Franciscus van Assisi – 1181 of 1182 Assisi  –  4 oktober 1226 Portiuncola

Waar armoede is met blijdschap, daar is geen begerigheid en hebzucht

Franz_von_Assisi

 

 

Vlak na de zonsondergang van 3 oktober 1226 blies Franciscus zijn laatste adem uit. Naaste broeders waren erbij, evenals zijn weldoenster Jacoba, net uit Rome aangekomen met de koekjes die hij lekker vond en met de grijze stof waarin hij begraven zou worden. De zon zag hij al een tijd niet meer door een ernstige oogontsteking. Franciscus had ‘broeder ezel’ behoorlijk afgepeigerd met zijn vele vasten en jarenlange afzien van elke vorm van luxe. Maar tot op het laatst brandde er in dat lichaam een enorme gloed. Onlangs nog was het Zonnelied opgeweld uit het diepst van zijn ziel. Het was direct de ronde gaan doen. Niet alleen zon, maan en sterren, wind en water waren zijn broeders en zusters, maar ook de dood. Zij is de uiteindelijke verlosser van pijn en lijden en brengt je leven tot voltooiing. Overweging van haar nadering leidt je tot goede keuzes.
Buiten kwetterde er luid een troep leeuweriken, alsof zijn favoriete vogels de uittocht van zijn ziel begeleidden. Binnen zagen sommige broeders nu pas voor het eerst zijn stigmata. Franciscus had deze wonden in zijn handen en voeten en in zijn zijde zoveel mogelijk voor anderen verborgen gehouden. Hij had ze sinds een jaar of twee, sinds een visioen in een hut hoog in een bos. Nog nooit eerder was dit iemand overkomen.
Volgens zijn wens werd hij na zijn overlijden eerst enige tijd naakt op de aarde gelegd. Kleren spelen een grote rol in de verhalen over zijn leven. Franciscus was zoon van een lakenkoopman. Twintig jaar eerder had de voormalige playboy publiekelijk al zijn kleren uitgetrokken en teruggegeven aan zijn vader. De jacht op bezit, macht en aanzien was ingeruild voor een huwelijk met Vrouwe Armoede om zich een schat in de hemel te verwerven. In de aanloop naar dat keerpunt had hij al eens van kleren gewisseld met een bedelaar bij de Sint Pieter, net als hij zijn afkeer van melaatsen had overwonnen door er een te omhelzen. En hij was een klein kapelletje gaan repareren, gehoorzaam aan een droom. Franciscus was diep geraakt door een beeld van een gekruisigde Jezus. Sindsdien had hij met niet aflatende energie diens woorden letterlijk nagevolgd: op weg gaan zonder reiszak, zwaard of sandalen, breken met je ouders, altijd groeten met vrede. Duizenden waren in de ban geraakt van de aanstekelijke levensvreugde van deze troubadour. Zijn preken, doorspekt met voorbeelden uit de dierenwereld en soms onderstreept met clowneske capriolen, hadden mensen van alle rangen en standen tot bezinning gebracht. Hij had grote conflicten helpen bijleggen, een hongerige wolf ingetoomd en zelfs bij de sultan van Egypte midden in het strijdrumoer van een kruistocht respect afgedwongen, door  ook deze ‘vijand’ ongewapend tegemoet te treden met zijn vredegroet. De hervormingspaus Innocentius III had zijn roeping erkend. In korte tijd waren er drie ordes ontstaan met nu al duizenden mannen en vrouwen die zijn voorbeeld volgden. Maar Franciscus had ook water in de wijn moeten doen van zijn idealen. De Minderbroeders zouden in stenen gebouwen wonen en over boeken beschikken en zich ook bezig houden met universitaire wetenschap.
Franciscus werd schutspatroon van de ecologische bewustwording en zijn sterfdag werd dierendag geworden. De huidige paus onderstreept alleen al met zijn naam het belang van de totaalboodschap van dit leven ook voor nu.

James O. Fraser – *1886 Saint Albans (GB) – † 25 sept 1938 Baoshan (Yunnan, China)

J O FraserIk ben een ingenieur en ik geloof in dingen die werken. ‘Weersta de duivel’, staat er geschreven. En ik zag dat het werkte.

 Nu het Evangelie in onze samenleving ook weer pionierswerk vraagt, krijgen de oude verhalen van zendingspioniers een nieuwe actualiteit. Ze gaan altijd over geduld, geloof,  toewijding en volharding. Maar ook over het belang van intense en liefdevolle aandacht voor taal en culturele eigenheid van mensen, en wat betreft Fraser ook van gebed en een ‘thuisfront’.

James Fraser staat te boek als een van de succesvolste zendelingen in Oost-Azië. Al op zijn achttiende gaf hij een toekomst als briljant ingenieur, beroemd bergbeklimmer of concertpianist op om zendeling te worden. Vier jaar later trok hij via Hong Kong naar Yunnan, de bergachtige regio van Zuidwest China. Zijn bestemming vond hij hoog in de bergen bij de Lisu, een Tibetaans-Birmese minderheid op de grens van China en Birma met een niet-chinese taal. Hij woonde er in lemen hutten en maakte tochten over de bergkammen. De chaos ten tijde van de Chinese revolutie van 1911 dwong hem tot tijdelijke terugtocht. De eerste jaren leken vruchteloos. Fraser was befaamd om zijn doorzettingskracht als sporter. Maar nu moest hij een geestelijk strijd leveren tegen zijn eigen depressieve gevoelens voor hij anderen uit hun geestelijke duisternis kon halen. Die kon hij niet alleen winnen. Hij organiseerde een ‘thuisfront’ van gebed.

Zes jaar na zijn aankomst kwam er een doorbaak. Er werden in korte tijd 129 families met  600 leden gedoopt. Vervolgens overtuigden deze families anderen om het leven met angst voor geesten (en van veel alcohol en gokken) af te zweren. De belangstelling voor lezen en schrijven groeide nu snel. Voor de taal van de Lisu ontwierp Fraser een alfabet en  een muzieknotatiesysteem. De Lisu waren grote zangers die hun geschiedenis via liederen doorvertelden. Hij droeg zorg voor een Bijbel – te beginnen met het Evangelie van Marcus – een liedboek en catechesemateriaal in hun eigen taal. Dit hielp de Lisu aan een nieuw besef van waardigheid.

Frasers spraakmakende aanpak van de kerkopbouw volgde eenzelfde strakke lijn: met eigen mensen en middelen. Hij trainde autochtone evangelisten. Hij leerde hen eigen fondsen te werven. Geen betaling door het buitenland dus. En de kerkleiding kwam ook zo snel als maar kon in handen van eigen mensen. Het belang van dit eigen-kracht-principe bleek in de tijd van Japanse bezetting, de burgeroorlog en de vervolgingen tijdens de Culturele Revolutie. De aanhang is exponentieel blijven groeien. De bijna 15.000 christenen die de communistische prefectuur in de regio in 1950 registreerden waren in 1995 ondanks gedwongen kerksluiting en werkkampen meer dan vertienvoudigd tot ruim een derde van de Lisu-bevolking. De staat stond nu toe dat er tienduizenden bijbels en liedboeken werden gedrukt. Intussen heeft de kerk wel last van voortdurende armoede, ongeletterdheid, gebrek aan gekwalificeerde evangelisten, de trek naar de steden elders en de ontregelende invloed van toerisme.

Fraser zelf overleed al in 1938. In 1992 erkende de overheid het Fraser alfabet voor de taal van de Lisu. Op zijn grafmonument in Weixi staat ‘hoe liefelijk zijn de voeten van hen die goed nieuws brengen’.

Lambertus van Maastricht – 638? Maastricht – 17 september 705? Luik

Lambertus‘Blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht met alle geduld’ (2 Tim. 4: 2)

Het christendom arriveerde mogelijk al in de vierde eeuw in het zuidelijkste puntje van ons land. Met de heilige Servaas, begraven in Maastricht, begint dan een lijstje bisschoppen met zetel in deze oude Romeinse nederzetting.
Lambertus werd in Maastricht geboren. Hij kwam uit een adellijke familie die daar zijn basis had. Machtsconflicten aan het hof van het Merovingische rijk rond de Frankische koning Childerik II en zijn hofmeiers bepalen zijn levensloop. Toen zijn oom, bisschop Theodardus, kort na 669 werd vermoord, regelden raadslieden van de koning dat Lambertus nu bisschop van Maastricht werd. Lambertus had banden met een van de hofmeiers, maar na de moord op Childerik II in 673 kwam de concurrent aan de macht. Lambertus werd uit zijn ambt gezet en bracht de jaren 674 – 681 als monnik door in de pas opgerichte abdij van Stavelot. Maar in 681 verschoven de machtsverhoudingen weer en kon Lambertus op zijn zetel terugkeren.
In 691 kwam Willibrord uit Engeland naar de Lage Landen om het Evangelie te verkondigen.  Lambertus moet in zijn gezelschap in het huidige Noord-Brabant hebben rondgepredikt. Verschillende kerken dragen er zijn naam.
In de volgende fase van de conflicten maakte familie van Lambertus zich schuldig aan moord. In een wraakactie werd Lambertus op zijn landgoed, de Gallo-Romeinse villa van waaruit enige tijd later Luik zou ontstaan, om het leven gebracht. De officiële kerkelijke versie ziet Lambertus als een martelaar voor het geloof vanwege zijn verdediging van de huwelijkstrouw. Hij zou een verbintenis van hofmeier Pepijn van Herstal met minnares Alpaida, de moeder van Karel Martel, aan de kaak hebben gesteld. Meteen werd Lambertus als martelaar vereerd. Hij werd eerst in Maastricht begraven, maar zijn opvolger Hubertus, een beschermeling van Pepijn en Alpaida, verplaatste de bisschopszetel naar Luik en liet Lambertus’ overblijfselen ook overbrengen. Een nieuwe bisschopszetel had zijn eigen heilige nodig. Een teken van berouw dat Lambertus daarvoor mocht dienen?
Zijn naam betekent ‘hij die glanst’. Sint Lambertus kreeg als attribuut een lans. Hij zou in een omgeving vol geweld en moord ‘vorstelijk in zijn optreden en voornaam in de omgang’ zijn geweest. Volgens een legende had hij als jonge misdienaar toen hij het wierookvat niet kon vinden, de gloeiende kooltjes in zijn koorhemd genomen zonder dat het verschroeide of hij zich brandde. Commentaar van Anselm Grün: hij was niet bang voor gloeiende kolen en hete hangijzers. Door voor moeilijke problemen weg te duiken lossen we niets op. Door ze aan te pakken kan er wierooklucht opstijgen.

Nicolaas Adriani – 15 sept 1865 Oud-Loosdrecht – 1 mei 1926 Poso (Ned. Indië)

Nicolaas AdrianiHet Christendom vernieuwt de Heidensche maatschappij ook in dezen zin, dat het nieuw leven geeft aan die gewoonten en gebruiken, die zich laten bezielen door nieuwe gedachten

Toeristische tv-programma’s willen culturen met veel kralen, volksdansen, vreemde soepjes en geurige dampen in rieten hutten nogal eens idealiseren. In ‘de eeuw van de zending’ keek men daar toch wat anders tegen aan. In 1895 arriveerde de taalgeleerde Nicolaas Adriani met zijn pas getrouwde vrouw en deskundig medewerkster Maria Gunning arriveerde in Poso, om daar voor het Nederlands Bijbelgenootschap te gaan werken met het zendingsechtpaar Kruyt. Deze streek van Celebes/Sulawesi stond nog niet onder Nederlands gezag. Er werd nog aan koppensnellen gedaan, stammenoorlog, heksenmoord, rituele verminking en slavernij. Het koloniale gezag zou er snel het oog op slaan vanwege de bodemschatten. De zending was er al, op zoek naar kansen voor de boodschap van het Evangelie.
Adriani wordt vaak in één adem genoemd met A. C. Kruyt. Twee grote pioniers van de protestantse zending in Nederlands-Indië. Hij was vooral de taalgeleerde, Kruyt de missionaris. Taal fascineerde hem al jong. Van Amsterdamse dialecten tot moderne poëzie en klassieke literaire werken. Hij ging Indonesische taal en letterkunde studeren, met een loopbaan in het verschiet bij het Bijbelgenootschap. Tijdens zijn studie had ‘de verborgen omgang met Christus’ leren kennen.
Bijbelvertaalwerk kon niet ‘zonder werkelijk deel te nemen aan het leven der Inlanders in hunne maatschappij’. Met zijn vrouw leefde hij dus tussen de Toraja’s. Pionieren betekende gevaarlijke reizen, ontberingen, ziektes, omgaan met tegenstand van bevolking, soms gedwongen verhuizing, confrontatie met bendes. Ze gingen tot diep in het oerwoud, maar ook diep in de cultuur van de Minehasa, hun verhalen, rituelen. Ging het vooral om het Bare’e, een ongeschreven taal met tientallen streekvarianten, hij begeleidde ook taalprojecten van anderen, gaf les aan zendingsarbeiders en taaladvies aan het Nederlandse gouvernement. Gebaseerd op heel gedetailleerd onderzoek kwamen er grammatica’s, verhalenverzamelingen, woordenboeken, gezaghebbende publicaties over talen en culturen van Celebes tot stand. In zijn Bijbelvertaalwerk gebruikte hij soms totaal andere beelden dan in de oorspronkelijke tekst. Zijn werk heeft discussies over vertaalwerk decennia lang diepgaand beïnvloed.
Pas toen de Toraja’s in de jaren 1906-1909 aan dat gouvernement waren onderworpen geraakt kwamen ook de eerste dopelingen. Adriani zag wel dat de zending het verzet tegen het koloniaal gezag had verzwakt, maar was niet tegen dat gezag, mits het zich liet corrigeren in haar neiging tot ondoordachte en abrupte ingrepen in de cultuur. Hij bepleitte de zending onder aniministische volken ook om hen te behoeden voor islamisering.
Van jongsaf had hij met veel gezondheidskwalen te maken. Om niet te veel te hoeven reizen voor schoolbezoek had hij bij een oom in huis gewoond. Later onderging hij twee maagoperaties, zonder veel succes. In 1914 werd repatriëring noodzakelijk. In 1926 teruggekomen om zijn vertaling van het Nieuwe Testament te voltooien bracht na nog één tocht te voet door het geliefde Poso-gebied een dubbele longontsteking de dood.
De bijbelse boodschap van Gods vergevende mensenliefde is nu in zo’n 2500 talen beschikbaar. Wat een inspanningen daar voor nodig waren en zijn!

Albert Schweitzer – *14 januari 1875 Kaysersberg (Elzas) – † 4 sep 1965 Lambarene (Gabon)

Albert Schweitzer Deventer


Het voorbeeld is niet het beste middel om te overtuigen, het is het enige middel



Een halve eeuw geleden stierf Albert Schweitzer. Theoloog, filosoof, organist, musicoloog, predikant, zendingsarts. Hij had zijn voorspoedige carrière in Europa opzij gezet om zijn roeping te volgen als arts in Afrika. Meer dan een halve eeuw werkte hij in een ziekenhuis in Lambarene. Met thuis een tropenbestendige piano met pedaal. Concerttournees om fondsen te werven voor zijn werk brachten hem ook naar Nederland. Het geld van de Nobelprijs voor de vrede van 1953 werd in een leprozenkliniek gestoken.
Een harde werker. Rond 1906 publiceerde hij bijna tegelijk een degelijk boek over de geschiedenis van het onderzoek naar de historische Jezus én een boek over Bach én begon hij zijn medische studie naast zijn predikantschap in Straatsburg en zijn activiteit als orgelbouwadviseur met innovatieve ideeën.
De historische Jezus was volgens hem een apocalypticus van wie de boodschap over het ophanden zijn van een hemelse doorbraak van Gods Koninkrijk niet uitkwam. Gelukkig hebben we ook nog zijn gelijkenissen en het voorbeeld van zijn leven van solidariteit en naastenliefde. De theoloog Schweitzer kreeg niet alle gelovige en theologische handen op elkaar. Maar hij kon een potje breken omdat hij zelf zo’n ernst maakte met het volgen van het voorbeeld van Jezus.
Zending is in zijn ogen niet mensen van hun mooie godsdiensten beroven, maar inzet voor hun waarachtige menselijkheid. Het is een zoenoffer voor alle ellende die de christelijke naties over volkeren elders hebben uitgestort door als roofstaten in plaats van als cultuurstaten op te treden. Zending is ontwikkelingshulp met het geloof dat ware menselijkheid niet kan worden volbracht zonder ware godsdienst en omgekeerd, aldus een preek in 1907.
Beroemd werd ook zijn ethiek van eerbied voor het leven. Hij kon letterlijk geen vlieg kwaad doen en was principieel vegetariër. Morele goedheid betekent ‘ons gevoel overwinnen van andere schepsels gescheiden te zijn en meeleven en meelijden met wat ieder geschapen wezen om ons heen meemaakt en beleeft’. En dan alles doen wat je kunt om ander leven te behouden en te beschermen. Pacifist Schweitzer bepleitte dus tijdens de Koude Oorlog ook eenzijdige ontwapening.
Zijn ideeën over Jezus, Paulus, orgelbouw, Bachspel en zijn nogal paternalistische aanpak van het werk in de tropen zijn verouderd. Zijn boodschap van eerbied voor de kwetsbare natuur is dat bepaald niet. Als de bijen sterven vanwege foute chemicaliën in de landbouw zijn grote kritische burgerbewegingen pure noodzaak om chemieconcerns en politici in beweging te krijgen. Wij dus.

Schweitzer postz Rw

Schweitzer postz Nl

Geloven onder bezetting

IMG_1415  klus geklaard:
Jacqueline Smits (Rotterdam) , ds Hans Baart (Driebergen), beide de vertalers en ik als ‘coördinator’ van de werkgroep theologie van Vrienden van Sabeel Nl/ Kairos Palestina Nl samen met auteur ds. Mitri Raheb (Bethlehem) tijdens de boekpresentatie met minisymposium in De Nieuwe Liefde in Amsterdam op 9 oktober 2015.

De regiobisschop komt eraan! Kerk 2025

In ´Kerk 2025´, het beleidsvoorstel dat de synode PKN in november a.s. gaat bespreken, wordt het voorstel gedaan om acht protestantse regiobisschoppen te gaan aanstellen. Eindelijk! De functie heet nog wel niet zo: ‘pastor pastorum’ is Latijn om de kerk niet teveel te laten opschrikken. Maar ‘Herder van herders’ is precies wat een bisschop van oorsprong is. Een bovenplaatselijke figuur die gezicht geeft aan de kerk in de regio. Hij/zij bouwt een vertrouwensrelatie op met de voorgangers en kerkenraden in de regio, werkt nauw samen met de regionale kerkvergadering (nieuwe superclassis), vliegt conflictbegeleiders in (visitatie, commissie bijzondere zorg) en voert gesprekken met predikanten en kerkenraden als het tijd wordt voor de predikant om te verkassen. Verder geeft de bisschop leiding aan  nieuwe initiatieven van kerk-zijn in de regio en begeleidt het stopzetten van niet meer levensvatbare gemeentes.

Ik heb jaren geleden al voor deze functionaris gepleit. Helemaal goed dus. Zoals ik het ook van harte eens ben met ‘wit laten op de kaart’ van postcodegebieden waar de gemeente moest worden opgeheven.  Geen eindeloze fusies tot steeds grotere streekgemeentes met steeds langere lijnen. En natuurlijk moet de periodieke visitatie worden afgeschaft. De enigen die er nog in geloofden zijn al jaren lang alleen de visitatoren zelf.

Ook goed aan het rapport is dat er flink gas terug genomen is ten opzichte van het eerdere schot voor de boeg dat predikantsaanstellingen beperkt zouden moeten worden tot twee keer vier jaar. Dat was een onuitvoerbaar en bot plan. De ideeën die nu worden geopperd om de mobiliteit te bevorderen klinken een stuk realistischer. Met een begeleidende rol voor die regiobisschop. Twaalf jaar is een redelijke limiet.

Veel meer staat er eigenlijk niet in het rapport. Maar dat is niet erg. De kerk wordt ook niet van boven af gemaakt. Kerkleiding en bovenplaatselijke organisatie moet eerder ‘onder’ de gemeentes en de andere vormen van kerkzijn in het land staan, dragend en voedend. Nu stevig insteken op het opnieuw vormgeven van de regionale ‘tussenlaag’ , mét budget, lijkt me een prima keuze.

Het rapport laat ook zien dat kerkbestuur en kerkorde altijd achter de feiten aanlopen. De ingrepen op het bestuurlijke tussenniveau waren al veel langer noodzakelijk. Ook zonder krimp was het model van 75 classes met colleges van visitatoren achterhaald en de functie van RACV (regionaal adviseur classicale vergaderingen náást gemeente-adviseurs) een ongemakkelijke noodoplossing.  En dat de kerk moet durven ‘verkleuren’ door meer samenwerking met SKIN-kerken zou ook los van eigen krimp in ons multiculturele land een opdracht moeten zijn.

Wat mij betreft zou het hier en daar zelfs nog wel een tandje gedurfder mogen zijn. Het kan nog oecumenischer. De mobiliteitsrevolutie en de digitale revolutie zouden nog meer verdisconteerd kunnen worden. ‘Witte plekken’ denkt nog teveel vanuit een monopoliegedachte. Maar de kaart van Nederland kent nog heel veel andere kerkgenootschappen. Met sommige ervan zijn er plaatselijke samenwerkingsconstructies. En in de digitale wereld bestaan er geen postcodes. De internetkerk  kan overal in het land en zelfs daarbuiten leden hebben.

Ik pleit ook voor de mogelijkheid van volwaardig dubbellidmaatschap, verder gaand dan gastlidmaatschap. Ik zie steeds meer gemeenteleden nu al in meerdere (vaak aangrenzende) gemeentes actief betrokken: ze bezoeken soms kerkdiensten elders omdat de liturgie er traditioneler is of juist ‘hoger liturgisch’ – sturen kinderen naar een club of gaan zelf naar een gespreksgroep die er in de eigen gemeente niet is – blijven na verhuizing nog penningmeester in de oude gemeente omdat er geen opvolger is. Dit dubbellidmaatschap zou ook open moeten staan voor leden van andere kerken. Door twee of meer vakjes rood te maken op de lijst met kerken waarmee je verbonden bent zou je stem niet ongeldig mogen worden. (Omdat kerken hun ledenbestanden niet uitwisselen denk ik dat het nu ook al kan).

En waar is toch dat oude idee van een soort landelijke ‘studentenkerk’ gebleven? Iedere student die op kamers gaat wordt in principe overgeschreven naar de stad van kamerbewoning, tenzij hij/zij weer teruggeschreven wordt naar de thuisgemeente. En die stadsgemeente kan al die studenten niet langsfietsen. De PKN zou deze jongeren gedurende hun studietijd kunnen ‘parkeren’ in een aparte studentenkerk. Deze moet dan natuurlijk vooral als internetkerk vormgegeven worden, met nauwe banden met de studentenpastores in de desbetreffende steden. Gekoppeld aan het dubbellidmaatschap kan er desgewenst een relatie blijven met de thuisgemeente of een nieuwe gelegd worden met de gewone gemeente in de stad. Het belangrijkste is dat de kerk dan meer doet dan nu om de jongeren die zich losmaken van thuis te prikkelen en met andere mogelijkheden van kerk-zijn te confronteren dan die ene die ze nu misschien al te goed kennen en achter zich willen laten.

Tenslotte: ik verbaas me erover dat Kerk 2025 overal waar ‘predikant’ staat niet ook de kerkelijk werker wordt genoemd. Die moet natuurlijk net zo goed ‘gemobiliseerd’ worden en aan de geestelijke begeleiding van de regiobisschop worden blootgesteld.

Matthias Grünewald – * ca. 1470, Aschaffenburg? – † rond 1530

Isenheimer Altar JdD
Ook Johannes de Doper op Grünewalds Kruisigingstafereel kan alleen maar wijzen (Karl Barth)

Grünewald

De beroemde Zwitserse theoloog Karl Barth had altijd een afdruk van de kruisingsscène van het Isenheimer Altar voor zich boven zijn bureau hangen. Dat te weten hielp om Barths duizenden bladzijden christelijke geloofsleer beter te verstaan. Centraal een lijdende Christus waarvan het lichaam overdekt is met wonden en littekens, er is wel eens berekend dat er dertig verschillende ziektes op het lijf van deze man van smarten zijn afgebeeld. Bij het kruis een lam met een Avondmaalsbeker om het bloed op te vangen, een bekend motief. Rechts wijst Johannes de Doper als voorbeeld voor iedere prediker met lange benige vinger naar het kruis – de lengte van de vinger was bij ons theologieonderwijs overdreven, merkte een bevriende theoloog op toen we samen ooit oog in oog met het schilderij stonden. Chronologisch kan dit niet, Johannes de Doper op Golgotha, maar theologisch natuurlijk wel.
Zieken die het plaatselijke hospitaal werden binnengebracht zouden eerst voor dit schilderij zijn gelegd, dan konden ze zich herinneren dat Christus ook hun smarten had meegeleden. Zo heb ik ooit horen vertellen. Maar dat is nogal onwaarschijnlijk. De kruisigingscène was zichtbaar in de veertigdagentijd als alle andere luiken gesloten waren. Het Isenheimer Altar is een veelluik. In geopende toestand laat het in stralende kleuren, met veel rood en blauw, taferelen zien die behoren bij het kerstevangelie. En werkelijk subliem is het paneel van Pasen. Christus stijgt boven zijn aardse graf met zegenende handen ten hemel, tegen de achtergrond van een enorme dieprood-oranje zon. Een paar soldaten gaan horizontaal.
Een laatste luikenpaar bestaat uit twee scènes uit het leven van de heilige Antonius. Het klooster in Isenheim was immers een Antoniusklooster. Kleurige duivels bespringen de heilige zonder vat op hem te kunnen krijgen.
Matthias Grünewald staat op 30 augustus op de liturgische kalender van de Duitse protestanten, samen met Albrecht Dürer en Lucas Cranach sr, andere beroemde Duitse schilders uit zijn tijd. Hij zou op 31 augustus 1528 in Halle aan de pest overleden zijn. Vandaar die datum. Maar er waren in die tijd meerdere beeldende kunstenaars die Matthias heetten. Onderzoekers verschillen erg van mening over de biografie. De liturgische kalenders bedoelen de maker van dit altaarstuk, gemaakt tussen 1513 en 1515 voor een klooster in Isenheim en nu een toeristische trekpleister in het nabijgelegen Colmar.
Van deze meester, verder waarschijnlijk Grün geheten, zijn nog een paar kruisigingsscènes bekend en een Laatste Avondmaal van rond 1500 en dan is dat het wel zo ongeveer. Bewaard gebleven tekeningen zijn hoofdzakelijk voorstudies voor de schilderijen. Allemaal religieus werk, gedeeltelijk in opdracht van een aartsbisschop. Wat aan de schilderijen is af te lezen is dat hij wel goed op de hoogte was van de grote kunst van zijn tijd en daarvoor, van Vlaamse meesters en Jeroen Bosch tot en met Leonardo da Vinci. En de religieuze gloed en mystieke symboliek weerspiegelen ongetwijfeld ook een authentieke religieuze toewijding van de maker. Mogelijk heeft hij zich ook door een bekend mystiek boek laten inspireren, van de heilige Brigitta van Zweden.
Deze week hang ik zijn zonnige getuigenis van Pasen boven mijn bureau. Isenheimer Altar Opstanding

Simone Weil – 3 februari 1909 Parijs – 22 augustus 1943 Ashford GB

Simone WeilNa de aanraking van de ziel met God vervallen de naaste, de vrienden, de godsdienstige handelingen, de schoonheid van deze wereld niet tot onwerkelijkheid. Integendeel, alleen dan worden ze zeer reëel.

Volgens Simone Weil kan God in de schepping alleen tegenwoordig zijn door zijn afwezigheid. Toen God de wereld schiep verwijderde hij zichzelf uit hetgeen hij gecreëerd had. Wij hebben de neiging net als gas eindeloos uit te dijen, God kan plaats open houden. En wij van onze kant moeten zelf ook ruimte maken, wil de werkelijkheid van God – van het Goede – in deze wereld kunnen binnendringen. Daarvoor moeten we onder andere strijd voeren met allerlei ‘zwaartekrachten’. Zoals het te vervuld zijn van onszelf.
‘De rode Jeanne d’Arc’ was van alles tegelijk. Filosofe, vakbondsactiviste, onderwijzeres, fabrieksarbeidster, journaliste, revolutionaire, soldate, anarchiste, Jodin, katholiek. Na haar dood is ze vooral bekend geworden als een mystica. Haar nagelaten geschriften bevatten volstrekt authentieke gedachten over religieus leven en God. Er loopt zo in haar verhaal nogal wat parallel met dat van Etty Hillesum.
Haar wieg stond in Parijs. In haar welgestelde Joodse familie speelde religie nauwelijks een rol meer. Ook in Parijs studeerde ze filosofie. Zij werkte daarna als docente in verschillende lycea, maar raakte sociaal en politiek geëngageerd vanuit een sterk besef voor rechtvaardigheid en een kritische kijk op de samenleving. ‘Geld, machine, algebra. De drie monsters van de huidige beschaving’. Om het lot van arbeiders te delen werkte ze in een autofabriek en om te strijden tegen fascisme nam ze korte tijd deel aan de strijd in de Spaanse Burgeroorlog. Zij bekeerde zich tot het rooms-katholieke geloof, maar heeft zich nooit laten dopen. Ze bezocht verschillende kerken, verdiepte zich in de christelijke mystiek, maar ook in de godsdiensten van het oude Egypte en van India. Dankzij haar geestelijk raadsman, de dominicaan Joseph Perrin, en door een ervaring tijdens de Goede Week van 1939 in de abdij van de Benedictijnen te Solesmes, was God een realiteit in haar leven geworden. Ze gaat uiteindelijk ook echt bidden. Samen met Gustave Tibon vertaalt zij de Griekse tekst van het Onze Vader. Wat begint als een intellectuele oefening en een esthetische ervaring mondt uit in een mystieke aanraking van God. ‘Ik heb een aanwezigheid gevoeld, persoonlijker, zekerder en meer werkelijk dan die van een menselijk wezen, een aanwezigheid die zowel voor de zintuigen als voor de verbeelding ontoegankelijk was en die vergelijkbaar was met de liefde die zichtbaar wordt in de tederste glimlach van een geliefd wezen.’
In 1940 vluchtte ze uit Parijs naar Marseille. Twee jaar later kwam ze via New York naar Engeland voor deelname aan de strijd tegen Hitler. Daar stierf ze in een sanatorium aan tuberculose.
Pas na haar dood kwam het tot publicatie van de meeste van haar geschriften. ‘Zwaartekracht en genade’ heet het eerste boek in het Nederlands (1954).

Johannes Climacus – *plm. 575 – † 649, Sinaï

Joh Klimakos (2)Laat je gedachte aan Jezus één worden met je adem en je zult dan het nut merken van stilheid

Het Jezusgebed is een manier van mediteren waarbij je alleen maar de naam Jezus herhaalt. Het kan ook uitvoeriger met de formule ‘Heer Jezus, ontferm U over mij’ of iets wat erop lijkt. Sinds Aziatische spiritualiteit en meditatietechnieken grote populariteit verkregen in het Westen kwam ook het Jezusgebed weer meer in de belangstelling. Dit was geen nieuw bedenksel van christelijke hippies. Het was al bekend onder ‘oostelijke’ christenen, zoals monniken op de berg Athos. Door de naam Jezus als een mantra te nemen ben je genoodzaakt je te concentreren op het in-en uitademen. Door langdurige herhaling maak je je geest steeds leger. Het mag natuurlijk ook op andere klanken, maar met deze naam kan tegelijk ook iets van zijn persoon of zijn verhaal bij je binnen komen. En dat staat garant voor iets heel heilzaams.
Johannes Climacus was de eerste die het beschreef. Op ikonen is hij vaak afgebeeld als abt die een visioen heeft waarin een ladder door monniken beklommen wordt. Climacus is Grieks voor ladder, genoemd naar zijn geschrift ‘De geestelijke ladder’. Het is een van de belangrijkste boeken uit de spiritualiteit van het oosterse christendom, qua belang te vergelijken met  de Regel van Benedictus in het Westen! Het diende als leidraad voor monniken om de deugden te ontwikkelen die de weg naar God openen. Het beschrijft dertig treden van de geestelijke weg ‘omhoog’, tegen de achtergrond van het bijbelverhaal van de droom van Jacob in Bethel uit Genesis 28. In het boek komen drie eeuwen van ervaring samen, uit het monnikenbestaan van woestijnvaders en andere asceten uit het oosterse christendom. Stap voor stap zijn het wenken met een tijdloos belang voor wie wil leven als christen, monnik of niet. Het begint met trouw zijn aan je keuze en jezelf vrij maken. Andere tredes gaan over niet veel kletsen, niet toegeven aan gulzigheid en niet teveel aan slaapbehoefte, dus over het onder controle krijgen van je impulsen en behoeftes (waarom het met de spontane nachtelijke zaadlozingen niet helemaal lukt vormt nogal een lastige puzzle). Pas tegen het einde komt hij te spreken over technieken van het ‘lichamelijke’ gebed. Het geestelijke gebed dat alleen nog maar ‘Jezus’ hoeft te zeggen is daarvan de binnenkant. Want als je dat kunt, ben je dan leeg of eerder van iemand vol? Het is vlak voor de allerlaatste trede, die van geloof, hoop en liefde, met de liefde als meeste van alles. Ook deze woestijnvader mikte op de groei van ruimhartigheid in eenwording met de liefde van God.
En op wat voor plek en in wat voor tijd is dit boek geboren! Deze tijdgenoot van Mohammed leefde namelijk zijn hele leven in de Sinaï, het gebergte van Mozes en Elia. Johannes, kennelijk goed geschoold, was als 16-jarige al ingetreden in het Braambosklooster aan de voet van de Sinaï, later Katharinaklooster genoemd. Kort erna had hij zich teruggetrokken in een nabij gelegen grot. Na veertig jaar ascetisch leven in teruggetrokkenheid werd hij op zijn zestigste abt van het klooster. Kort vóór zijn dood keerde hij weer terug naar zijn eenzaam bestaan in stilte.
Het protestantisme heeft geleerd argwanend te zijn tegen ‘omhoog’ denken. Naar genade kun je je niet toewerken, het komt van boven naar beneden. Protestanten gooiden de kloosters dicht. Maar in de droom van de Jacobsladder gaan de engelen op en neer en niet andersom. We kunnen zelf echt wel bijdragen aan onze ‘hartverruiming’.

Broeder Roger – *12 mei 1915 Provence (Zw) – † 16 aug 2005 Taizé (Fr)

Roger Schutz

De Opgestane is er. Of je het weet of niet, hij ontsteekt een vuur in je duisternis dat nooit uitdooft

Jaarlijks brengen duizenden jongeren overal vandaan een week in Taizé door. Niet om daar diep in Frankrijk te zwemmen, te luieren en tot diep in de nacht naar de disco te gaan. Taizé is andere muziek. Er gaat een bijzondere aantrekkingskracht uit van de bijzondere sfeer in de dagelijkse vieringen samen met de broeders en de gesprekken en ontmoetingen daarom heen.
Roger Schütz, stichter van deze bijzondere broedergemeenschap, was een Zwitserse domineeszoon. Tijdens zijn studie theologie was hij lid van een christelijke studentenbeweging. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak wilde hij net als zijn grootmoeder tijdens de eerste had gedaan, de helpende hand uitsteken. Hij fietste naar het Bourgondische dorpje Taizé en begon daar een opvang. Samen met zijn zuster zorgde hij voor vluchtelingen, vooral joden. Toen zich na de oorlog meer protestantse broeders bij hem aansloten legden zij in 1949 enkele kloostergeloften af. Later kwamen er ook rooms-katholieken bij en werd de gemeenschap steeds internationaler. Dit beantwoordt aan het ideaal van broeder Roger om te werken aan verzoening tussen christenen en bij te dragen aan het overwinnen van conflicten tussen volkeren. Rond 1957 begon de toestroom van jongeren. Men richtte drie kilometer buiten het dorp tijdelijk een terrein in. Maar ze bleven komen. In 1962 werd de kerk gebouwd die sindsdien herhaaldelijk is uitgebreid.
Gebed is een belangrijke pijler. Met de beroemde minutenlange stilte in de vieringen, met z’n allen zittend op de grond. Daarvoor en daarna de speciale Taizéliederen, eenvoudig en kort, om door veel herhaling de woorden meditatief ‘naar binnen’ te zingen.
Eenvoudig is ook het leven van de broeders en ook voor de gasten is er absoluut geen luxe. Jaarlijks wordt de eventueel behaalde winst weggeschonken. De andere peiler van Taizé is dus dit leven in dienstbaarheid. Frère Roger woonde zelf een tijdlang tussen de armen van Calcutta. Taizé is betrokken bij werk onder de armen op allerlei plaatsen. En om de ´pelgrimage van vertrouwen´ overal te stimuleren worden er jaarlijks ook grote Taizé-ontmoetingen elders in de wereld gehouden.
In augustus 2015 is hij met een bijzondere bezinningsweek herdacht, tien jaar nadat hij om het leven kwam na messteken door een verwarde vrouw. Maar het ging hem niet om hemzelf, maar om mensen in contact te brengen met de kracht van de liefde van Christus.

Hadewych – plm. 1210-1260, Zuidelijke Nederlanden

www.heiligen-3s.nl/heiligen/12/15/12-15-1248-Hadewych-Vlaanderen.php +++ 1989. Mozaïek door Henk Hilterman Nederland, Haarlem, St-Bavo.Die minne es al

‘Een heylich glorieus wijf’. Zo werd ze in de omgeving van Jan van Ruusbroec genoemd, de beroemde Brusselse mysticus uit de veertiende eeuw die een groot bewonderaar was van haar geschriften. Na de herontdekking van haar geschriften in 1838 groeide langzaam maar zeker de bewondering voor haar dichterskwaliteiten. Een zalig- of heiligverklaring is haar niet ten deel gevallen.
Over Hadewych is maar weinig bekend. Haar visioenen, liederen, gedichten en brieven werden in een Brabantse variant van het Middelnederlands geschreven, rond 1240. Ze was ongetwijfeld van gegoede afkomst, misschien zelfs van adel, gezien onder meer haar talenkennis: Diets, Frans en Latijn. Zij kende teksten van grote mystieke theologen, maar ook Franse minneliederen (chansons). Minneliederen schrijft zij ook zelf, alleen smachten er dan geen ridders naar een edele vrouw. Bij haar smacht de vrouw naar de Minne van God, in de menselijke gedaante van Christus, of in de volheid van zijn Drieenigheid.  Met hart en ziel maakt ze hem het hof. Ze is door de minne ‘vreselijk omvat’. En ze beschrijft ervaringen van mystieke extase –  ‘orewoet’ – waarin het er heftig aan toe gaat. Overweldigend.
‘Het was op het feest van Driekoningen en ik was negentien jaar oud.’ Zo begint een van haar Visioenen. Ze wordt in de geest gevoerd naar ‘een hoghe gheweldeghe stat’ (=plaats). Er is een troon en ze hoort een stem. Ze ziet God en wordt één met hem. Om daarna weer terug te keren tot de gewone aardse toestand is nogal jammerlijk. Maar niet zonder de boodschap dat ze voortaan anders over mensen zal oordelen, niet langer vanuit haar eigen impulsiviteit. ‘Ende du salt elken gheven recht na sine werdecheit’- je zult ieder in zijn of haar eigen waarde laten.
De manier waarop ze in haar brieven vriendinnen aanspreekt laat zien dat ze een leidende rol vervulde. Ze vermaant hen bijvoorbeeld als ze hun verstand te weinig gebruiken en hun tegenzin niet opmerken tegen het verzorgen van zieken of het omgaan met moeilijke mensen. Je echt laten leiden door Minne vereist een voortdurend onderzoek van je eigen impulsen, gevoelens en gedachten.
Het is niet zeker of ze deel uitmaakte van de Begijnen, maar ze leefde kennelijk wel in een religieuze vrouwengemeenschap. In de ‘Lijst der volmaakten’ waarin zij haar grote voorbeelden opsomt, noemt zij een begijn die door een inquisiteur vermoord werd. Begijnen werden nogal eens van ketterij beschuldigd. In hun strijd om erkenning stond Hadewych dus aan hun kant. Ze was duidelijk een onafhankelijke vrouw en niet bang.  Haar naam betekent ‘fiere strijdster’.

(afbeelding fragment mozaïek Henk Hilterman (1989) St Bavokathedraal Haarlem)

Gregorius Bar Hebraeus – 1226 Malatya (Turkije) – 30 juli 1286 Maragha (Perzië)

BarHebreausAls de geest onzegbare woorden hoort die geen mond kan uitleggen, dan rust hij in de tabernakel van de Heer en verblijft hij op zijn heilige Berg

Mor Gregorios Bar Ebroyo was een van de grootste geleerden van de Syrisch-Orthodoxe Kerk. Zijn naam betekent zoon van de Hebreeër. Vader Aaron was een bekende joodse arts. Met een Mongoolse generaal die dankzij hem was opgeknapt ging de familie mee naar Antiochië. Als 17-jarige werd de zoon monnik. Hij studeerde geneeskunde en vele andere vakken in Antiochië en Tripoli en bleef dat eigenlijk levenslang doen. In 1246 werd hij bisschop van Mosoel, Aleppo werd in 1252 zijn standplaats. Als bisschop moest hij uitgebreide visitatiereizen maken. Hij benutte de mogelijkheid om overal bibliotheken te raadplegen. Hij schreef uitgebreide compilaties van de theologische, filosofische, wetenschappelijke en geschiedkundige kennis van zijn Syrisch-Arabische wereld. De boeken dragen titels als ‘De crême van de wetenschap’, ‘Lamp des heils’, ‘Boek der stralen’, ‘Boek van de vonk’. Zijn belangrijkste werk is ‘Warenhuis vol Geheimen’, een commentaar op de volledige Bijbel. Vanwege zijn eruditie werd hij gerespecteerd door zowel de Nestoriaanse Kerk als de Armeniërs.
Op theologisch gebied was Bar-Hebraeus een monofysiet, iemand die geloofde dat het goddelijke en menselijke in Christus in één natuur waren verenigd. Er waren door allerlei debatten en conciliebesluiten in de loop der eeuwen verschillen tussen de Kerk van het Romeinse rijk en de christenen van het Oosten ontstaan. Maar theologische verschillen tussen de diverse stromingen in het Oosten vond hij niet meer dan een kwestie van bewoording. Wat hemzelf betreft eigenlijk de moeite van een debat niet waard.
Op een bepaald moment bracht al die geleerdheid hem in een crisis. Waarop hij zich op studie van mystieke auteurs stortte, zo vertelt hij in zijn Boek van de Duif, een werk waarin hij heel  bescheiden vertelt over het licht dat hemzelf is opgegaan over de belangrijkste kennis: die van de goddelijke Liefde.
Zijn tombe staat in het klooster van Mar Mattai, 30 mijl buiten Mosoel (Ninevé), een klooster dat al in 363 gesticht was en op het hoogtepunt van zijn bestaan wel duizend monniken herbergde.
Met het oprukken van de Mongolen zou de neergang van Mosoel en omgeving als belangrijk centrum van christendom inzetten. Toch was het er tot voor kort nog steeds. Tot IS kwam. Op 22 juli 2014 is ook het klooster Mar Mattai door jihadisten veroverd en zijn de laatste monniken verdreven. Heel recent (juni 2015) zijn enkele monniken en studenten onder bescherming van Koerdische strijders wel weer teruggekeerd. Met gevaar van eigen leven willen zij vernietiging tegengaan.

Filippus Neri – Florence, 21 juli 1515 – Rome, 26 mei 1595

Filippo_NeriEen opgewekt hart wordt gemakkelijker volmaakt dan een sikkeneurig

Filippus Neri kreeg niet alleen de bijnaam ´de tweede apostel van Rome´ maar ook ´de goede Pippo´. Hij is de heilige van de lach. Een man vol humor en levenslust. En met een groot hart. Ook letterlijk, zoals bij lijkschouwing na zijn dood bleek. Men schreef het toe aan een mystieke ervaring vijftig jaar voor zijn dood.
Zijn ouders wilden dat hij een gefortuneerde oom als zakenman zou opvolgen. Maar dankzij zijn scholing bij de Dominicanen voelde hij zich geroepen tot een ander leven. Hij trekt in 1533 naar Rome en verdient de kost als opvoeder van een rijkeluiszoon. Tijd genoeg om in de catacomben af te dalen om daar uren te mediteren of door de straten te zwerven en praatjes te maken met kooplui en handwerkslieden, met jongeren te spelen en grappen te maken en godsdienstige onderwerpen te bespreken. Tegenwoordig noemen we dat presentiepastoraat. Hij bezoekt zieken en zorgt voor opvang van pelgrims. Zijn talenten wordt opgemerkt en op aandringen van anderen wordt hij in 1551 tot priester gewijd. Hij vormt met geestverwanten de broederschap San Girolamo della Carità. Daarmee organiseert hij ’s avonds bijeenkomsten van gebed, zang en gesprekken: vespers met aansluitende ontmoeting. De broederschap wordt in 1575 omgezet in de congregatie die bekend wordt als Oratorianen, genoemd naar de kapel bij de Chiesa Nuevo. Vanaf 1577 is die kerk de thuisbasis. De selectie van passages uit de bijbel of de heiligengeschiedenis waarover muziek wordt gemaakt heten ‘oratorios’.
Neri hield ook dagelijks preken her en der in Rome en organiseerde ‘excursies’ naar andere kerken, vaak met muziek en een soort picknick’ onderweg. Grote mannen waren met hem bevriend, jan en alleman ging bij hem te biecht. Een kerkelijke carrière weet hij af. Was het door zijn eigen mystieke ervaringen dat hij veel vroomheid doorzag als theater? Over een meisje dat zou worden ‘bezocht’ door heiligen en engelen adviseerde hij: ‘geef haar een man’. En een non die over wondergaven zou beschikken, maar die weigerde haar onbekende bezoeker (Neri) de smerige laarzen uit te trekken, kon geen heilige zijn.
Neri leefde op een nieuwe manier een spiritueel leven. Vroom en vrolijk tegelijk, praktisch en sportief, geestelijk en alledaags. Sober, maar zonder spartaanse armoede. Niet helemaal verwonderlijk dat Rome in de tijd van Calvijn en protestantse beeldenstormen Rooms bleef.

Rembrandt van Rijn – *15 juli 1606, Leiden – † 4 oktober 1669, Amsterdam

Rembrandt - Self Portrait J910070Rembrandt gaat zoo diep in ’t mysterieuse dat hij dingen zegt waarvoor in geen taal woorden bestaan (Vincent van Gogh)

‘Saul en David’ in het Mauritshuis zijn toch echt van Rembrandt, Saul met prachtige tulband en David die rechtsvoor psalmen op de harp speelt. En wat wás ‘De late Rembrandt’ eerder dit jaar in Amsterdam een prachtige tentoonstelling.
Is Rembrandt een geloofsgetuige? Hij is toch allereerst gewoon een gedreven schilder. Een groot kunstenaar. Een grensverleggend genie. Wie kent zijn levensverhaal niet? Zijn huwelijk met Saskia uit Stiens. Hoe hij grote opdrachten krijgt en tot welstand komt. Het grote verdriet om het overlijden van Saskia. Het samenwonen met Hendrikje Stoffels zonder officieel huwelijk en dus een conflict met de kerkenraad. Het faillissement en uit de gratie raken bij grote opdrachtgevers. Het vertrek uit de Jodenbreestraat. Zijn simpele graf in de Westerkerk.
Vele tientallen schilderijen, etsen en tekeningen van bijbelse figuren maken je ook geen heilige. In de Gouden Eeuw van trots Hollands protestantisme is christelijk geloof vanzelfsprekend en bijbelse prenten verkopen. Honderd gulden voor de prent over Christus die de zieken geneest als je goed je best doet. Calvinisten hoeven geen kunst in de kerk, maar des te meer in hun grachtenpanden.
Schrijvers verzinnen dagboeken van Rembrandt en leggen hem woorden in de mond. Maar zijn boodschap is zijn kunst. Rembrandt breekt met stilistische conventies over bijbelse figuren en christelijke heilsgeheimen. Christus krijgt zelden nog een aureool. Het kind Jezus moet ook aan de borst. Rabbi Jezus zou zo iemand uit de Jordaan kunnen zijn. Als door slijtage van de etsplaten de ets moet worden bijgewerkt, komt Christus in elke volgende ‘staat’ van de ets van Jezus voor Pilatus nóg meer centraal te staan of wordt de duisternis van Golgotha nóg zwarter. In een schilderij van de kruisafname is ook zijn eigen kop herkenbaar. En Rembrandt kiest de momenten die hij lezend in zijn Bijbel eruit licht heel precies. Voordat hij de kijker laat mediteren mediteert hij al schilderend zelf. Zo is met röntgenonderzoek duidelijk geworden dat hij heel erg geschoven heeft met Jozef in het schilderij van de zegening van Jozefs zonen door vader Jacob op zijn sterfbed. Jozef staat nu naast zijn vader en niet zoals eerst tegenover hem. In plaats van het moment van de tegenspraak van Jozef tegen zijn vader vast te leggen, schildert Rembrandt uiteindelijk een zoon die aanvaardt dat het gaat zoals vader het wil. Het is het jaar van Rembrandts faillissement.
Een jaar voor zijn dood schilderde hij ‘De thuiskomst van de verloren zoon’, waarvoor Henri Nouwen ooit dagenlang heeft zitten mediteren in de Hermitage. In deze laatste periode van zijn leven treedt er verstilling op. Nog meer voelbaar in het laatste schilderij, het lijkt onaf. Het licht maakt witte vlekken op het op het hoofd van de oude Simeon in de tempel en het kind Jezus dat hij vasthoudt. Ontroerend als je er vlak voor staat. ‘Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien’. Hoor ik het de bejaarde meester zichzelf aan Rozengracht hardop voorlezen?
Protestanten zouden na de Reformatie niet veel meer hebben bijgedragen aan een kunstzinnige verbeelding van de boodschap van de Bijbel, schrijft een gezaghebbend boek over Christus in 2000 eeuwen westerse cultuur. Ik vrees dat de Belgische auteur iemand vergeten is.

Johannes Hus – plm. 1369, Husinec (Bohemen) – 6 juli 1415, Konstanz

JanHusDe waarheid overwint

Dit zouden de laatste woorden van Johannes Hus geweest zijn op de brandstapel, 600 jaar geleden. Pravda vítězí.
Als ik in een eucharistieviering alleen een ouwel krijg, moet ik denken aan de Tsjechische protestanten. Al een eeuw vóór Luther lagen ze dwars. ‘Utraquisten’ werden de lastposten genoemd, naar het Latijn voor ‘elk van beide’. Of ‘calicisten’, zij die de wijnkelk in handen van de leken wilden. Er is veel bloed bij gevloeid.
Hun grote held was Jan Hus. Bezoekers van Praag kennen hem van zijn standbeeld in het monumentale hart van de stad vlakbij de Tynkerk. Hij was rond 1400 voorvechter van het gebruik van de Tsjechische taal aan de universiteit en in de kerk. De Duitsers, tot dan dominant, hadden toen de beroemde universiteit verlaten en een nieuwe in Leipzig gesticht. Zijn heldenstatus heeft een nationalistische tint. Dat standbeeld dateert van vlak na de oprichting van Tsjecho-Slowakije in 1918.
Maar zijn strijd voor het Tsjechisch was onderdeel van een veel breder streven. Het ging de rector van de Praagse Universiteit om herstel van de integriteit van het christendom. Hus was volgeling van de hervormingsgezinde Wycliffe en vertaalde diens boodschap in krachtige, heldere boeken en preken. De charismatische persoonlijkheid wist hoog en laag te boeien. De koningin ging wekelijks bij hem te biecht en maakte hem hofkapelaan.
Het was de tijd het Grote Schisma, het langdurige en diepgaande politieke conflict dat Europa verdeelde, met twee pausen, de een in Rome, de ander in Avignon. Om geld te genereren voor kruistochten tegen elkaar verkochten beide pausen ambten tegen de hoogst biedende en aflaten aan het volk. Hus protesteerde tegen deze simonie, de corruptie, de handel in relieken en aflaten.
Het Concilie van Konstanz (1414-1418) moest dit schisma beëindigen. Het proces tegen Hus was een bijzaak. Hus was al geëxcommuniceerd. Hij wilde teveel. Hij kwam naar Konstanz met de belofte van de Duitse keizer Sigismund van vrijgeleide. Maar de keizer pleegde verraad en voorkwam niet dat de veroordeling van de leer van Hus gevolgd werd door de brandstapel.
Na zijn dood raakte Tsjechië verzeild in burgeroorlogen. Met de gans (Hus is Tsjechisch voor gans) en de kelk op de banieren werd keizer Sigismund door woedende boerenlegers bestreden, met tijdelijke successen. Maar de Hussieten zelf raakten verdeeld. En na executies in 1621 ontvluchtten 40.000 Hussieten de Habsburgse macht. Maar Moravische en Boheemse protestanten bestaan er nog steeds. Hun kerken overleefden ook het communistische tijdperk. Het logo is vaak een kelk.

Irenaeus van Lyon – plm. 130 Klein Azië – plm. 200 Lyon?

Omdat de dwaling zich meestal niet in haar naaktheid laat zien, maar zich liever hult in aantrekkelijke kledij, lijkt zij voor de onervarene meer waar dan de waarheid zelfirenaeus_lyons

28 juni is op de Rooms-Katholieke heiligenkalender  als de gedenkdag van Irenaeus. Hij geldt als beginner van christelijke theologie. Voor veel mensen is hij juist daarom tegenwoordig absoluut niet heilig meer. Hij bestreed namelijk de gnostiek. En de gnostiek is nu ‘in’, vooral sinds ‘nieuwe spirituelen’ zich konden herkennen in geschriften die in 1945 in het Egyptische Nag Hammadi onder het woestijnzand vandaan kwamen. Irenaeus zat dus in het kerkelijk complot tegen de ‘ware’ Christus.
Hij leefde in de tweede helft van de tweede eeuw. Hij had de martelaar Polycarpus van Smyrna nog gekend die weer leerling van de apostel Johannes geweest zou zijn. Zo voelde hij zich in een apostolische traditie staan. Het christendom waaiert naar alle kanten uit en Irenaeus wil er lijn in te brengen: de apostolische lijn. Bij hem begint de lijst met boeken die het Nieuwe Testament zijn gaan heten contour te krijgen, met daarin voor het eerst vier evangelisten.
Irenaeus ontwikkelt ook gedachten over de heilsgeschiedenis. Hij deelt de geschiedenis in periodes in aan de hand van Daniël en Openbaring. Hij is de eerste chiliast: iemand die gelooft in een duizendjarig Godsrijk op aarde na de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden.
En daar geloofden de gnostici dus niet in. Voor hen was het aardse leven slechts een tijdelijke fase in de ontwikkeling van de ziel. Een leerschool, waarna de ziel op kan gaan in hoger sferen. Irenaeus stond pal voor een christendom waar het eerder om een ongekeerde beweging gaat: hoe er uit ‘hoger sferen’ heil op aarde neerdaalt. In zijn christendom is  ons lichamelijke bestaan de plek waar we God eren. En Christus was echt volledig lichamelijk mens.
Ontwikkelen van ‘gnosis’ (kennis) was ook belangrijk voor keizer Marcus Aurelius, de filosofische keizer van wie gedachten over levenskunst nog steeds worden gelezen.  Maar ook onder zijn bewind waren er heftige christenvervolgingen. Die van het jaar 177 trof het Gallische Lyon. Irenaeus bleef gespaard, waarschijnlijk omdat hij in Rome was. Hij volgde de vermoorde bisschop van Lyon op en bleef er tot zijn dood.
De apostel Paulus vond al dat niet het verwerven van diepe spirituele inzichten het belangrijkste is maar het groeien in de liefde. ‘Kennis (gnosis) maakt verwaand, alleen de liefde bouwt op’ (1 Korintiërs 8: 1).
Laten we zulk kostbaar apostolisch erfgoed maar blijven koesteren.

Charles Haddon Spurgeon – 19 juni 1834, Kelvedon (Essex), – 31 januari 1892 Menton (Fr)

Een ton boeken die door mensen geschreven zijn wegen niet op tegen een ons van de Schrift

Toen ik belijdenis deed kreeg ik van mijn grootmoeder als cadeau een dagboek met meditaties van Charles Haddon Spurgeon, mooi uitgegeven met oranje omslag. Maar de negentienjarige theologiestudent kon de smaak niet te pakken krijgen van de in stukjes geknipte negentiende eeuwse preken en gaf het na een aantal bladzijden op.
In zijn tijd was Spurgeon een razend populaire prediker. Als 16-jarige had hij zich onder invloed van Methodisten door onderdompeling in een rivier laten dopen. Hij werd baptist. En nog maar twintig jaar oud werd hij al naar Londen beroepen, 1853. De een na de andere kerk werd al snel te klein. Er verrees een megakerkgebouw van 4600 zitplaatsen om de toestroom te herbergen, Metropolitan Tabernacle Church. ‘Prins der predikers’ was zijn bijnaam. Eens bracht hij 23.000 toehoorders op de been. Tienduizenden kwamen door zijn preken tot geloof, veelal huisknechten en dienstmeiden. De notities van hun getuigenissen kwamen onlangs weer boven water en geven een beeld van het soort leven waar deze bekeerlingen mee braken. Veelal ging het om zaken als drankzucht, grove taal, huiselijk geweld, agressief gedrag. Ook in Nederland kreeg hij bij een preektournee in 1863 volle kerken en daarna veel lezers van zijn gedrukte preken. Spurgeon
Hij wist het dus goed te brengen: op de man af, indringend, herkenbaar, pittig gekruid met anekdotes. Vergeving van zonden, de noodzaak van bekering en een persoonlijke relatie met God waren de hoofdthema’s van zijn preken. En hoe de bijbel een boek is dat met je praat, aldus de titel van een van zijn duizenden preken.
Zijn letterlijke uitleg van de bijbel brengt Spurgeon ook tot de opvatting dat een terugkeer van het Joodse volk naar Palestina de wederkomst van Christus dichterbij brengt – mits ze dan ook tot het christelijk geloof zijn bekeerd. Groot- Brittannië had met Duitsland bij de Turken een grotere toegankelijkheid van Palestina afgedwongen. Het veroorzaakte eschatologische koorts onder protestanten, nu de terugkeer van Joden naar hun land van herkomst meer mogelijk werd. ‘Onvervulde’ bijbelse profetieën leken hun vervulling nabij.
Spurgeon stichtte verder diverse weeshuizen, een tijdschrift, een gezelschap voor christelijke literatuur, een predikantenopleiding. Zijn studenten richtten minstens 200 kerken elders op. En hij had humor. ‘Door vol te houden bereikte ook de slak de ark’ schijnt een uitspraak van hem te zijn. En ‘niet iedere verandering is een verbetering, zoals de duif zei toen zij uit het net raakte en in het pasteitje terecht kwam.’

Martin Buber – Wenen, 8 februari 1878 – Jeruzalem, 13 juni 1965

Wegkijken van de wereld of er naar staren helpt een mens niet om God te bereiken. Maar wie de wereld in Hem ziet, staat in zijn tegenwoordigheid.

Martin Buber postzegelWelke ‘Jij’ maakt mij ‘Ik’? Volgens Martin Buber is de ik-jij-relatie de grondvorm van het menszijn. Wat echte ontmoeting is, hoe zeldzaam die is en hoe moeilijk, zette hij onder het vergrootglas in een klein boek ‘Ich und Du’ (‘Ik en gij’). Het verscheen in 1923 en het geldt als zijn belangrijkste filosofische boek. We zijn pas echt mens als we uit de wereld van ‘Het’ in de wereld van ‘Jij’ treden. Dan behandelen we de ander niet als een object of houden hem of haar van ons lijf als een vijand, dan treden we in een echte relatie en laten we ons aanspreken zoals we de ander aanspreken. Ver-antwoord-elijkheid nemen maakt ons tot mens.
Buber wilde zo als filosoof ook duidelijk maken waar religie over gaat. God is de Ander die ons roept. Over God kun je eigenlijk niet veel zeggen en weten. Redenerend over God als een Het, iets of niets, laat Hij zich niet vinden. Maar je staat voor zijn aangezicht. Zeg maar U of Jij en zing zijn lof.
Vijftig jaar geleden overleed Buber. Een van de grootste joodse denkers van de afgelopen eeuw. Hij veranderde de taal van theologie en filosofie en heeft ook psychotherapie en pastoraat beïnvloed. Een mens mag nooit tot een behandelobject gereduceerd worden!
Buber groeide als kind van gescheiden ouders op in het Galicische Lemberg (nu Lviv, Oekraïne). Hij werd een belangrijk onderzoeker en verzamelaar op het gebied van chassidische jodendom van Oost-Europa. Hoewel hij zelf een meer liberale jood was, wilde hij deze orthodoxe en ultraorthodoxe mystieke beweging voor de westerse wereld toegankelijk maken. Het waren Bubers chassidische vertellingen Hendrik Werkman de beroemde druksels maakte als verzetsdaad tegen het nazisme. (Hij had ze leren kennen dankzij de bevriende dominee Henkels).
Bekend werd hij ook door een ander vertaalproject: samen met zijn vriend en collega Franz Rosenzweig vertaalde Buber tussen 1926 tot 1936 de joodse Heilige Schrift, de Tenach, in het Duits. Ze deden dat heel grondtekstgetrouw in een monumentaal poëtisch Duits.
Ondertussen kwam Hitler aan de macht. Uit protest legde Buber zijn werk neer als professor in joodse geloofsleer en ethiek. In 1938 vluchtte hij naar Jeruzalem, waar hij tot 1951 les gaf in antropologie en sociologie. Buber was actief als ‘Homeland zionist’, maar verzette zich tot het laatst tegen de oprichting van de staat Israël en tegen politiek nationalisme. Hij had een gemeenschappelijke Arabisch-Israëlische staat gewild.
Een van de prijzen die hij kreeg was de Erasmusprijs.

Syncletica van Alexandria – Egypte, plm. 270 – 350

Syncletica

Zoals men een stug kledingstuk wast en bleekt door erop te stampen en het krachtig uit te wringen, zo wordt een sterke ziel door vrijwillige armoede nog krachtiger

Syncletica was een woestijnmoeder. Tijdgenoot van de beroemde Antonius. Dus een van de vele mannen en vrouwen die vanaf de vierde eeuw in Egypte, Palestina en Syrië kozen voor een spiritueel leven in afzondering in grotten en hutten. Zij stonden aan de wieg van christelijke spiritualiteit die tot op vandaag doorwerkt. Veel namen zijn vooral bewaard omdat hun uitspraken werden geboekstaafd en eeuwenlang doorgegeven. Er zijn geschreven collecties in het Latijn, Syrisch, Armeens, Georgisch, Koptisch, Ethiopisch, Arabisch en Oud-Slavisch.  Alleen een enkeling kreeg ook een biografie. Over Syncletica werd verteld dat ze van voorname komaf was en dat ze al jong naar God toe getrokken werd. Ze trok zich uit de stad terug om in een grot te gaan wonen. Er ontstond een grote toeloop van volgelingen en ze zou net als Antonius heel oud geworden zijn: wel tachtig.
En ze was mooi. Zoiets lees je nou nooit over een man.
Maar tot zover is het toch een nogal stereotiep verhaal. Haar spreuken klinken authentieker. Welke man zou er ooit op het idee komen om het proces van innerlijke verandering te vergelijken met het kloppen en wringen van wasgoed? De was zijn wij mannen pas een beetje van de vrouwen gaan overnemen toen er volautomaten en elektrische wasdrogers kwamen.
Een andere uitspraak van Syncletica gaat over het voedsel. Lekker eten is  er net als mooie kleren bij haar niet bij. Al die drukte over ‘kookkunst ter ere van het genot’  leidt je aandacht alleen maar af van wat echte verzadiging geeft aan je ziel. Ze maakt geen half werk van de oefening in zelfbeheersing. Mensen ‘in de wereld’ kennen die ook wel, maar dan ‘vermengd met haar tegendeel omdat zij met al hun andere zintuigen zondigen’.
Ik blijf graag een zintuiglijke genieter. Zo’n drastische aanpak van de ascese bezorgt me rillingen. Maar ze heeft wel een punt. Tegenwoordig krijgen we zonder toegevoegde kunstmatige kleur- geur- en smaakstoffen geen hap door de keel, zo overvoerd zijn we. En de vuilspuiterij op internet en andere media getuigt niet bepaald van zelfbeheersing. Oefeningen die ons helpen aan spirituele ontgifting en regelmatige wasbeurten van de geest kunnen ook vandaag geen kwaad. ‘Zoals de bitterste kruiden giftige dieren verdrijven, zo verjaagt gebed in combinatie met vasten vuile gedachten’.

(de afbeelding is een fantasie)