Jezus stapte mijn zolderkamer binnen (FD 31-8-2018)

zomerserie ‘Mijn ervaring’

Het was ergens rond mijn zestiende. Ik was middelbare scholier en heus niet heel intensief met geloofsvragen bezig. Het vak godsdienst op school vond ik bijvoorbeeld tijdverspilling. Als dat op maandagmorgen viel had ik al een heel weekend achter de rug met catechisatie gevolgd door jeugdvereniging en op zondag meestal twee keer naar de kerk. Kerk en geloof bepaalden nogal de atmosfeer waarin ik opgroeide. Mijn vader was niet de enige dominee in de familie en wij woonden op de Veluwe. En er werd ons verteld dat je toch eigenlijk ook aan persoonlijke Bijbelstudie moest doen, wilde het goed met je komen. De donkerblauwe Bijbel lag dus bij mijn bed , gekregen bij het verlaten van de lagere school en tot mijn spijt al in de brugklas beschadigd geraakt omdat hij elke dag meegenomen moest worden in de zware boekentas. Bijna vijftig jaar later weet ik de speciale geur nog.

Positieve huiver
Niet dat ik ‘s avonds om half elf na de lange fietstochten en het vele huiswerk (vooral dankzij meneer van Diermen, de leraar Duits) nog puf had. Het hoefde misschien niet elke dag en er was gelukkig geen controle. Maar zomaar een stukje uit één van de evangeliën raakte mij op een keer toch wel bijzonder. Er ging een rilling ergens over mijn rug! Een positieve huiver. Meer was het niet. Maar ook niet minder. Die Jezus toch. Hij had mij aangesproken. Ik was geraakt.
Pas later realiseerde ik me meer het belang van dat moment. Dat toen k beslissend de balans was doorgeslagen. Het speet me dat ik toen niet meer terug kon halen bij welke Bijbeltekst het precies geweest was. In elk geval was het bij een van de verhalen dat Jezus rondtrekt door Galilea en ontmoetingen aangaat. In mijn omgeving werd er een enorm nadruk op gelegd dat Jezus gestorven was voor onze zonden. Maar ik voelde me geen groot zondaar, wel een onzekere tiener. Mijn klik met Jezus was zijn boodschap van mededogen in zijn vriendelijke omgang met mensen. Die essentie ‘kwam binnen’. Ik mocht er zijn.

Raakmomenten
Zestien is nu eenenzestig. Ik ben ook theologie gaan studeren en predikant geworden. Niet per se door dat ene moment. Er waren daarvoor en daarna zoveel meer ‘raakmomenten’. Maar dat ene is wel richtinggevend geworden voor de manier waarop ik de Bijbel lees en in de christelijke traditie ben blijven staan. Het bleek onder meer te helpen bij onderscheiden tussen de kern en minder noodzakelijke of zelfs hinderlijke verpakking van de geloofsboodschap, toen de vele kritische vragen bij allerlei aspecten van de christelijke leer zich opstapelden, rationele jongere die ik ook was en man die ik ben. ‘De kern ziet wijd’, zei een van mijn hoogleraren vaak. Amen.
Nee, een visioen was het niet. Maar de theoloog Edward Schillebeeckx schreef ooit in zijn belangrijke Jezus-boek ‘Jezus, het verhaal van een levende’ over de verhalen van zijn verschijningen na Pasen dat Jezus ‘epifaan’ is geworden. Jezus is verschijnend geworden. En daarover kunnen we meepraten. Daar is geen mirakelgeloof bij nodig. De Jezus van Nazareth van toen kan via de Bijbel overal binnen komen.
Die Jezus is wel vriendelijk in zijn vertegenwoordiging van het grote Ja van God tegen mensen, maar niet soft. Ook dat besef dateert uit die jeugd met stevige opvattingen over de Bijbel. Het pastoraat is een mooie manier om persoonlijke ontmoetingen aan te gaan waarin ik op mijn beurt dat Ja mag vertegenwoordigen. Ik hoop dat er kerken zullen blijven die mensen financieel vrij spelen voor dit prachtige werk. Maar kerken moeten zich – in Jezus’ Naam – ook inzetten om de rechtvaardigheid in de wereld te vergroten tegen over mensen die met wie gesold wordt en over wie heen gelopen wordt of die van hun land gejaagd worden om hun geloof of culturele identiteit.

Arabisch
Eens heb ik een kerkdienst meegemaakt in dat gebied waar de Heer zijn voetstap zette. Het was een dienst in het Arabisch, in een volgepakte kerk ergens op de flanken van de Karmel. Totaal onverstaanbaar dus. Alleen de bijbelse plaatsnamen in de preek waren herkenbaar. Maar het was voelbaar dat hier geleefd werd uit de vreugde dat de Heer in hun land was verschenen en dat deze broeders en zusters daar hun gevoel van waardigheid aan ontleenden. Aanstekelijk.

FD 31-8-2018 ‘Geloven’

Koesteren van de Heimat in migrantenland

Christenen zijn pelgrims naar de eeuwigheid, ‘vreemdelingen en bijwoners’. We leven wel ‘in’ de wereld maar we zijn niet ‘van’ deze wereld. ‘En geen plek waar wij al thuis zijn … verre verten zoeken wij op hoop van zegen’, dichtte Sytze de Vries in een prachtig lied voor de laatste weken van het kerkelijk jaar, lied 813. Maar wat betekent het als groeiende aantallen medeburgers uit verre landen neerstrijken in het land waar jij en je voorgeslacht al eeuwen woonden, werkten en kerkten? Mogen we houden van het nationale volkslied, van onze streektalen en van af en toe een straatbeeld zonder hoofddoekjes, van dagelijks klokgelui zonder verstoring door de gebedsoproep van een moskee? Zo gemakkelijk geven we onze liefde voor ons Heim niet op. Of moeten we daarbij een schuldgevoel hebben?

Topophilia
Britse neurowetenschappers ontdekten onlangs hoe belangrijk topofilie is: ‘liefde voor een plaats’. Diepe gevoelens van geborgenheid, veiligheid, rust en kalmte worden in ons brein vooral opgeroepen door plaatsen. Ze doen dat zelfs meer dan foto’s van geliefden of de trouwring. Herinneringen die bepalend waren voor de ontwikkeling van ons gevoel van identiteit lijken nog meer aan plaatsen vastgeplakt te zitten dan aan de mensen door wie we gevormd zijn. Interessant. ‘Waar kom jij vandaan?’ is daarom dus een vraag die we al gauw stellen als we iemand willen leren kennen, niet wie zijn of haar meesters, juffen of dominees waren.

Daarom doet identiteitspolitiek het momenteel zo goed, in Europa en ver daarbuiten. Amerikanen koesteren hun blanke conservatief-christelijke identiteit (met recht op privé-wapentuig). Israël verklaart zichzelf tot joodse staat, ‘de enige veilige plek voor Joden in deze wereld’. Nederland maakt de kennis van het Wilhelmus tot speerpunt van het kabinetsbeleid. En Duitsland heeft weer ministers voor de Heimat, wat sinds de nazi’s een taboewoord was. Mevrouw Merkel moest wel, vanwege de oplopende spanningen over haar vluchtelingenbeleid. Als het gevoel opspeelt dat we ons plekje kwijtraken, valt het niet mee om ons in te leven in anderen die juist hierheen gekomen zijn omdat ze op hún plek geen leven hadden. We willen misschien best gastvrij zijn. Met enige tegenzin accepteren we misschien de roetveegpiet, want je kunt je vele landgenoten met een slavernijverleden in hun stamboom toch niet op de tenen blijven trappen. Maar hoe kunnen we gastvrij zijn als we geen eigen huis meer hebben, zegt het topofiele stemmetje in ons brein nogal dwingend. En dus willen we maatregelen ter bescherming van ‘onze’ identiteit.

Allemaal migranten
Maar ondertussen zingen we als christenen het pelgrimslied over het komende Koninkrijk. Moet onze bereidheid tot verandering het dan niet winnen van het behoudzuchtig koesteren van onze verworvenheden? Ja. Aldus Dorottya Nagy, hoogleraar missiologie aan onze Protestantse Universiteit, in de synodevergadering van april dit jaar. Ze was uitgenodigd voor de jaarlijkse lezing. Ze is zelf een Hongaarse uit Roemenië, met kinderen geboren in Duitsland, woonachtig in Finland. Ze had een kritisch verhaal over allerlei verwarring en rond het begrip migratie en migranten. De tweedeling tussen migranten en niet-migranten klopt vaak niet. We zijn al eeuwen een gemengd volk. En ze liet zien hoe we nieuwe mythes aan het vormen zijn. Zo bestaat er de evangelische mythe van de christelijke migranten die onbedorven zijn door onze westerse ontwikkeling en daarom het christendom hier zouden kunnen redden. En hoeveel soorten migratie zijn er niet? Neem de trek van platteland naar stad. Dorpen moeten scholen en kerken sluiten door krimp, huizenprijzen in steden schieten de pan uit. En ontkerkelijking is ook van migratie. In korte tijd verwisselen mensen massaal hun kerkelijke onderdak voor het vrije leven van postchristelijke seculieren, al dan niet met Boeddha in de vensterbank. En hoe belangrijk is het om steeds weer de achtergronden in het oog te houden waarom mensen in de wereld op drift zijn. Niet alleen door terrorisme. Klimaatverandering maakt hele streken onbewoonbaar. Zijn we niet zelf mede-verantwoordelijk? En als kerk zijn we daarom nooit klaar. Altijd ‘onderweg’ zijn hoort bij het geloof. Kerk zijn we nog steeds aan het worden, aldus prof. Nagy.

Drie betekenissen van Heimat
Het was misschien een noodzakelijk verhaal. Maar eenzijdig. Kerk alleen maar steeds aan het worden? Vermoeiend. Je wilt toch ook een plek waar je het fijn bént? Eerder in diezelfde aprilmaand werd de pers gehaald door prof. Beatrice de Graaf. Ze is bekend als terrorismedeskundige. Ze had een lezing gehouden voor de Christen-Unie over ons groeiende verlangen naar een Heimat. Via die topofilie en de Duitse Heimatministers kwam ze in haar verhaal bij drie betekenissen van ‘Heimat’. Het is de ruimte en plaats waar je bent geboren of opgegroeid. Het is de plek waar je via de lijn van de geschiedenis aan verbonden bent (via voorouders of gemeenschappelijke voorgeschiedenis). Maar het is bovenal de plaats waar je je sociale tehuis vindt. Het is de gemeenschap waar je door sociale bindingen geborgenheid vindt. ‘Ruimte, historische geworteldheid en gemeenschap – dat is de drieslag die ‘Heimat’ zijn eigen kleur, reuk en smaak geeft’. En die Duitse politici zijn best voorzichtig bezig te onderzoeken hoe het gevoel van veiligheid kan worden bevorderd als het gaat om belangrijke waarden en verworvenheden of ook gewoon leuke dingen van de eigen cultuur. Er zijn dingen die de moeite van het koesteren en bewaren waard zijn.

Er moet een plek zijn op de wereld
Vanaf de eerste boeken van de Bijbel gaat het steeds zowel over een Stem die ons op weg roept maar ook over Land in zicht als grond onder de voeten. God leidt je door de woestijn maar geeft je ook een land van aankomst. De staat Israël is het Beloofde Land nog niet. En Gronings is een mooie taal, maar er worden soms lelijke dingen mee gezegd. Zo dagen de beelden en liederen van het oeroude Geloofsverhaal ons telkens weer uit om te wikken en te wegen over wat we vasthouden en wat we loslaten. ‘Er mag een plek zijn om te blijven, er mag een plek zijn om te gaan. Dan heb je vleugels om te drijven, een been om op te staan’ (Eppie Dam).

Protestantse Kerbode, hoofdartikel oktober 2018

De Geest waait nog steeds

Op Pinksteren is de Kerk nog lang niet jarig. De vuurvlammen uit het Pinksterverhaal geven aan dat het niet klopt als we over het Evangelie met stomheid geslagen zijn. Achter gesloten deuren blijven zitten met de inside-information is er niet bij. En wie geen visioen van vrede, gerechtigheid en eenheid koestert, heeft er ook niets van begrepen. De Heilige Geest ontregelt. Toch is er dit jaar wel een jarig: onze Raad van Kerken. Als dat niet met de Heilige Geest te maken heeft! Tijd voor een feestje.

‘De Heilige Geest, dat is toch iets van de katholieken?’ Die gedachte had een van de deelnemers toen een studiedag van doopsgezinde zusters ‘de Heilige Geest’ als thema had. Anderen dachten aan uit je dak gaan en dat doet een nuchtere protestant niet gauw. Het staat in een boekje dat de Raad van Kerken in Nederland uitgaf ter gelegenheid van haar vijftigjarige bestaan. Het bevat een selectie van Pinksterliederen. Elk lied is gekozen en van commentaar voorzien door een afgevaardigde van een van de aangesloten kerken. Geen christen en geen kerk die er aan ontkomt om het loflied op de Heilige Geest te zingen. De Geest heeft ons allen, ook als we er misschien nuchtere geesten en praktische doeners bij blijven.

Vorig jaar maakte de Raad met een bundel paasmeditaties de veelheid van stemmen in kerkelijk Nederland zichtbaar maakte. Bij de verkondiging van het opstandingsevangelie spreken christenen niet eensluidend. Die bonte diversiteit zou je ook kakafonie kunnen noemen. Maar als het gaat om wat ieder zingt op Pinksteren, dan vallen in dit boekje eerder de overeenkomsten op. Dat is precies wat bij de Heilige Geest past: verbinden en bezielen tot eenheid. Ieder in zijn of haar eigen geloofstaal wordt geraakt door de Ene. De noten op de zang van iedere vogel in de volière van de Raad verschillen. De vierkante blokjes van het Gregoriaans klinken anders dan ‘Ik voel de winden Gods vandaag’ van Kees Boeke of ‘Samen in de naam van Jezus’. Maar wat ieder aan het hart gelegd is, wijst wel in dezelfde richting.

Dit jaar viert ook de Wereldraad van Kerken een jubileum. In augustus zal de oprichting van de Wereldraad zeventig jaar geleden in Amsterdam worden gevierd, op dezelfde plek, de Nieuwe Kerk op de Dam. De Nederlandse Raad van Kerken kwam dus pas twintig jaar later. In ons land was eerst de schok nodig dat de protestantse prinses Irene zich ‘rooms’ liet herdopen, voordat kerken elkaar echt opzichten. Daardoor zit de Rooms-Katholieke Kerk wel in de Nederlandse Raad, terwijl die geen deel uitmaakt van de Wereldraad. (Wat met getallen te maken heeft. De kerken in de Wereldraad hebben samen wereldwijd nog niet de helft van het aantal leden dat de wereldkerk van de paus in Rome heeft).

Maar is de oecumene niet dood dan? Zijn de visioenen van toen niet verbleekt? De versplintering van kerkelijk Nederland is in feite al maar doorgegaan. Er waren wel kerkherenigingen, maar evenzoveel nieuwe kerkstichtingen, en meestal is de reden dat de ene gelovige dan niet wil samenwonen met wie het lied van het geloof anders zingt. En ja, de betekenis van raden en instituten is veranderd. Instituten maken plaats voor netwerken. We zijn veel minder waarde gaan hechten aan officiële verklaringen en gezamenlijke documenten. Het budget van de Raad en de omvang van de staf zijn daarom maar klein.

Maar als je goed kijkt zie je dat het visioen van toen nog springlevend is. Ook al zijn er eerder meer dan minder kerken, kerkmuren zijn wel veel lager geworden. We delen veel gemakkelijker elkaars liederen. Er vindt veel meer grensverkeer plaats. We leven veel minder ‘verzuild’. Partijpolitieke scheidslijnen gaan al lang niet meer gelijk op met kerkelijke scheidslijnen. Het CDA werd geformeerd. De EO kreeg zelfs de IKON onder dak en de NCRV wordt alleen nog door een heel klein verbindingslijntje gescheiden van de KRO. Het verjaardagslied bij de Raad van Kerken moet dan ook luiden ‘Lang zal ze leven!’ Gewoon omdat we moeten erkennen dat de Geest zelf het visioen van eenheid en verbonden werken aan een leefbare wereld onder jongeren en ouderen blijft aanwakkeren.

In de bundel klinkt ook het geluid van kerken van Syriërs en Kopten. Nieuwkomers uit andere landen versterken het geluid van de Geest in ons land. Enkele weken geleden werd dat ook zichtbaar op de synode van onze Protestantse Kerk door het toetreden van een eigen gemeente van Indonesische christenen. Gods Kerk in Nederland wordt steeds veelkleuriger.

In de bundel ontbreken bijdragen uit verwante religies. Want de Raad van Kerken is geen Raad van Religies. Maar ook het geluid van andere religies gaat niet buiten de Geest om. De Geest van Pinksteren is de Geest van Tora en Profeten en Pinksteren zelf is het joodse feest van het verbond op de Sinaï. En Mohammed heeft geput uit joodse en christelijke bronnen bij de formulering van zijn profetische boodschap. Om het even bij twee naaste buren te houden. We kunnen over en weer soms echt bezieling door eenzelfde verlangen waarnemen. Ook al verschillen we wat betreft belijdenis, politieke opvatting of liturgie. De herkenning van anderen als medepelgrims op de weg naar vervulling van Gods visioen voor zijn schepping houdt niet bij kerkmuren op.

Nee, met de Geest gaat stilzitten voorlopig niet lukken.

Protestanste Kerkbode, hoofdartikel mei 2018

Het einde van het kwaad

Beatrice de Graaf kennen we van de tv. In verschillende praatprogramma’s verscheen ze als terrorismedeskundige om haar licht te laten schijnen over IS en wat er tegen te doen. Steeds met een vlot verhaal. Op een gastcollege van DWDD toonde ze een paar jaar geleden een reeks statistieken over de terreurbewegingen van de afgelopen eeuw. Allemaal voorbij. Ze voorspelde de kijkers daarmee dat het hoogtepunt van het terroristisch jihadisme misschien nog moest komen. Maar daarna zou het er weer snel bergafwaarts mee gaan. En ze bepleitte een cocktail van maatregelen waarmee dit kwaad het hoofd geboden moest kunnen worden.

We zijn een paar jaar verder. In haar boek ‘Heilige Strijd’ verkondigt zij opnieuw hoop op het einde aan het grote kwaad. Nu niet met statistieken maar met de boodschap van het christelijk geloof. God maakt een einde aan het kwaad. Mevrouw de Graaf is behalve veiligheidsexpert ook christen en actief kerklid. En ze verbindt die beide kanten. En ze ontwikkelde een christelijke visie op veiligheid en de strijd tegen het kwaad. Een jaar geleden heeft ze die in een toespraak voor de synode uiteengezet. Onlangs verscheen de uitwerking ervan in een mooi boekje. Helder, deskundig, verrijkend.

Kerkvader Augustinus krijgt een belangrijke rol in het betoog. Die had begin vijfde eeuw ook al met terrorisme te maken. Van fanatieke christenen nota bene. Hij bemoedigde zijn gemeente, riep ze op tot vertrouwen en hoop, maar ook tot ‘heilige strijd’ tegen het kwaad. De overheid had een taak, wat Augustinus betreft draagt die het zwaard niet tevergeefs om de veiligheid van burgers te waarborgen. Hij wees het geweld van de ‘circumcelliones’ dus af. En hij maakte het onderscheid tussen de ‘grote strijd’ die ieder mens moet voeren tegen het kwaad in zichzelf, tegen egocentrische begeertes, en de ‘kleine strijd’ tegen het kwaad buiten zichzelf. Deze religieuze visie op de strijd tegen het kwaad staat niet ver af staat van het onderscheid in de islam tussen de grote en de kleine jihad.

In onze moderne samenlevingen hebben we geen religieus wereldbeeld meer. We zijn gaan geloven in de menselijke maakbaarheid van veiligheid. De moderne tijd heeft veel goeds opgeleverd. Er kwamen natiestaten waarin de zorg voor veiligheid een grote overheidsplicht werd. We hebben het geweldsmonopolie van de overheid, verbonden aan een democratische rechtstaat met veel vrijheden. De ingewikkelde stelsels van instituties en wetgeving bieden belangrijke waarborgen. Maar langzaam maar zeker is het vertrouwen daarin gaan dalen. Uit angst voor onveiligheid dreigen we die rechtstaat te ondermijnen. Burgers gaan roepen om draconische maatregelen, om strenger straffen, reizigers op vliegvelden worden aan alle kanten doorgelicht, buurten volgehangen met camera’s en het verlangen om grenzen hermetisch te sluiten voor vluchtelingen wordt gretig opgepikt door politici die het niet al te best met democratie en rechtstaat voor hebben.

Er is iets veranderd met ons denken over veiligheid. Vroeger ging dit uit van een concreet aanwezige dreiging. Nu denken we veel meer in termen van risico in de toekomst. En dat heeft betrekking op waarschijnlijkheid én verbeelding. We maken simulaties en beelden de ergste mogelijke toestanden in. We zijn gaan beseffen dat onze toekomst kan worden weggevaagd door menselijk toedoen en menselijke technologie en macht. Om ons tegen dat gevoel in te dekken streven we steeds meer naar eeuwige jeugd in het hier en nu. We willen in onze geluksbubbel zo min mogelijk last hebben van zorgen over ‘hierna’. En we willen daarom de risico’s hebben afgedekt. Besturen en regeren wordt risicomanagement dat vooral de schijn van veiligheid moet wekken. En we willen dat zo volledig mogelijk, ‘totalitair’. En ook onverzoenlijk: met keihard optreden tegen groepen die ons onwelgevallig zijn.

Onze samenleving en onze politiek zijn gebaat bij de terugkeer van het realisme van religieus denken over het kwaad. Het zit dan niet alleen maar bij de ander, het ligt dan niet alleen maar aan iemands slechte opvoeding, of aan ‘de politiek’ of aan religie die van mensen monsters zou maken. Het zit ook in onszelf en het is tegelijk groter dan onszelf. En religie heeft daarbij dan een boodschap van hoop. God maakt een einde aan het kwaad. Prof. de Graaf herinnert aan het prachtige verhaal uit 1 Samuël 5. De Filistijnen hebben de ark buitgemaakt op de Israëlieten. Maar dan gebeuren er allerlei rare dingen. Het resulteert erin dat ze ark weer terugsturen. God heeft zichzelf teruggevochten. En ook het Evangelie verhaalt van strijd. In de Gekruisigde neemt God kwade machten te grazen. Er is zelfs sprake van een overwinning. ‘Meer dan overwinnaars’ noemt Paulus de christenen die de strijd aangaan, in het besef dat dit strijden ook lijden met zich meebrengt en dat we ‘angst en beven’ niet uit ons leven kunnen uitbannen. Een christen loopt daar niet voor weg.

De remedie van Augustinus is dus actueel: ‘geloof in het einde van het kwaad en in een heilige strijd voor liefde en verdraagzaamheid’. Daarbij geldt: ‘er staat geen knip tussen Gods heilige strijd, onze navolging en praktische zorg voor aardse en fysieke veiligheid’. De boodschap van statistieken over de eindigheid van terreurbewegingen en die van de Bijbel reiken elkaar de hand. Op het moment dat dit boek verscheen werd in hoog tempo IS uit de laatste bastions verdreven.

Maar vervolgens vragen andere gestaltes van groot kwaad weer des te meer aandacht. Ver af én dichtbij. Buiten en binnen ons eigen leven. Het heeft echt zin om de weg van de Gekruisigde te gedenken én geen blad voor de mond te nemen over de boodschap van Pasen als boodschap van hoop.

bijdrage Protestantse Kerkbode voorjaar 2018

Over het besluit van de synode Protestantse Kerk m.b.t. huwelijksinzegening, 15-11-2018

De synode heeft op 15 november 2018 besloten: de officiële regelgeving van de kerk waarin het woord huwelijk alleen van toepassing is op huwelijken van man en vrouw blijft ongewijzigd. Er is een officiële uitleg aangenomen die zegt dat daarmee geen waardeoordeel wordt uitgesproken over homoseksuelen en hun eventuele huwelijk. Waarmee de weg vrij is voor gemeenten om naar wens zulke huwelijken ook in een trouwdienst in te zegenen. Wie in de praktijk geen onderscheid maakt tussen zegening en inzegening zal niet worden gestraft.
Mooi toch? De Gereformeerde Bond kan zeggen dat de synode de verschillende soorten huwelijk niet gelijk gesteld heeft. En de ‘regenbooggemeenten’ kunnen de vlag uithangen dat de kerk weer een klein stapje verder is gekomen op de lange weg naar volledige gelijkwaardigheid van LHTB-ers (etc.) in de kerk. Want een klein stapje is er wel degelijk gezet.
Het was niet mooi. Procedureel verliep de stemming verwarrend, om niet te zeggen geheel tegen de regels van het huishoudelijk reglement van de synode. Normaliter wordt er eerst over tegenvoorstellen en amendementen gestemd en daarna pas over het oorspronkelijke voorstel (als deze niet zijn aangenomen). Het moderamen had zelf twee voorstellen, geheel ongebruikelijk, en liet nu de stemming over het eigen eerste voorstel voorgaan.
Hoe dan ook: er komt nu dus geen verplichte beraadslaging in de kerkenraden en classicale vergaderingen over een voorstel tot wijziging van de regels. Wel hebben we nu een nieuw fenomeen: de synodale bijsluiter bij de officiële wetsteksten van de kerk. Naast de kerkorde (‘Romeinse artikelen’), de ordinanties en generale regelingen nu ook een afdeling ‘synodale verklaringen ter nadere uitleg’. Die laatste worden door de synode vastgelegd zonder dat deze ‘ter consideratie’ aan de kerkenraden en classicale vergaderingen worden voorgelegd.
De kerkenraden krijgen binnenkort wel een dik pakket met zeer specialistische technische detailwijzigingen in de ordinanties, om de puntjes op de i te zetten wat betreft wijzigingen in verband met wijzigingen over ‘Kerk 2025’.
Heeft het moderamen zich niet teveel gedragen als de moeder die bij dreigend onweer voortdurend roept dat onweer echt heel gevaarlijk is, in plaats van haar onzekere kinderen gerust te stellen door de verwijzing naar bliksemafleiders en andere zekerheden? Trainingen in pastoraat en leiderschap gaan altijd over ‘niet-angstige presentie’. Maar nu voerde krampachtige bezorgdheid de boventoon. Een discussie over een andere tekst over het huwelijk zou het op sommige plekken voor mensen eerder erger dan beter maken. ‘Ik ben bang’ zei ook letterlijk een van de synodeleden die instemde met het moderamenvoorstel, terwijl hij zelf graag homohuwelijken inzegenen wil.
Ik heb Paulus opgevoerd. De Paulus die leiding moest geven in het grootste conflict van de kerk van de eerste eeuw, op de historische tweesprong waar christenen en joden uit elkaar dreven. Hij deed geen water in de wijn bij zijn standpunt van maximale vrijheid op de punten waar het conflict over ging: de besnijdenisverplichting en het wel of niet kosher moeten eten van de nieuwe gelovigen. Hij waste niemand minder dan Petrus de oren die aan deze vrijheid wilde morrelen (lees de brief aan de Galaten). Tegelijk heeft Paulus het principe van gewetensvrijheid en respect voor elkaars geweten geformuleerd dat blijvende ruimte biedt aan ‘zwakken in het geloof’ die een ruime praktijk niet aandurfden, want hij was de apostel van de liefde (lees Romeinen 14). Maar hij liet zich niet intimideren.
Maar in de praktijk hebben gemeenten met hun kerkenraden de ruimte om hun geweten voluit te volgen. ‘Liturgisch is het geen verschil’, zegt de bijsluiter over het onderscheid tussen inzegening van het huwelijk van man en vrouw en de zegening van andere relaties. De omstreden ordinantietekst is in feite onschadelijk gemaakt. Het is nu officieel een dode letter. Sacrosanct maar nietszeggend.

Alternatieve feiten? Over Pasen.

Rond Pasen wordt er in allerlei kerkbladen en christelijke tijdschriften vaak veel drukte gemaakt over de vraag of je de verhalen over het lege graf en Jezus’ opstanding uit de dood letterlijk moet nemen of niet. Ook in 2017, het jaar waarin de woordvoerder van Donald Trump de gevleugelde woorden sprak over ‘alternatieve feiten’ toen de cijfers werden weersproken over een record aantal bezoekers bij zijn inauguratie.

Soms lijkt het wel alsof christenen met hun geloof in een andere wereld leven dan niet-gelovigen. Hebben ze met hun geloof in God, schepping, opstanding en wederkomst of komst van Gods Koninkrijk ook alternatieve feiten op het oog? Vooral in het oog van menige ongelovige is dat zo. Die weet soms precies te vertellen waarin christenen zouden geloven en hij of zij zelf dus niet meer. Maar binnen de kerken is dat bepaald niet eenduidig.
Dit jaar kregen veel voorgangers een tijdje voor Pasen van de Raad van Kerken een prachtig boekje toegestuurd met de titel ‘Opgestaan!’ Een bijzonder initiatief. Het bundelt preken en meditaties van voorgangers uit de lidkerken, vaak vorig jaar gehouden. Het geeft een mooi inkijkje hoe in een belangrijk deel van christelijk Nederland de paasboodschap gepreekt wordt. Verschillende smaken PKN, Rooms-Katholiek, Vrij-evangelisch, Syrisch-orthodox, Quakers, Doopsgezind, Vrijgemaakt, noem maar op.

Ds. Wim Dekker die aan het slot commentaar mag geven, blijkt niet zo gecharmeerd van de verscheidenheid. De wegen gaan nogal ver uiteen. De een preekt over Pasen als een boodschap van eeuwig leven in het hiernamaals. De ander ziet Pasen als de boodschap van een God die bevrijding hier aanbiedt en als een opdracht om wegen tot verzoening te banen, bijvoorbeeld waar het geweld van IS bevolkingsgroepen uit elkaar speelt. Voor de een staat een lijfelijke opstanding van Jezus uit zijn graf als een historische paal boven water. Iemand haalt er zelfs een Britse jurist bij die beweert dat de historische bewijsvoering dat God deze daad gepleegd heeft, voldoet aan moderne eisen van vaststelling van feiten. God zit dan dus in de beklaagdenbank met criminelen die verdacht worden van ontvreemding van een lijk. En zowaar He dit it! In andere kerken hebben de paasverhalen vooral een rijke psychologische en symbolische betekenis. ‘Christenen geloven niet in een soort wonderdadige zombie: een lijk dat weer rondloopt’.
De scheidslijn loopt dwars door allerlei kerkverbanden heen. Orthodoxe protestanten zouden zich volgens Dekker kunnen herkennen in preken van voorgangers in kerken waarvan ze diametraal verschillen wat liturgie betreft of ambtsopvatting. Zelf ervaart hij vervreemding bij preken uit zijn eigen PKN. Volgens hem worstelen ze teveel met het moderne wereldbeeld.

Zelf zag ik dat anders. Menig voorganger neemt dat wereldbeeld gelukkig gewoon als vertrekpunt. Mens zijn van je eigen tijd is niet een jas die je even uit kunt doen. En de kerk presenteert dan geen alternatieve feiten over schepping, geschiedenis en toekomst, maar representeert een alternatieve manier van omgaan met de feiten.

Bij mij ging de prijs voor de beste preek naar Joris Vercamman, oud-katholiek aartsbisschop. Hij maakt de neiging om het paasverhaal letterlijk te lezen niet belachelijk. Maar het is een verleiding om korte metten te maken met onze sterfelijkheid middels een buitenaards antwoord. Jezus was juist de belichaming van Gods trouw doordat hij niet wegliep voor de kwetsbaarheid en het lijden. ‘Geloof heeft niet te maken met het al dan niet vinden van een dood lichaam. Geloof begint daar waar mensen wakker geschud worden omdat ze zich bewust worden dat ze door zich te distantiëren van Jezus, God zelf ernstig verraden hebben’. Juist door het aanvaarden van de kwetsbaarheid heen blijkt een God te vinden die trouw blijft en die je verbindt met kwetsbare anderen. ‘Pasen is geen stoplap’.

Kerken moeten vooral ruimte blijven bieden aan verschillende invalshoeken van betekenisgeving. We delen hetzelfde boek met hetzelfde Evangelie. Teksten roepen beelden en voorstellingen op. Maar mensen zijn verschillend. We zitten in verschillende stadia van geestelijke ontwikkeling en je kunt nooit verder springen dan de polsstok van je eigen ontwikkeling en traditie lang is. We moeten omgaan met diversiteit.

Maar het levensbeschouwelijke gesprek zou wél meer mogen plaatsvinden. Catechese en andere ontmoetingen rondom de Bijbel om dieper op vragen van interpretatie in te gaan zijn schaars geworden. Jongeren, en zij niet alleen, willen hapklare brokken en snelle antwoorden op vragen die in feite behoren tot de categorie trage vragen. Maar op vragen over dood en leven, zin en hoop en God is het antwoord nu eenmaal niet simplistisch.
Die levensbeschouwelijke antwoorden zijn niet los van een praktijk verkrijgbaar. Feit is dat de paasboodschap nu al twintig eeuwen verbonden is met christendom. En dat is vooral ook een praktijk van vieren, liturgie, gebed, diaconale en pastorale zorg, inzet voor humaniteit. Er is en wordt nog steeds wel wat teweeg gebracht! Toch alternatieve feiten. Tevoorschijn gekomen uit de dood van Jezus.

Protestantse Kerkbode, rond Pasen 2017

Eens zei ik ja, tegen iemand – of iets. Over belijdenis gedenken

Dag Hammarskjöld riep op Pinksteren 1961, kort voor zijn onverwachte dood, voor zichzelf in herinnering hoe zijn geestelijke weg ooit begonnen was met een ja-woord. Vanaf dat moment had zijn leven zin en wist hij van een doel. Het antwoord van geloof was gaan functioneren als een Ariadnedraad door het labyrint van het leven.

De Veertigdagentijd en de afsluitende paasnachtviering zijn een uitgelezen moment om ook terug te gaan naar ons eigen ja-woord. Duitse protestanten kennen daarvoor een soort kerkelijke variant op ‘Klasgenoten’. Jaren geleden raakte ik zappend met de afstandsbediening in een kerkdienst op een Duitse tv-zender verzeild. Ik verbaasde me. De camera gleed langs stijfvolle banken, ook op de galerijen. Alleen maar grijze hoofden, allemaal mensen van dezelfde leeftijd. Het bleek om een ‘Konfirmationsgedächtnisfeier’ te gaan. Informatie op internet toont hier en daar foto’s van groepen ‘Konfirmanden’ van toen, naast intussen wat kleinere groepsfoto’s van een reünie ter gelegenheid van het 50-, 55- of 60-jarige jubileum. Gemeentes houden kennelijk jaarlijks ergens in de Veertig Dagen zo’n gedachtenisweekend. Niet alleen voor wie het gouden of diamanten jubileum van zijn of haar belijdenis te vieren heeft, ook voor zilveren (25 jaar) en ijzeren (10 jaar) jubilarissen. Hier en daar houdt men in een weekend dan wel drie kerkdiensten om met iedereen ‘opnieuw Gods zegen te ontvangen en het Avondmaal te vieren’.

Zo’n gezamenlijk moment van terugblikken op je geloofsbelijdenis zal best waardevol zijn. Zoals een huwelijksjubileum verdieping kan brengen. Het kan een aanleiding zijn om je te binnen te brengen waardoor je bij elkaar gebleven bent. Je staat met verwondering stil bij de kleefkracht van wat je ooit in elkaar gezien had terwijl je zogenaamd nog maar jong en onbezonnen was.

Ergens aan een koffietafel met wat ouderen om me heen raakten we aan de praat over herinneringen aan onze belijdenis. Een echtpaar tegenover mij bleek het vormsel te hebben gekregen, rond het verlaten van de lagere school. Zij wist er niets meer van, hij wel. Een ander stel had elkaar ontmoet bij de voorbereiding op de doop door onderdompeling in een baptistengemeente. Later waren ze samen Hervormd geworden. Een vrouw was op latere leeftijd door doop toegetreden tot de Doopsgezinde gemeente. Ja, ze herlas nog wel eens de belijdenis die ze toen had geschreven. Op de dag zelf had het keihard geregend toen ze naar de kerk ging. ‘God heeft me zelf al gedoopt’, was er toen door haar heen gegaan. Ook die gedachte was haar altijd bijgebleven. We hadden even een mooie ontmoeting.

Onze kerkelijke ledenadministraties zijn niet ingericht op het oproepen van groepen van zo lang geleden. En zou ik zitten te wachten op een reünie van de catechisatiegroep van toen ik 18 was? Het contact was maar kortstondig. Die Duitse Konfirmanden waren misschien ook jaren elkaars klas- en dorpsgenoten geweest, maar mijn groepje van toen was een samenraapsel van studenten op kamers en ‘gewone’ stedelingen. Maar binnenkort is het veertig jaar geleden. En als we straks in de Paaswake stil staan bij onze doop en de geloofsbelijdenis opnieuw beamen zet ik er in gedachten een mooi lijstje omheen. Accenten zijn in de loop der jaren veranderd, stelligheden van toen afgezwakt, andere beseffen juist steeds sterker geworden. Hammerskjold schreef dat hij niet precies wist tegen wie of wat hij ja zei, want geloofstaal blijft altijd taal over een geheimenis ‘bij benadering’. Maar inderdaad: je kreeg een kostbare draad te pakken!

Onze kerkleiding is de afgelopen jaren het belang van een jaarlijkse doopgedachtenis zwaar gaan beklemtonen in verband met discussies over de kinderdoop. Maar van die doop herinneren de meesten zich niets. We kunnen wel uit persoonlijke herinnering gedenken hoe ons eigen antwoord wakker geroepen is. En in de paasnachtviering hernieuwen we vooral ook dat antwoord. Met de kennis en het inzicht van nu, in de omstandigheden van nu. Geloof, hoop en liefde krijgen er jaarringen bij. En in aansluiting op oude tradities doen we dan misschien ook aan ‘verzaking van de duivel’ in eigentijdse taal. We leggen gemeenschappelijk de gelofte af dat we zullen strijden tegen krachten van buiten en binnen die het kostbare geschenk van het leven beschadigen. Voor de tijd die we mogen krijgen. Samen. Je mag in anderen hetzelfde ‘ja’ terug zien en terug horen. Je staat er niet alleen voor.

Protestantse Kerkbode voorjaar 2017

 


Flirten met Rome. Hertrouwen?

Poetsen we ter gelegenheid van 500 jaar protestantisme de verschillen weer eens op tussen protestants en rooms? Het kan ook een aanleiding zijn om samen het kleiner worden van de verschillen te vieren. Het motto zou kunnen zijn: niet nog eens 500 jaar scheiding. Protestanten zijn in elk geval stevig aan het flirten. Wordt het hertrouwen?

In een halve eeuw kan er veel veranderen. In het dorp van mijn vroege jeugd stond ook een grote Rooms-katholieke kerk. We hoorden de klokken luiden en zagen elkaar naar de kerk gaan. We zagen de versieringen op het kerkhof op Allerzielen. Alles was gescheiden: kerk, school en politiek. Alleen de burgemeester verwelkomen deden de pastoor en de dominee samen. Mijn buurjongetje had thuis tv, ik niet. Een reden om vriendjes te zijn. Zo maakte ik al vroeg kennis met een andere spiritualiteit. Mijn vriendje kon uit zijn hoofd een veel langer gebed bidden dan ik. Maria kwam er in voor. Er brandde altijd een rood lampje voor haar beeld.

De lijst van ‘Roomse’ verschijnselen die intussen hun intrede hebben gedaan in menige protestantse kerkdienst is lang. Samen hardop het Onze Vader bidden, bloemen in de kerk, een paaskaars en andere kaarsen, liturgische beurtspraak en gezongen responsies, een leesrooster met meerdere lezingen in plaats van maar één naar de willekeur van de dominee, liturgische kleuren, Aswoensdag, Veertig Dagen, paaswake, lichte liturgische gewaden in plaats van de zwarte geleerdentoga met baret. En kloosterbezoeken en retraites vormen onderdeel van menig activiteitenprogramma naast meditatieve vieringen met vooral stilte, gebed en kaarslicht.

Overigens kwamen deze veranderingen eerder voort uit toenadering van de calvinisten tot de lutheranen en uit bewondering voor de Anglicaanse kerk dan uit invloed van de paus. Anglicanen en lutheranen hebben minder gebroken met liturgische en spirituele tradities dan calvinisten, maar wel met zaken als het verplicht ongehuwde priesterschap, het pauselijk gezag en de kloosterordes.

Niet alle protestanten gingen flirten. In traditionele reformatorische gemeentes tref je nog geen bloem in de kerk aan. En wie zich evangelisch of baptist noemt, doet ook echt niet aan al die liturgische ‘fratsen’. Maar juist uit de hoek van de kleine gereformeerde kerken komt het boekje Flirten met Rome. Almatine Leene is vrijgemaakt-gereformeerd, predikant in Stellenbosch (ZA). Ze had eerder dit jaar een aandeel aan onze provinciale viering van 500 jaar protestantisme. In haar boekje uitten een aantal prominente protestanten hun bewondering voor Roomse zaken.
Andries Knevel is dus weg van paus Franciscus. Theologe Ciska Stark raakt echt ontroerd van de toewijding van de bedevaartgangers in Lourdes. Herman de Vries doet aan Mariadevotie en betoogt dat protestanten hun misverstanden over de betekenis van beelden in de kerk echt kunnen opruimen. Hans Kronenburg heeft steekhoudende argumenten voor het bisschoppelijke element in de kerk. Het gereformeerde ambtssysteem is wel democratisch, maar soms ook heel traag en stroperig. Het gaf en geeft nogal eens aanleiding tot heel onverkwikkelijke machtsstrijd om de meerderheid te halen. Een geestelijke supervisor in de regio betekent kansen voor minder verdeeldheid en meer eenheid met de Kerk met een grote K. En Rien van den Berg, predikant en journalist, is bijna niet te houden om het klooster in te gaan, geraakt door alle ontmoetingen met geestelijken en gelovigen. ‘Luisterend leven’ is voor hem de boodschap van de katholieke traditie. Protestanten praten teveel, redeneren teveel en willen alles kunnen snappen.

Het gaat dus om veel meer dan gevoel hebben voor kaarsen, gebrandschilderde ramen of de gregoriaanse mis van Herman Finkers. ‘Rome’ maakt nieuwsgierig door een toegevoegde waarde die zich niet eenvoudig op de staart laat trappen.  Ethicus Theo de Boer probeert het door een terugblik op de protestantse inbreng in debatten over euthanasie, nu weer actueel in verband met ‘voltooid leven’. Protestanten zwaaien graag met het grote gebod van de naastenliefde, maar waaien vervolgens dan gemakkelijk met de tijdgeest mee, terwijl de conservatieven onder hen blijven steken in Bijbelteksten. De katholieke ethiek steekt eerder in bij vastliggende waarden. En waarden zijn beter herkenbaar voor niet-gelovigen dan losse Bijbelteksten. Terwijl het bovendien geen kwaad kan om ook meer te geloven in het vastliggen van die waarden. Net zoals je feiten ook maar zo niet opzij wilt laten schuiven door ‘alternatieve feiten’.

De protestantse klik gaat zo dus over eerbied voor traditie, voor wat anderen vòòr je hebben gedaan en bedacht, ontdekt en opgeschreven. ‘Voor de gelovige katholiek is de verbinding met de kerk en het geloof meer een kwestie van invoegen in traditie van gebed en gemeenschap dan van zelf creëren, belijden en beamen’, aldus vat Ciska Stark samen. Amen. Het gebed mag dan écht wel uit een boekje komen en van papier worden voorgelezen. Geen angst voor ‘geheimtaal’ in de liturgie en voor een bisschoppelijk figuur in elke classis. En Maria in huis? Dan natuurlijk ook een heel stel andere geloofsgetuigen als heiligen die helpen om tot God te komen. Franciscus, Teresia, Bonhoeffer. En op het jaarprogramma een aanbod van pelgrimagereizen naar plekken waar het heilige ‘gebeurt’, zoals Andries Knevel met verbazing constateert in Assisi. Misschien wel samen met andere gemeentes, met hulp van de ‘bisschop’, de classispredikant.

Gaan we ooit weer trouwen? De consecratie in de mis die brood en wijn écht verandert in lichaam en bloed van Christus is niet het voornaamste knelpunt. Wel de mannenmacht, het gebrek aan democratie, het celibaat, het eenhoofdige pausdom. Maar in Rome schijnt er tegenwoordig een Lutherstraat te zijn. Wie weet. Zij die geloven haasten niet.

(Prot. kerkbode zomer 2017)

 

Eucharistische kwaliteit

Hoeveel betekent het Avondmaal vieren voor ons? Uit respect voor de  traditie en de Bijbel houden we het in ere. Avondmaalszilver wordt gekoesterd. Diakenen omgeven vieringen met gepaste zorg. Voorgangers putten uit een rijkdom aan teksten en muziek voor de liturgie. Voor een bezinning over het vieren en het beleven ervan vindt de kerkenraad met een beetje geluk af en toe wel enthousiastelingen. Gaan we binnenkort een ophoging van de frequentie en een intensivering van de Avondmaalsbeleving meemaken?

Onze kerkleiding hoopt erop. In 2016 werd het Avondmaal speerpunt van beleid. Er werd een synodezitting aan gewijd, waarbij mooie gesprekken ontstonden. Scriba de Reuver twitterde over allerlei initiatieven rond het thema. De scheidende hoogleraar Jan Muis schreef een heldere en toegankelijke brochure over het wezen en de betekenis van het Avondmaal. Kerkenraden worden gestimuleerd om hiermee aan de slag te gaan in de gemeente.

Ja, voor menigeen is het Avondmaal speciaal. Laat het maar bijzonder blijven, zeggen ze dan. Spelen herinneringen nog een rol aan tijden dat de noodzaak van plechtige eerbied tot te grote hoogte was opgevoerd? Nauwelijks. Maar als je elke dag luxe dineert is het al gauw niet bijzonder meer. Een protestant vreest onnadenkendheid als het afhalen van het ouweltje bij de voorganger een wekelijkse routine zou zijn. Soms tonen we ons wel gevoelig voor de bevreemding van Rooms-Katholieke zijde dat het Avondmaal bij ons slechts incidenteel wordt gevierd, op een paar grote-stadskerken na. ‘Calvijn wilde eigenlijk ook een wekelijkse viering’. Maar dit schuldgevoel ebt meestal gauw weer weg.

In geheel van het christendom zijn we als protestanten een uitzondering. In alle oudere  takken van de christenheid is een kerkdienst zonder de eucharistie ondenkbaar.  Ook Luther dacht niet anders. Voor de leer dat Christus écht ontmoet wordt in brood en wijn ging hij ‘vol op het orgel’. Maar de Reformatie bracht wel een verschuiving naar de verkondiging als brandpunt van ontmoeting met God. Intussen zijn we wel weer gevoeliger geworden voor de betekenis van liturgie, muziek en symbolen dan onze gereformeerde voorvaderen. Maar van lange tijd geen Avondmaal zal menigeen niet gauw het gevoel krijgen van geestelijk droogstand.

Vanuit de Bijbel gezien heeft de Maaltijd van de Heer een veelheid van betekenissen, zeker als we ook het Oude Testament laten meeklinken: Abraham die brood en wijn krijgt van Melchizedek, Pesach bij de Sinaï, de profetendroom over een Maaltijd van de volkeren. Teveel om alles tegelijk te beleven: hartversterking voor ‘onderweg’, een feestelijk pauzemoment, viering van het Geheim van de liefde, zegening met vrede, voorsmaak van eeuwigheid, genieten van wat aarde en arbeid opbrengen, middelen van bestaan delen, lijden en verlossing uit lijden gedenken, het offer van Een vieren en de offers van anderen, vergeving, vriendschap, vrijheid.

Maar die betekenissen kunnen ook op andere manieren beleefd worden. En dat moet ook. Discussies over het Avondmaal kosten soms veel energie die weinig oplevert. Het gevaar is dat we focussen op de vorm, de kwantiteit en de beleving terwijl we een andere vraag uit het oog verliezen. De vraag naar de kwaliteit van ons kerk-zijn als geheel. En of die kwaliteit ook eucharistisch is.

Eucharistie is Grieks voor dankzeggen of lofprijzen. Eucharistische kwaliteit gaat over bidden en zingen, geloven en hopen! En het Avondmaal vieren is niet alleen iets mét symbolen, het is zelf symbool voor wat kerkzijn is. Dan gaat het in het bijzonder ook over mededeelzaamheid met de geschonken gaven, zowel de materiële als de geestelijke. Over niemand te kort laten komen.

Menige gemeente houdt tegenwoordig allerlei laagdrempelige maaltijdontmoetingen. Samen eten en drinken is van gemeentezondag tot einde-seizoens-borrel in die van mij in elk geval een belangrijk bindmiddel. Verder is participeren in vrijwilligerswerk aan de arme kant en de voedselbank voor velen een belangrijke doordeweekse activiteit. We zijn een ‘groene’ kerk. We hebben hartelijke pastorale ontmoetingen. En we vieren Avondmaal, in verschillende vormen, een keer of zes per jaar. Maar dat laatste is dus niet per se de graadmeter voor onze eucharistische kwaliteit!

Op de lijstjes succesfactoren van nieuwe kerkelijke initiatieven gaat het ook veel over zulke dingen: echte persoonlijke ontmoetingen, diaconaal delen. Zelden over Avondmaal vieren. Delen en ontmoeten zijn denk ik de sleutelwoorden die voor verbinding kunnen zorgen tussen het een en het ander: de liturgie en de diaconale inzet voor anderen, de pastorale zorg voor elkaar. Symbolisch delen heeft alleen zin in verbinding met daadwerkelijk delen.

Maar dan kan het een het ander versterken. Zeker als we ook onze vaste routines af en toe eens creatief durven te doorbreken. Een van mijn onvergetelijke Avondmaalsmomenten? Het was een paar jaar geleden op een Duitse protestantse Kirchentag. Een viering ter nagedachtenis aan het werk van theologe Dorothee Sölle, bij leven een belangrijke inspirator voor dit tweejaarlijkse evenement.  Honderden mensen in een grote jaarbeurshal. Mooie woorden. Een puike band maakte de liederen smaakvol tot meezingers. Er werd ook brood gedeeld. Maar vervolgens werden we uitgenodigd om onze zitjes (van karton) te draaien en even de ontmoeting aan te gaan met onze naaste buren, allemaal wildvreemd voor elkaar. Er gingen mandjes rond met wortel en komkommer en flesjes water voor iedereen. Het levendige geroezemoes werd weer stil toen tenslotte de wijn rondging. Het knisperde van een mooie energie!

(Prot. kerkbode zomer 2017)

Nog een keer Kuitert (1924-2017)

Vorige maand is Harry Kuitert overleden. De invloedrijkste theoloog van ons vaderland in de afgelopen eeuw, zo overdreef ‘Trouw’. Decennia lang heeft hij een stevig stempel gedrukt op debatten over de kerk en het christelijk geloof. Ook ver buiten zijn eigen kerkgenootschap. Hij was een van ‘de Achttien’ die begin jaren ’60 het startschot gaven voor het Samen-op-Weg-proces. Veel van zijn boeken werden bestsellers. Maar nog bij zijn leven werd Kuitert ook al als ‘passé’ beschouwd. Of was dat misschien te voorbarig?

Broodnodige vernieuwer
Ergens begin jaren’ 70 was er flink gekrakeel in de familie. Ooms en tantes waren het onderling duidelijk niet eens. Het kwam door Kuiterts boekjes ‘Verstaat gij wat gij leest?’ en ‘Zonder geloof vaart niemand wel’. De discussie ging langs me heen. Maar het is wel tekenend. Wij waren hervormd. Kuitert hielp niet alleen zijn eigen gereformeerden de deur open te zetten naar een ‘liberale’ omgang met het erfgoed van de geloofstraditie. Ook hervormden konden de debatten over geloof fervent en fel voeren. Je bent principieel of je bent geen christen! Het was de tijd dat het Reformatorisch Dagblad werd opgericht en dat de Evangelische Omroep iedereen verzamelde die tegen het nieuwe Liedboek (1973) was en tegen evolutieleer, euthanasie, abortus en vrouwen in het ambt. En dus ook tegen nieuwe theologie. Kuitert had al vele jaren eerder zijn eerste ijsje op zondag gekocht en later de tv-kijker kennis laten maken met progressieve theologen als Dorothee Sölle die in Duitsland politieke avondgebeden hield tegen de wapenwedloop en de oorlog in Vietnam en de kolonels in Zuid-Amerika. De grote veranderingen van de jaren ’60 konden niet aan de kerk voorbijgaan. Kuitert hielp om de zwarte streepjesbroek uit te trekken. Met frisse taal en een pakkende manier van schrijven ging hij voorop in een vrije omgang met de traditie.

Politiek is niet alles
Eenmaal benoemd aan de Amsterdamse Vrije Universiteit voor onderwijs in de ethiek nam hij het op voor de verruiming van de euthanasiewetgeving. Mondigheid en zelfbeslissingsrecht konden voor een christen niet langer taboe zijn. We beïnvloedden steeds meer zelf de kwaliteit en de lengte van het leven. Wat is er nog ‘natuurlijk’ aan de dood? De titel van een ander boek op het terrein van de ethiek werd een gevleugelde zin: ‘Alles is politiek, maar politiek is niet alles’. Daarmee streek Kuitert tegen andere haren in, nu vooral ter linkerzijde. Er vloeit niet maar zo één voor iedereen geldig standpunt uit het geloof voort. En de kerk is er ook nog eens voor andere dimensies van ons leven dan voor de politieke vormgeving van de samenleving. We zaten midden in de kernwapendiscussie die in de gemeenten niet altijd even subtiel gevoerd werd.
En even later deed Kuitert er nog een schepje bovenop door Karl Barth op de korrel te nemen, de grootste theoloog van de twintigste eeuw. In de leer van Barth worden onze menselijke gedachten over God uiteindelijk door God zelf ingegeven. Kuitert vond dat de christen-socialisten, die zich graag op Barth beriepen, daar maar erg onverdraagzaam van werden.

Alles is van beneden
De rode draad van zijn werk zit al verpakt in de titel van zijn proefschrift: ‘De mensvormigheid Gods’. Zijn beroemdste zin werd ‘Alle spreken over Boven komt van beneden’. Alle theologie, alle voorstellingen over God en zijn wegen met mensen, alle beeldvorming over de hemel is mensenwerk. Een volwassen gelovige ‘heeft het Sinterklaaspak op zolder zien hangen’. Dat was niet cynisch bedoeld. Integendeel. En voor meer dan één generatie protestanten heeft het bevrijdend gewerkt. Religie is een menselijke aangelegenheid. Het is aan zingeving doen. Het pakket rituelen, praktijken en overtuigingen dat we uit de traditie ontvangen en na wijziging en hergebruik doorgeven is een ‘zoekontwerp’. We zoeken er wegen door het leven mee, we geven of ontdekken zin en beleven daarin misschien ‘God’. En Kuitert nam de vrijheid om heel wat voorstellingen kritisch onder de loep te nemen. ‘Het Algemeen Betwijfeld Christelijk Geloof’ kreeg een herziening (1992), gevolgd door een stevige opfrisbeurt van de leer over Jezus, de christologie (1998). Maar bij elk volgend boek van de emeritus hoogleraar bleef er wel steeds minder over van de klassieke voorstellingen. Het werd ‘boven’ steeds stiller. ‘De verbeeldingswereld van de christelijke religie is failliet’ luidde zijn conclusie in 2002. Maar niet getreurd, de mens is heel goed in staat om woorden te vinden die hem en haar helpen om zinvol en waardevol te leven en in vrede te sterven. En dichters werden in Kuiterts boeken de belangrijkste bondgenoten op weg naar de onvermijdelijke dood.

Andere afslag
Een columnist verbaasde zich erover dat er na Kuitert nog steeds kerken zijn. Hij had iedereen toch voorgerekend hoe het met God zat? Dus! Maar je kunt ook een andere afslag nemen op de weg die hij had uitgetekend voor geloof en religie. Kuitert heeft de secularisatie beleefd als een onvermijdelijke Beeldenstorm en er ook aan meegedaan. Maar na alle kaalslag kwam er meer behoefte aan een omgekeerde beweging: een herwaardering van de teksten, de rituelen en symbolen, de gebeden en de muziek uit de héle christelijke traditie en ook uit andere religies. Juist omdat ze ‘mythisch-religieus’ zijn, God zij dank. Het wiel van zingeving hoeft niet steeds opnieuw te worden uitgevonden. En zo hebben we de Bijbel op de Zuid-as, tegen Pasen ‘The Passion’ op grote stadspleinen, pop-up-kerken en prominenten die openlijk flirten met God. Want over ‘Boven’ valt veel te zeggen, te zingen, te vieren en te verbeelden.

(bijdrage Prot. Kerkbode, oktober 2017)

Opstanding voor nog een oordeel

Rond het einde van het kerkelijk jaar viert de Kerk vanouds de ‘laatste dingen’. De oude geloofsbelijdenissen spreken over opstanding der doden, laatste oordeel, eeuwig leven, nieuwe hemel en nieuwe aarde. Voor veel mensen zijn deze beelden totaal betekenisloos. Toch gaan ze ergens over.

Boedapest
Het gebeurde ergens eind jaren ’80 in Boedapest, de hoofdstad van Hongarije, toen het IJzeren Gordijn werd opgetrokken dat Europa in twee delen had opgeknipt. Ruim dertig jaar ervoor, in 1956, was in dat land de opstand tegen het toenmalige communistische regime bloedig neergeslagen. De slachtoffers waren ergens achteraf roemloos begraven. Maar nu na de machtswisseling vond er een bijzondere plechtigheid plaats. Niet alleen werden de omgekomen slachtoffers van toen daarbij naam voor naam publiekelijk genoemd en geëerd. De lichamen waren ook uit hun graven gehaald om nu plechtig met statie te worden herbegraven.
Het was toen maar een klein krantenberichtje, geen voorpaginanieuws. Maar zou het kunnen zijn dat in zo’n gebeurtenis waarheid werd wat we volgens het christelijk geloof belijden als ‘wederopstanding van de doden’ en een laatste oordeel? Doden kwamen letterlijk uit hun graf in het kader van een nieuwe beoordeling. In plaats van als staatsgevaarlijke criminelen werden ze als nog geëerd als helden, tot troost van hun nabestaanden omdat er nu eindelijk recht gedaan werd aan de slachtoffers van 1956. Is dit niet wat we van God hopen, dat Hij komt om recht te doen en recht te zetten?
Ik deelde deze gedachte met mijn gemeente van toen. Maar het gaf verwarring. Is opstanding der doden niet méér? Of trekken we de aardse werkelijkheid en Gods werkelijkheid misschien soms te ver uit elkaar, zodat de geschiedenis hier en nu dan vooral het toneel is van ons menselijk handelen, en Gods handelen dan iets is voor ver weg in de toekomst. Maar door de laatste dingen heel ‘groot’ te maken, worden ze tegelijk te groot voor hier en nu. Ze blijven ver weg.

Het belangrijkste bedrijf van de tragedie
Over toneel gesproken: een van de lichtvoetige gedichten van de Poolse dichteres Szymborska heet ‘Theaterimpressies’. Wijlen de theoloog Gerrit de Kruyff hoorde ik ooit werk van haar voorlezen. Ik had nog nooit van haar gehoord. Ze vermaakt zich in dit gedicht over wat er in het theater gebeurt als het toneelstuk is afgelopen. Alle acteurs komen dan namelijk nog een keer opdraven om het applaus in ontvangst te nemen. ‘Het belangrijkste bedrijf van de tragedie’. Ze verbaast zich over de gestorvenen uit het eerste en tweede bedrijf die nu in ganzenpas weer binnenkomen. Een zelfmoordenares maakt een réverence. Een strop om de hals is weer losgemaakt. Slachtoffer en beul staan broederlijk naast elkaar, evenals de rebel en de tiran.
‘De wondere terugkeer van hen die spoorloos waren verdwenen.
Het idee dat ze achter de coulissen geduldig hebben gewacht,
zonder hun kostuum uit te trekken
zonder hun schmink af te wassen
ontroert me meer dan welke tragische tirade ook.’
En dan tenslotte het vallen van het doek! Door een spleet is nog te zien hoe een hand reikt naar een gevallen bloem en een andere naar een zwaard. De laatste zin is dat ze voelt dat haar keel wordt dichtgeknepen. Ontroering?
Szymborska staat niet te boek als een religieuze dichteres. Haar gedichten spelen wel vaak met de gedachte aan de dood en de eindigheid van het leven. Ook hier. Eens valt het doek. Over ons en over ons stukje geschiedenis. En het is maar goed ook, als het doek valt over onrecht, haat en historische gruwelijkheden. Helemaal mooi als er dan eerst onrecht is teruggedraaid. Als er verzoening tot stand gekomen is tussen daders en slachtoffers. Het grijpt haar naar de keel.

Hoop en verwachting voor levenden en doden
In het kerkelijk jaar volgt op de zondag(en) van de Voleinding de adventstijd. Ze horen bij elkaar. Het kerkelijk jaar heeft daardoor eigenlijk geen begin of einde. Het is een cyclus. Aan begin en einde gaat het om dezelfde verwachting. Maar de Toekomende is ook al op ons toe gekomen en blijft graag tegemoet-komend. Voor levenden en doden.
In het spoor van de Lutherse traditie vieren we de laatste zondag van het kerkelijk jaar veelal als Eeuwigheidszondag om de overleden gemeenteleden te herdenken. Het is de uitdaging om samen onze doden samen recht te doen. Kunnen we ze zien in het licht van Gods oordeel met maatstaven van rechtvaardigheid én vergevende barmhartigheid, hoger dan onze vaak beperkte maatstaven? Het gedenken kan pijn oprakelen. Misschien hebben ze missers achtergelaten die niet zijn opgelost. Misschien hebben ze veel moeten missen. Misschien worden ze erg gemist. Kunnen we ze toch los laten, kwijt raken aan de Eeuwige?
Zelf beluister ik in deze tijd van het jaar graag Requiem-muziek. Heel wat grote componisten hebben de laatste eeuwen de mooiste muziek geschreven bij de oude liturgische teksten over de Dag des Oordeels en de Eeuwige rust. Vaak waren ze zelf helemaal niet zo religieus meer. Alsof ze desondanks ook vinden dat het niet waar kan zijn dat alleen maar duister, dood en vergetelheid het laatste woord hebben over ons leven. Misschien is het de hoop zoals Peer Verhoeven die terughoudend verwoordt in lied 736: ‘dat ons schreien ons lachen ergens toe leidt, – onze liefde stoelt op Iemand. Dat zij die ons zijn voorgegaan zijn in het licht, rusten in vrede.’

(bijdrage Protestantse Kerkbode 129/47, 25 nov. 2017)

Raam was al open

(oorspronkelijke tekst ingezonden reactie Trouw 8 juni 2017)

Wat een treurig beeld schetste hoofdredacteur Cees van der Laan zaterdag 3 juni​ ​van kerkelijke gelovigen. Het is het beeld van een eilandje waarop ze zichzelf teruggetrokken hebben terwijl de zeespiegel alsmaar verder stijgt. Ze ‘zien de wereld om zich heen seculariseren, ze zien hun vertrouwde wereld kleiner worden.’ En alsof dat nog niet erg genoeg is komen dan ook nog eens ‘de theologen, de geestelijke leiders, van binnenuit een steen door de kerkramen gooien’. Met hulp van de krant natuurlijk, want Van der Laan ziet het als zijn roeping om een platform voor nieuwe idee​ën te bieden.
Van der Laan gebruikt ondertussen De Lange met zijn schrijfsel over hemel en eeuwigheidsbeleving voor een eigen agenda. De Lange gooide helemaal niet agressief een steen door de ruit. Hij schreef in de wij-vorm. En omgekeerd hebben veel gelovigen heus geen hulp van theologen nodig om niet in primitieve idee​ë​n over God en hemel te blijven hangen. Ze hebben ook tv en internet en de kanker en het terrorisme vallen hen soms ook rauw op het dak. De deuren en ramen zijn al open. Velen blijven juist in de kerk omdat er ruimte is voor kritisch nadenken en een persoonlijke spirituele zoektocht. En als ze dan wat langer vrijmoedig op hun fantasie blijven leunen dan de geharnaste athe​ï​sten heeft dat niets met conservatisme te maken.