijfel, de wanhoop, het protest en de schuldbelijdenis. Hij is de spijker aan de muur waaraan we het allemaal ophangen. De theoloog Schleiermacher noemde hem twee eeuwen geleden het ‘Woher’ van dat allemaal, het waarvandaan.
Maar theologie begint al gauw te stamelen als er meer gezegd moet worden. God ‘is’ er dus, maar hij is geen wezen, geen zijnde. Achter de horizon kan ook een gelovige niet kijken. Het theïsme van de gelovige blijft ook hybride. In het heilige van tabernakel en tempel staat geen godsbeeld. En bij al te veel gepraat over God in de derde persoon en zijn al of niet bestaan vlucht de gelovige daarom graag vaak terug naar de religieuze praktijk van het spreken in de tweede persoon. Met behulp van verhalen, liederen, gebeden en andere rituelen proberen we in een relatie te blijven tot een ‘Gij’ (of tutoyeren een Jij). Een gelovige weet dat de voornaamste functie van het woordje ‘God’ is om juist die datief te zijn: de instantie om ‘U’ tegen te zeggen.
Maar als dankbare theïsten en atheïsten in feite hetzelfde doen en het enige verschil is dat de een zijn of haar levenskunst ophangt aan een gat waar de ander nog altijd de spijker ‘God’ heeft zitten, waarom dan niet gewoon samen? Als predikant heb ik in de loop der jaren de geboortekaartjes radicaal zien veranderen van ‘met dank aan God’ naar ‘met dankbaarheid geven we kennis van’ naar ‘hallo hier ben ik’ waar je gevoelens van ouders moet raden uit de bonte uitmonstering van de giga kaart. Toch kloppen ook de laatste ouders nog wel eens aan voor een kinderdoop. De kerk waarin God-gelovigen en God-betwijfelenden samen hun dankbaarheid vieren bestaat al lang. Groot, kom weer eens langs!

(tot zover mijn niet door Trouw geplaatste reactie)

Ongeloof hoef je niet bij de ingang van de kerk in te leveren, integendeel. De viering is er juist om geloof te activeren dat sluimerde en sliep. Soms even kun je er dan het ongeloof er achterlaten. (Bijvoorbeeld in de collectezak, het moment waarop we dankbaarheid in klinkende munt uitbetalen). Maar als dat niet lukt: elke week is er een herkansing. En ook bij de uitgang is er geen controle op de metafysische voorstellingen waarmee je door het leven gaat.

Christiaan Frederik Beyers Naudé (10 mei 1915, Roodepoort (Transvaal) – 7 september 2004, Johannesburg)

Christiaan Frederik Beyers NaudéJe bent nooit helemaal menselijk als je de menselijkheid in andere menselijke wezens niet hebt ontdekt. Sluit je ogen niet voor het onrecht van je eigen land door te proberen het onrecht van een ander land op te lossen.

Wie was deze dominee ook alweer, naar wie ook in ons land scholen en straten genoemd zijn?
Bij zijn geboorte was hij vernoemd naar generaal Beyers die voor de Boeren tegen de Engelsen gevochten had. Zijn vader, afstammeling van Hugenoten, was lid van de Broederbond, een club van blanke Boeren die een grote rol speelde bij de vestiging van het apartheidsbewind in Zuid-Afrika in 1948, toen het Britse imperium ontmanteld werd. En de architect van de apartheidspolitiek, André Verwoerd, was tijdens zijn studie een van zijn docenten. Geen wonder dat de jonge dominee Beyers Naudé op de kansels van de Nederduits Gereformeerde Kerk eerst ook vurig de apartheid predikte.
Sharpville betekende zijn definitieve ommekeer. Daar schoot de blanke politie in 1960 bij een vreedzame demonstratie 69 demonstranten dood. Naudé werkte mee aan resoluties van de Wereldraad van Kerken tegen de apartheid. Als directeur van het Christelijk Instituut richtte hij zich op dialoog en verzoening en deed hij aan research en documentatie. Hij werd door zijn kerk afgezet , waarop hij zich als blanke dominee aansloot bij de zwarte Dutch Reformed Church. ‘We moeten ons gereed maken voor tien jaar leven in de woestijn’ zei hij tegen zijn vrouw. Hij werd behandeld als een melaatse, aldus Desmond Tutu. De regering sloot uiteindelijk zijn instituut en legde hem van 1977 tot 1984 zelfs een ‘banning order’ op: huisarrest. Ondertussen begon de stroom buitenlandse onderscheidingen, ook uit Nederland. In zijn rol van voorzitter van de Raad van Kerken bepleitte hij vrijlating van politieke gevangenen en onderhandelingen met het ANC. Toen het er eindelijk van kwam, betrok Mandela hem bij de onderhandelingen met president De Klerk. Daarna deed hij wel eens bijbellezingen op congressen van het ANC, maar hij werd nooit lid. Hij kreeg de Nobelprijs voor de vrede. Na zijn overlijden ontving hij een staatsbegrafenis.
Hij voorzag dat veel blanken zich niet aan de nieuwe verhoudingen zouden aanpassen maar hun heil elders zouden zoeken. Het blanke racisme kende hij van binnen uit. ‘Oom Bey’ was zich desondanks altijd Afrikaner blijven noemen.
Apartheidsideologen ontleenden soms hun argumenten regelrecht aan geschriften van calvinisten als Abraham Kuyper. En de internationale boycot tegen Zuid-Afrika was ook onder Nederlandse protestanten niet onomstreden. Naudé heeft ook hier het protestantisme kleur helpen bekennen.

Tertullianus (ca. 160 Carthago – ca. 230)

TertullianusWat is meer een schande voor God: dat hij geboren is, of dat hij zou sterven? Dat hij het vlees zou dragen, of het kruis?

Een liefhebber van theologie moet ook Tertullianus eren. Een founding father van de westerse theologie, een van de eersten die in het Latijn over het geloof schreef.
Het is de tijd van Marcion. Deze priester in Rome zorgt voor grote opschudding met zijn opvatting dat het Oude Testament over een mindere god gaat dan het Nieuwe. Een ander discussiepunt in die tijd is de gedachte dat Jezus een schijnlichaam had. Om de hoge God te vrijwaren van de schande van een dood aan een kruis moest ook zijn Zoon ervan gevrijwaard, als je aan de goddelijkheid van Jezus wilde vasthouden. (Een Jezus die helemaal niet bestaan hoeft te hebben is de moderne variant.)
Tertullianus vindt zulke gedachten voor een christen absurd. Hij verdedigt de twee naturen en de lichamelijkheid van Christus, tegelijk mens én tegelijk God zelf die lijdt en sterft en opstaat. ‘Wat heeft Athene met Jeruzalem van doen?’ Geloof begint bij wat werkelijk het geval is, niet bij de filosofische vraag of iets wel of niet mogelijk is. Lichamelijke opstanding is even zeker als dat het onmogelijk is, zoals de dood van de zoon van God even aannemelijk is als dat het dwaas is – welke God laat zijn zoon sterven? – en zoals een christen zich net zo weinig schaamt voor het kruis als dat ditzelfde kruis een schandaal is.
Om dat geloof worden christenen bij vlagen bloedig vervolgd. Maar ‘het bloed der martelaren is het zaad van de kerk’. Tertullianus’ verslag van hun marteldood maakte Perpetua en Felicitas beroemd. Waarschijnlijk onder de indruk van de moed van christenen was Tertullianus ook zelf christen geworden. Ook hun strenge moraal en hun visie op de hemelse toekomst sprak hem aan.
Hij was geboren in Carthago in het huidige Tunesië, als zoon van een Romeinse centurio. Maar als christen wees hij militaire dienst af. Natuurlijk moesten christenen bidden voor het Romeinse rijk, maar dienst nemen in dat rijk was not done. Even fel als hij ook was tegen de wettelijk toegestane infanticide (kinderdoding), abortus en gladiatorenspelen. Wie het zwaard grijpt zou toch door het zwaard omkomen?
Een Kerkvader dus. Maar ergens na 207 werd Tertullianus lid van de strenge en charismatische sekte van de Montanisten. Daarom is hij nooit heilig verklaard. Hij staat wel op de onofficiële heiligenkalender van de Duitse protestanten, op 26 april. Ik doe mee. Er zijn meer heiligen die in hun radicaliteit wel eens doorschoten.

Willem van den Bergh (25 februari 1850, ‘s-Gravenhage – 30 april 1890, Montreux)

Willem van den Bergh

Ook het ambt der diakenen ligt onder moordenaarshanden uitgetogen, op de openbare weg. Halverwege tussen Jeruzalem en Jericho ligt het misvormd ter aarde

Onder leiding van Willem van den Bergh was de kerkenraad van de gemeente van Voorthuizen op de Veluwe de eerste die in 1886 ‘het synodale juk’ van de Hervormde Kerk van zich afwierp. Er was een goede treinverbinding met het ‘hoofdkwartier’ van Abraham Kuyper in Amsterdam. Zo begon daar de Doleantie die zoveel nieuwe gereformeerde kerken en kerkgebouwen in Nederland zou opleveren. Ook in datzelfde Voorthuizen waar ik opgroeide en als tiener organist was: in de kerk van Willem van den Bergh. Want het gebouw was een aantal jaren en rechtszaken later weer overgedragen aan de hervormde gemeente die opnieuw had moeten worden opgericht. De gereformeerden hadden een nieuwe kerk en pastorie moeten bouwen. Hoe hervormd we ook waren, over Van den Bergh en zijn geloofsdaad werd altijd met respect gesproken. Hij was overigens een sombere man die soms als een boeteprediker heftig tekeer ging.
Dr. mr. van den Bergh was getrouwd met Ida Pierson (1858-1884), dochter van Hendrik Pierson die predikant-directeur was van de Heldring-stichtingen in Hemmen voor de opvang van ‘gevallen vrouwen’. Ze was genoemd naar oma Pierson, ‘moeder-overste’ van de Réveilbeweging. Hij was behalve als theoloog ook als jurist gepromoveerd, op een studie over de strijd tegen prostitutie. Daarvoor had hij onderzoek gedaan in een van de instellingen van zijn schoonvader die een vooraanstaand activist was tegen prostitutie.
En hij heeft zich in de geest van dat Réveil hard gemaakt voor het sociale gezicht van de kerk. Niet alleen armenzorg, ook andere en nieuwe takken van ‘filantropie’ zouden rechtstreeks door de kerk ter hand genomen moeten worden: als diaconale verantwoordelijkheid. Ook de zorg na brandschade, hij was tegen verzekeringen. Hij kreeg de mannen van de Doleantie niet zo ver. Kerk en christelijke organisatie bleven ook bij de gereformeerden zelfstandig naast elkaar. Maar het sociale bewustzijn zat er wel in. Het zou in de gereformeerde zuil gaan wemelen van verenigingen en stichtingen voor zending, voor christelijke scholen, voor zieken- en bejaardenhuizen.
En ook voor ‘zwakzinnigenzorg’, zoals het toen ging heten. En daarin had Willem van de Bergh in het bijzonder een belangrijke hand gehad. Vlak na zijn dood werd ‘s Heeren Loo geopend, een tehuis in de bossen van Ermelo. En het zou in de volgende eeuw een heel netwerk van instellingen worden voor de opvang, begeleiding en scholing van mensen met verstandelijke beperkingen. De instelling in Noordwijk kreeg zijn naam, evenals her en der een straat of laan. En ds. van den Bergh haalde zelfs de canon van de geschiedenis van de geestelijke gezondsheidszorg. Dankzij zijn vernieuwende initiatief voor mensen met wie de samenleving eeuwenlang weinig raad wist.

Maria Skobstova (* 8 december 1891, Riga – † 31 maart 1945, Ravensbrück)

Maria Skobstova

We moeten niet toestaan dat Christus wordt overschaduwd door regels, gewoontes, tradities, esthetische overwegingen en zelfs niet door vroomheid

Ook wie sigaretten rookt, bier drinkt, twee keer gescheiden is en atheïstische en communistische ideeën heeft gehad, kan een heilige worden. In de Russisch-Orthodoxe kerk tenminste wel, al kostte het enige moeite. Maria Skobstova stierf zeventig jaar geleden in concentratiekamp Ravensbrück. Er zijn vermoedens dat ze vrijwillig de plaats ingenomen had van een andere vrouw. Ze was er terecht gekomen omdat ze in Parijs Joden had geholpen.
Als Liza Pilenko groeide ze op op een landgoed bij de Zwarte Zee. Aanvankelijk was ze een vroom meisje dat het spaarvarken slachtte voor ikonen in een nieuwe kerk. Maar toen haar vader overleed toen ze veertien was werd ze atheïst. Met haar moeder trok ze naar St. Petersburg. Daar werd ze dichteres, in een circuit van radicale intellectuele jongeren. Maar ze vond wel dat die teveel alleen praatten over hun sociale bewustzijn. Ze vond de weg terug naar het geloof van haar jeugd. Ze zag hoe de Christus die bloed had gezweet meer kon betekenen voor de mensheid dan revolutionaire ideeën. En ze mocht theologie gaan studeren aan het Alexander Nevskiklooster, een mannenbolwerk.
Kort na de Revolutie van 1917 was ze even burgemeester van de stad van haar jeugd. Maar de grond werd er te heet onder de voeten. Met haar tweede man Skobstov vluchtte ze naar het Westen om net als veel andere Russen uiteindelijk in Parijs terecht te komen. In de rouw na de dood van een dochtertje voelde ze zich, ondanks de zinloosheid van dit sterven, ´overschaduwd door een onbegrijpelijke Betekenis’. Hierdoor ging ze nog nadrukkelijker op zoek naar een ‘authentiek en gezuiverd leven’. Ze kreeg toestemming van haar man om te scheiden en de kloostergelofte af te leggen en haar bisschop gaf haar ruimte om op een nieuwe manier aan een leefgemeenschap in Parijs gestalte te geven.
Temperamentvol als ze was had ze vaak niet het geduld om de liturgie uit te zitten. Er was veel werk te doen. God was immers vooral te vinden in het aangezicht van de behoeftige naaste, de paupers van Parijs. In haar shabby pij was ze een bekende verschijning in Les Halles om voedsel bij elkaar te scharrelen voor haar maaltijdproject.
Ze was fel anti-nazi. Door de Duitse bezetting werd ze zich er extra van bewust dat ze de naam van een Joodse vrouw als kloosternaam had gekozen. Ze hielp Joden bij het verkrijgen van doopbewijzen of bij hun onderduik of vlucht.
Het was op Stille Zaterdag 1945 dat ze de gaskamer inging. In de verte klonk het geschut van de bevrijders.

Dietrich Bonhoeffer (4 februari 1906 Breslau 9 april 1945 Flossenburg)

BonhoefferOns christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mensen het goede doen

De verfilming van het leven van Dietrich Bonhoeffer Agent of Grace eindigt met een shot van alleen de twee blote voeten op het schavot in Flossenburg. Hitler had vlak voor de ondergang van zijn rijk nog de terechtstelling bevolen van een aantal vooraanstaande Duitsers die zich tegen hem teweer hadden gesteld. Zo werd ook Bonhoeffer na meer dan twee jaar gevangenschap opgehangen.
De film begint vrolijk met jazz op een piano in New York. Hij groeide op in een groot gezin in Berlijn. Een door en door fatsoenlijke omgeving. Vader was een vooraanstaand psychiater en buitenkerkelijk. Moeder was gelovig en had predikanten in de familie. Veel kerken had Dietrich in zijn jeugd niet van binnen gezien. Toch koos hij voor theologie en al heel snel was hij gepromoveerd, gevolgd door predikantschap voor Duitsers in Barcelona en Londen en een combinatie van taken in Berlijn.
Dietrich kreeg in 1935 de leiding van seminaries voor de opleiding van predikanten van de dissidente Bekennende Kirche. Hij probeerde daarin zijn ideaal van leven in een geestelijke gemeenschap vorm te geven, geïnspireerd door het kloosterleven en de ashrams van Gandhi. Er stille tijd gehouden en liturgie gevierd, maar ook gestudeerd en gesport, gemusiceerd en naar de grammofoonplaten van negro spirituals geluisterd die hij had meegenomen uit de VS. De meeste van deze jonge predikanten kwamen al snel om in de legers van Hitler. De seminaries werden opgedoekt. De beschermvrouwe van deze seminaries op het Pruisische platteland bracht ondertussen haar jonge kleindochter Maria op zijn weg. Ze hadden nog nauwelijks verkering of Bonhoeffer werd gevangen genomen, op verdenking van betrokkenheid bij een complot tegen Hitler. Die verdenking was juist. In 1939 was hij bewust weer terug gekomen uit de VS. Zijn zwager Hans von Dohnanyi had hem bij een van de belangrijkste samenzweringen betrokken. Voor de hele familie was verzet tegen Hitler een kwestie van fatsoen.
In de gevangenis heeft Bonhoeffer schetsen op papier gezet voor het christendom na de oorlog. Zelf verenigde hij de theologische doordenking van allerlei vraagstukken met een diep en eenvoudig geloof. In de gevangenis vormden Bijbelteksten en liederen van Paul Gerhardt dagelijks zijn geestelijk ontbijt. Dat is wat hij ook het christendom na de oorlog toewenst in brieven en schetsen voor een boek. Een zich bescheiden opstellend, ‘werelds’ maar spiritueel leven in dienstbaarheid. In ‘navolging van Christus’, zoals zijn bekendste boek heette. Desnoods met blote voeten.