Guido de Brès

*Bergen (Mons), 1522 – † Valenciennes, 31 mei 1567

Veel meer verdienen wij het dwalende te blijven in de duisternis van dwaling en bijgelovigheid dan verlicht te worden door het onbeschrijfelijke licht van Uw hemelse waarheid


In 1567 werd hij samen met zijn collega De la Grange aan de galg gehangen. De Brès was de auteur van de Confessio Belgica, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die in de nacht van 1 op 2 november 1561 in een pakketje over de muur van het slot van Doornik was gegooid, met als bestemming de landvoogdes en koning Philips II.

De zoon van een glas-in-loodschilder raakte als jongeman in de Franstalige Zuidelijke Nederlanden gegrepen door de protestantse leer. In de vluchtelingengemeente in Londen besluit hij predikant te worden. In 1552 teruggekeerd begint hij vanuit Rijssel naam te maken als calvinistisch prediker. Hij is ook in de vluchtelingengemeente in Frankfort geweest en heeft Calvijn ontmoet. Dat hij goed belezen was blijkt uit zijn boek ‘Staf des geloofs’ (1555). Her en der voerde hij gesprekken om twijfelaars over te halen tot het protestantisme. In Doornik installeerde hij een kerkenraad. Toen de protestanten er met massaal psalmzingen op straat in september 1561 het bevoegde gezag provoceerden – niet zijn idee – moest hij vluchten. Signalement: lang, hoge rug, vlassige baard, slecht verzorgd, zwarte mantel. Om de verdenking tegen te gaan dat ze wederdopers waren schreef hij de Confessio Belgica, naar het voorbeeld van andere calvinistische geloofsbelijdenis in Europa. Calvinisten zijn geen oproerkraaiers maar gehoorzame onderdanen die in het ware katholieke geloof staan, aldus de begeleidende brief aan de koning. Het hielp niet.

Na een periode in Frankrijk weer terug bewerkte een preek in Valenciennes dat tweederde van de stad zich bij de Reformatie aansloot. Tot ongenoegen van het gezag dat een ban uitvaardigde. Het volk antwoordde met een beeldenstorm, augustus 1566. De Brès en De la Grange konden in beeldenvrije kerken preken. Maar een half jaar later werd de stad ingenomen. Na de pijnbank en gedwongen debatten over de paus en de mis kwamen de twee aan de galg. Ze hadden in de gevangenis het verbod op bediening van het Avondmaal overtreden. ‘Al ben ik dan met zware ijzers aan handen en voeten geboeid, toch laat mijn God niet na Zijn belofte te houden en mijn hart te troosten en mij vergenoeging in Hem te schenken’ schreef hij zijn familie.

De Confessio werd direct ook in het Nederlands vertaald en speelde sindsdien een grote rol bij de ondersteuning van de protestantse gemeenten ‘onder het kruis’ en het aanwakkeren van de opstand tegen de Spaanse heerschappij. Artikel 36 leert dat de overheid de openbare orde en de rechtsorde moet handhaven, maar ook afgoderij en valse godsdienst moet weren. Het laatste zijn we anders gaan zien. Wel fijn dat er vrijheid van godsdienst is gekomen in onze Lage Landen en een scheiding van kerk en staat. De strijd tegen ‘valse godsdienst’ begint elke dag bij onszelf.
2017

Herman Boerhaave

Mijn beste patiënten zijn de armen, want de Heer zelf heeft het op zich genomen om mij voor hen te betalen

*31 december 1668, Voorhout – † 23 september 1738, Leiden

Zijn 350ste geboortedag leverde veel aandacht in de media op alsmede een tentoonstelling. Nederland is trots zijn op deze belangrijke grondlegger van de medische wetenschap. Hij was in zijn tijd al een internationaal vermaarde medicus, anatoom, botanicus en scheikundige. Zijn faam reikte tot in China. Hij bracht de kwijnende medische faculteit tot bloei en bekleedde er als hoogleraar lange tijd drie van de vijf leerstoelen. Het onderwijs aan het bed blies hij nieuw leven in en ook hechtte hij grote waarde aan autopsie bij een onbegrepen doodsoorzaak. Er is een syndroom naar hem genoemd. Mede door zijn huwelijk werd hij een vermogend man. Voor zijn botanische aspiraties was de Hortus van de universiteit te klein. Daarom kocht hij in 1724 kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest voor de kweek van de zaden en planten die hij kreeg via internationale uitwisseling. Een van zijn buitenlandse studenten was de Zweed Linaeus. Zijn lijfspreuk ‘Eenvoud is het kenmerk van het ware’ illustreert zijn wetenschappelijke grondhouding die steeds naar de meest eenvoudige verklaring zoekt.

Het was de tijd van de beginnende Verlichting, met in de Republiek levendige debatten over de filosofie van Spinoza en Descartes. In de discussies over lichaam en ziel of het menselijk vermogen tot waarachtige kennis bleef Boerhaave nogal op de lijn van het calvinisme. Hij was de zoon van een calvinistische predikant. Zelf had hij eerst ook theologie en filosofie gestudeerd en van de universiteit in Harderwijk zelfs de doctorsgraad gekregen. Dat zijn interesse toch in andere richting was gegaan kwam mede door een jeugdervaring. Op zijn twaalfde had de aanval door een bijenzwerm een abces in zijn been veroorzaakt die jarenlang pijn veroorzaakte. Geen ingreep hielp, tot hij zelf met succes had geëxperimenteerd met zout en urine.

Zijn dag begon altijd met een uur lezing van de Bijbel en gebed. Voor hem was de hand van de Schepper zichtbaar in de dynamiek van alle materie, levend of versteend, zowel in de bloedsomloop als in bijvoorbeeld het gedrag van kwikzilver bij verhitting. Als mensen geschapen naar Gods beeld kunnen we de waarheid onderzoeken, begrijpen en liefhebben. Boerhaave liet zien dat een calvinistische levensovertuiging uitstekend samen kon gaan met exact onderzoek naar de natuur.
(2018)

Frederik Slomp/ ‘Frits de Zwerver’

Als er vanavond een Jood of onderduiker bij u aan de deur klopt en vraagt om onderdak om Christus wil, zult gij hem herbergen

*5 maart 1898, Ruinerwold – † 13 december 1978, Vaassen

Al jaren voor de Duitse bezetting was dominee Slomp geabonneerd op nationaal-socialistische tijdschriften uit Duitsland. Hij wilde weten wat daar gebeurde. In het Overijsselse Heemse, de tweede gemeente van de gereformeerde predikant, ontmoette hij regelmatig mensen van over de grens met slecht nieuws. Omgekeerd preekte hij ook in Duitsland, ook nadat het voor Nederlanders verboden werd.

Veertig jaar geleden overleed deze bekende verzetsman. ‘Tante Riek’ uit de Achterhoek die hulp aan onderduikers regelde, had goed gezien toen ze de ondergedoken dominee de opdracht gaf om een landelijk netwerk voor hulp aan onderduikers op te zetten, de ‘L.O.’ Behalve een principiële bestrijder van het nationaal-socialisme die geen blad voor zijn mond nam was hij ook een bekwaam organisator. In 1935 – de crisistijd – had hij al een commissie voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid geleid. Na de Kristallnacht van 1938 had hij illegale vluchtelingen geholpen. In dat jaar had hij zich ook gekeerd tegen het besluit van de Nederlandse regering om werklozen in Duitsland te laten werken. Duitsers die in zijn dorp woonden en dienst weigerden had hij 1941 helpen onderduiken.

‘Frits de Zwerver’ alias ‘Ouderling van Zanten’ dook op allerlei plekken op, soms ook om te preken en op te roepen om Joden te helpen. In 1944 werd hij per ongeluk gevangen genomen. Beroemd is de actie van de Ondergrondse waarmee men hem wist te bevrijden uit cel 56 van de Koepelgevangenis in Arnhem.

Na de Bevrijding werd hij een tijd vrijgesteld voor pastoraat aan nabestaanden van omgekomen mensen uit de illegaliteit. In spreekbeurten over ‘de geestelijke achtergrond van het verzet’ bracht hij nadrukkelijk ook de rol van vrouwen voor het voetlicht. Ook was hij geestelijk verzorger voor mensen die in de bezetting met de nazi’s hadden geheuld. Uit solidariteit met de jongens die werd uitgezonden werd hij legerpredikant in Nederlands-Indië. Aan één oor doof geworden door het krijgsgeweld kwam hij terug, inmiddels wel kritisch geworden jegens de Nederlandse Indië-politiek. In Hoorn in Noord-Holland en in Wolvega is hij nog actief geweest als evangelist met een groot hart voor de lagere inkomensgroepen.

Het had niet veel gescheeld of hij was met de Vrijmaking meegegaan, de kerkscheuring van 1944 onder leiding van prof. Schilder, zoals wel een groot deel van zijn gemeente. Hij was ‘vrijgemaakt’ in een diepere betekenis van het woord.

(2018)

Daniël Chantepie de la Saussaye

*10 december 1818, ’s-Gravenhage   -  † 14 februari 1874, Groningen 

De God die geen centraalheiligdom meer heeft voor de geheele menschheid, maar alleen nog afgezonderde kapelletjes in het hart van ieder individu, wat wordt hij anders dan het schepsel van den individu, de afgod door zijne rede, gevoel en verbeelding gevormd?


Zijn graf is nog altijd te vinden op de Zuiderbegraafplaats in Groningen. Zijn tweehonderdste geboortedag valt samen met de vijftigste sterfdag van Karl Barth. Ook La Saussaye is een belangrijke protestantse‘kerkvader’. Hij was de pionier van de ‘ethische richting’ die meer dan een eeuw lang belangrijke theologen heeft opgeleverd. De ethischen waren voorstanders van een ‘belijdende kerk’ in plaats van een ‘belijdeniskerk’, een belangrijk principe bij de vorming van de Protestantse Kerk in 2004. Ethische dominees gingen in de jaren ’30 al met hun catechisanten naar de bioscoop, betrokken op de culturele en maatschappelijke ontwikkelingen.

De ethischen kwamen voort uit de Réveilbeweging. Ze wilden het orthodox-protestantse geloof aan theologische vernieuwing onderwerpen. Chantepie de la Saussaye werd hun predikantenkring ‘Ernst en Vrede’ binnengehaald. Hij werd al gauw de voornaamste auteur van hun tijdschrift. Het zocht het debat met opkomend vrijzinnig modernisme en met verstarde orthodoxie. Dialoog in plaats van uitsluiting! Het is na 1848. In de week van de invoering van de nieuwe grondwet was la Saussaye als Waals predikant van Leeuwarden naar Leiden verhuisd. Met de voortschrijdende scheiding van kerk en staat én de komst van de trein begon de verzuilde organisatie van de samenleving. De antirevolutionairen deden onder leiding van Groen van Prinsterer intensief aan ‘partijvorming’ in kerk en staat. Maar de ethischen vormden met hun open kerkopvatting daarop een stevige rem. ‘Hun’ minister J.J.L. van der Brugghen zorgde met zijn nieuwe schoolwet voor zoveel conflict dat ‘Ernst en Vrede’ uiteenviel.

Door zijn afkomst had la Saussaye een eigen geluid. En hij maakte intensief studie van eigentijdse Duitse theologen, maar ook van Calvijn. Zo zag hij dat de modernen uitverkoop hielden van klassieke opvattingen over menselijke vrijheid en zonde. En hun kritisch-subjectieve benadering kon wel eens op atheïsme uitlopen! In de dynamische jaren ’60 was hij predikant in het grote hervormde Rotterdam. Zijn Leerredenen – lange preken – en andere publicaties waren ‘diepzinnig en doordringend’, erkenden veel tijdgenoten. Nog even was hij hoogleraar in Groningen.

De ‘Godmens’ Jezus Christus als openbaring van God vormde het hart van zijn denken. ‘Ethisch’ werd afgeleid van een Grieks woord voor het innerlijk. Theologie moest laten zien hoe het geestelijk leven vanuit Hem vorm krijgt. De leer is er ten dienste van de invloed van de Heilige Geest op mens en wereld.
(2018)

Georg Christian Dieffenbach

  * 4 december 1822 – † 10 mei 1901, Schlitz (Oberhessen)

Blijf bij ons, Heer, wanneer over ons komt de nacht van beproeving en angst, de nacht van twijfel en aanvechting, de nacht van de bittere dood

Zoals de ‘Franciscaanse zegenbede’ niet van Franciscus afkomstig is, is het bekende ‘Lutherse avondgebed’ niet van Luthers hand. Het is geschreven door een Duitse predikant-dichter. Dat het in de geest van Maarten Luther is, staat buiten kijf. De schrijver ervan stond dan ook in de Lutherse traditie. Toen er rond 1874 in Hessen nieuwe kerkelijke regelgeving moest komen heeft hij zelfs een leidende rol gespeeld in een confessioneel-lutherse beweging.

Dieffenbach had na zijn theologiestudie in Giessen eerst gefunctioneerd als leraar aan een jongensschool in Darmstadt en als hulpprediker, voordat hij in 1855 opvolger van zijn vader werd als stadspredikant in Schlitz. Toen had hij het Avondgebed al geschreven, want het komt uit zijn ‘Evangelische Hausagende’ van 1853, een boek voor de huiselijke godsdienstoefening, met gebeden en liederen en met schriftlezingen, gebaseerd op de klassieke evangelielezingen voor de zon- en feestdagen.

Uit Dieffenbachs schrijvende pen vloeiden verder diverse prekenbundels, andere teksten voor de liturgie en tal van gedichten. En kinderen hadden kennelijk zijn hart. Want voor hen schreef hij sprookjes en veel kinderliederen. Door anderen op muziek gezet of bij de uitgave van illustraties voorzien kregen ze een grote verspreiding. Met zijn veertien maandbladen ‘voor onze kleinen’ was hij een van de eerste auteurs van kinderliteratuur in Hessen. Een van de melodieën van die kinderliederen drong later door tot de musical My fair lady en werd een marslied bij de Bundeswehr en zelfs een carnavalshit. Maar ondertussen was het wel de oorspronkelijke tekst kwijtgeraakt. Die ging overigens over hoestende regenwormen.

Het Avondgebed haakt aan bij de vraag van de twee Emmaüsgangers in Lucas 24 aan Jezus op de avond van de allereerste paasdag. Die tekst is het uitgangspunt van veel avondliederen. De bekendste is wel de Engelse hymne ‘Abide with me’, ‘Blijf bij mij, Heer’ die op bijna hetzelfde moment ontstond.

Dieffenbach laat je bidden om Christus’ nabijheid in de levensavond en aan de avond van de wereld. Kan er dan een avond van de wereld komen? De boodschap van de zon- en feestdagen gaat over hoop op licht in het donker en over een nieuwe morgen voorbij de nacht. Groot kwaad hult de wereld soms in diep nachtelijk duister. Maar het heeft niet het laatste woord.


Het Luthers avondgebed staat in Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk van 2013 als nummer 202, op muziek gezet door Jan Valkesteijn.

Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher

*21 november 1768, Breslau – † 12 februari 1834, Berlijn

Het wezen van religie is beschouwing en gevoel


‘Over de religie. Betogen voor de ontwikkelden onder haar minachters’ is een beroemd geworden boek uit 1799. Vlak voor de eeuwwisseling anoniem verschenen, bleek het afkomstig te zijn van Schleiermacher, predikant van het Berlijnse Charité-hospitaal. In de vriendenkring van intellectuelen waar hij verkeerde werd druk gefilosofeerd. Maar religie stond nogal in een kwade reuk. In de eeuw van de Verlichting was het verzet gegroeid tegen religieus fanatisme en bekrompenheid. Schleiermacher zelf kende uit ervaring de hardvochtige trekken die het protestantse onderwijs kon hebben dankzij een somber mensbeeld. Hij kwam uit een familie van gereformeerde predikanten en had op school gezeten bij de Herrnhutters, een achttiende-eeuwse opwekkingsbeweging. Ook al had hij daar afstand van genomen, toch zou hij uitgroeien tot de belangrijkste protestantse theoloog van de negentiende eeuw.

Schleiermacher experimenteerde met nieuwe taal voor het geloof in de geest van de Romantiek. Dat was een tegenbeweging tegen de overheersende werking van het verstand en koele beredenering. Leren we belangrijke dimensies van het leven niet eerder direct kennen vanuit ons gevoel? Maar religie is net als kunst dan juist een wezenlijk onderdeel van ons menszijn, zo hield Schleiermacher zijn intellectuele vrienden en vriendinnen voor. Het is ‘een provincie in ons gemoed’ waar we ‘zin en smaak voor het Oneindige’ krijgen.
Klonk dit erg filosofisch en algemeen-religieus, het bleek dat Schleiermacher uit volle overtuiging predikant bleef. De persoon van Jezus en de Kerk bleven voor hem van wezenlijk belang: Jezus had het Godsbewustzijn vervolmaakt! Hij werd een gezaghebbend hoogleraar aan de pas gestichte universiteit van Berlijn, met doorwrochte analyses van de christelijke geloofsleer volgens zijn uitgangspunt van 1799.

Geloofsuitspraken zijn uitdrukking van het ‘afhankelijkheidsgevoel’ dat uiteindelijk niet los van God verkrijgbaar is. Schleiermacher stond zo aan de wieg van de zogenaamde ervaringstheologie die in negentiende eeuw een hoge vlucht zou nemen, ook in ons land.

Maar is zulke theologie niet veel te teveel gericht op de eigen beleving? Karl Barth werd in de twintigste eeuw een uitgesproken criticus. Maar hij bleef zijn boeken herlezen. Misschien moesten we Schleiermachers werk maar opvatten als een theologie van de Heilige Geest. Begint theologie niet bij het zelfbesef en het Godsbesef dat de Geest in mensen wekt?

Twee eeuwen later is het minachten van geloof en religiositeit bepaald niet minder geworden. Het blijft belangrijk om herkenbare taal te zoeken voor de bijzondere zingeving die de christelijke geloofstraditie aanreikt!
(2018)

Justinus de Martelaar

*100/114, Flavia Neapolis – † plm. 165, Rome

de woorden van de Verlosser hebben een ontzaglijke majesteit in zich en brengen een grote gemoedsrust


Je zou hem een Palestijns theoloog kunnen noemen. Want zijn geboorteplaats Flavia Neapolis is het huidige Nabloes. Het was toen deel van het Romeinse rijk. Justinus is een van de eerste apologeten: de gedreven verdedigers van het christelijk geloof uit de tweede eeuw die een christelijke theologie begonnen te ontwikkelen. Die verdediging was wel nodig. Zoals de Apologie van Justinus, gericht aan keizer Antoninus Pius laat zien, had het christendom bij de gestage verbreiding door het Romeinse Rijk te maken met beschuldigingen van atheïsme, incest, kannibalisme en domheid. Door een beeld van het leven van de christenen te geven wil hij laten zien dat het van hoger niveau is dan wat het heidendom leert.

Justinus was een bekeerde niet-jood. Als jonge man bezocht hij diverse filosofische scholen. Op een dag was hij aan het mediteren, mogelijk aan de kust te Efeze. Een oude man zoekt daar het gesprek met hem. Stap voor stap toont hij hem de zwakheid van alle filosofische stelsels en raadt hij hem de lezing van de profeten en evangelisten van de Bijbel aan. Justinus, al onder de indruk van de moed van vervolgde christenen, ging over tot het christendom.

Gekleed in een filosofenmantel dook hij op in allerlei plaatsen in het Romeinse Rijk om debatten aan te gaan over het geloof. Hij verloochende de Griekse filosofie niet, maar gaf er nieuwe inhoud aan. Socrates werd zo net als Abraham een voorloper van het christendom en de God van Plato was eigenlijk de God van de Bijbel. Bewaard gebleven geschriften laten zien dat hij de gnostiek bestreed en de christelijke leer van de opstanding der doden verdedigde. De gnostiek was de ‘new age’-leer van de oudheid: een populaire spirituele filosofie met Christus als symbool van het diepere Zelf. Ook Marcion, de dissidente christen in Rome die het Oude Testament het boek van een mindere God vond dan het Nieuwe, ‘werd bestreden door Justinus.

Zijn belangrijkste geschrift is een debat met Trypho, een rabbijn die de christenen verweet dat ze de joodse wet hadden gebroken en een mens als god vereerden. Justinus beriep zich op de Hebreeuwse Bijbel, die in zijn visie van Christus getuigde. Gods wijsheid is in Christus mens geworden. Hoe kun je die nu passeren? Het gaat er heftig aan toe. ‘Jullie hebben het toppunt van jullie verdorvenheid bereikt in de haat tegen de rechtvaardige die jullie hebben gedood’.

Justinus werd in Rome vanwege zijn overtuigingen veroordeeld en geëxecuteerd. De verantwoordelijke keizer is dan Marcus Aurelius, ook een filosoof en de auteur van Meditaties over stoïcijnse gemoedsrust die nog altijd worden gezien als een literair monument voor dienstbaarheid en plichtsbetrachting. Vervulling met ‘hogere wijsheid’ garandeert dus bepaald nog geen humaan gedrag.
(2018)

W.G. van de Hulst (sr.)

Wat zonneschijn is voor de bloemen, zijn verhalen voor het kind

*28 oktober 1879, Utrecht – † 31 augustus 1963, Utrecht

Willem Gerrit van de Hulst is geroemd als vertegenwoordiger van ‘het beste wat het Nederlandse calvinisme aan de kinderen te bieden had: de lagere school en het kinderboek’. Hele generaties hebben leren lezen met zijn kinderboeken, met streepjes tussen de let-ter-gre-pen in de beginnersboeken. De reeks Voor onze kleinen kreeg wel 21 nummers. Naast Het Grote Voorleesboek waren er de Bijbelsche vertellingen om uit voor te lezen voor het slapen gaan. En was je groter dan las je Jaap Holm en zijn vrienden of de Rozemarijntje-reeks.

Kinderen liepen er vaak op klompjes, waarvan er soms één op het water dreef. Zakgeld bestond niet. Arbeiders werkten zich krom maar konden hun kinderen toch niet altijd fatsoenlijke kleren geven. Deuren gingen er niet op slot, ook al waren er landlopers. De hondjes heetten Fik of Sim. Peerke met z’n kameraden was een zieke bedlegerige jongen. De verhalen waren wel eens sentimenteel of zwart-wit. Gemene mannen en ruwe jongens deelden weleens zulke rake klappen uit en pestten dieren zo heftig, dat sommige boeken niet meer werden herdrukt. Moeders zijn er vaak vroom. En het verloren schaapje dat weg dwaalt van de kudde is stout. Maar de meisjes die een wegje door het koren maken bij het klaprozen plukken hebben alleen goede bedoelingen.

Van de Hulst gaf de kinderen vooral ook een veilige wereld. Er komt altijd redding, het goede overwint, het kwade wordt gestraft of gestopt, maar voor de schurk(jes) is er ook vergeving. God die alles ziet is vol liefde en een beschermer van zwakken. En al speelt het geloof een belangrijke rol in zijn boeken, in tegenstelling tot de kinderboekenschrijvers van voor zijn tijd preekte Van de Hulst niet. Ook veel kinderen buiten de protestantse ‘zuil’ konden daardoor van menig boek genieten.

Hij was geboren in een Utrechts gezin waar vader al vroeg overleed. Ondanks de armoe lukte het hem om op de kweekschool te komen. Op de Nederlands Hervormde School aan de Jutfaseweg in Utrecht waar hij stage liep is hij zijn hele loopbaan blijven hangen. Hij was ook actief in plaatselijke bioscoop- en schoolopvoedingscommissies en werkte mee aan christelijke bladen als De Spiegel en Moeder. Er zijn wel elf miljoen boeken van zijn hand verkocht. In de Soete Suikerbol met prenten van zijn zoon is zelfs bewerkt tot musical.
(2018)

Jezus stapte mijn zolderkamer binnen (FD 31-8-2018)

zomerserie ‘Mijn ervaring’

Het was ergens rond mijn zestiende. Ik was middelbare scholier en heus niet heel intensief met geloofsvragen bezig. Het vak godsdienst op school vond ik bijvoorbeeld tijdverspilling. Als dat op maandagmorgen viel had ik al een heel weekend achter de rug met catechisatie gevolgd door jeugdvereniging en op zondag meestal twee keer naar de kerk. Kerk en geloof bepaalden nogal de atmosfeer waarin ik opgroeide. Mijn vader was niet de enige dominee in de familie en wij woonden op de Veluwe. En er werd ons verteld dat je toch eigenlijk ook aan persoonlijke Bijbelstudie moest doen, wilde het goed met je komen. De donkerblauwe Bijbel lag dus bij mijn bed , gekregen bij het verlaten van de lagere school en tot mijn spijt al in de brugklas beschadigd geraakt omdat hij elke dag meegenomen moest worden in de zware boekentas. Bijna vijftig jaar later weet ik de speciale geur nog.

Positieve huiver
Niet dat ik ‘s avonds om half elf na de lange fietstochten en het vele huiswerk (vooral dankzij meneer van Diermen, de leraar Duits) nog puf had. Het hoefde misschien niet elke dag en er was gelukkig geen controle. Maar zomaar een stukje uit één van de evangeliën raakte mij op een keer toch wel bijzonder. Er ging een rilling ergens over mijn rug! Een positieve huiver. Meer was het niet. Maar ook niet minder. Die Jezus toch. Hij had mij aangesproken. Ik was geraakt.
Pas later realiseerde ik me meer het belang van dat moment. Dat toen k beslissend de balans was doorgeslagen. Het speet me dat ik toen niet meer terug kon halen bij welke Bijbeltekst het precies geweest was. In elk geval was het bij een van de verhalen dat Jezus rondtrekt door Galilea en ontmoetingen aangaat. In mijn omgeving werd er een enorm nadruk op gelegd dat Jezus gestorven was voor onze zonden. Maar ik voelde me geen groot zondaar, wel een onzekere tiener. Mijn klik met Jezus was zijn boodschap van mededogen in zijn vriendelijke omgang met mensen. Die essentie ‘kwam binnen’. Ik mocht er zijn.

Raakmomenten
Zestien is nu eenenzestig. Ik ben ook theologie gaan studeren en predikant geworden. Niet per se door dat ene moment. Er waren daarvoor en daarna zoveel meer ‘raakmomenten’. Maar dat ene is wel richtinggevend geworden voor de manier waarop ik de Bijbel lees en in de christelijke traditie ben blijven staan. Het bleek onder meer te helpen bij onderscheiden tussen de kern en minder noodzakelijke of zelfs hinderlijke verpakking van de geloofsboodschap, toen de vele kritische vragen bij allerlei aspecten van de christelijke leer zich opstapelden, rationele jongere die ik ook was en man die ik ben. ‘De kern ziet wijd’, zei een van mijn hoogleraren vaak. Amen.
Nee, een visioen was het niet. Maar de theoloog Edward Schillebeeckx schreef ooit in zijn belangrijke Jezus-boek ‘Jezus, het verhaal van een levende’ over de verhalen van zijn verschijningen na Pasen dat Jezus ‘epifaan’ is geworden. Jezus is verschijnend geworden. En daarover kunnen we meepraten. Daar is geen mirakelgeloof bij nodig. De Jezus van Nazareth van toen kan via de Bijbel overal binnen komen.
Die Jezus is wel vriendelijk in zijn vertegenwoordiging van het grote Ja van God tegen mensen, maar niet soft. Ook dat besef dateert uit die jeugd met stevige opvattingen over de Bijbel. Het pastoraat is een mooie manier om persoonlijke ontmoetingen aan te gaan waarin ik op mijn beurt dat Ja mag vertegenwoordigen. Ik hoop dat er kerken zullen blijven die mensen financieel vrij spelen voor dit prachtige werk. Maar kerken moeten zich – in Jezus’ Naam – ook inzetten om de rechtvaardigheid in de wereld te vergroten tegen over mensen die met wie gesold wordt en over wie heen gelopen wordt of die van hun land gejaagd worden om hun geloof of culturele identiteit.

Arabisch
Eens heb ik een kerkdienst meegemaakt in dat gebied waar de Heer zijn voetstap zette. Het was een dienst in het Arabisch, in een volgepakte kerk ergens op de flanken van de Karmel. Totaal onverstaanbaar dus. Alleen de bijbelse plaatsnamen in de preek waren herkenbaar. Maar het was voelbaar dat hier geleefd werd uit de vreugde dat de Heer in hun land was verschenen en dat deze broeders en zusters daar hun gevoel van waardigheid aan ontleenden. Aanstekelijk.

FD 31-8-2018 ‘Geloven’

Koesteren van de Heimat in migrantenland

Christenen zijn pelgrims naar de eeuwigheid, ‘vreemdelingen en bijwoners’. We leven wel ‘in’ de wereld maar we zijn niet ‘van’ deze wereld. ‘En geen plek waar wij al thuis zijn … verre verten zoeken wij op hoop van zegen’, dichtte Sytze de Vries in een prachtig lied voor de laatste weken van het kerkelijk jaar, lied 813. Maar wat betekent het als groeiende aantallen medeburgers uit verre landen neerstrijken in het land waar jij en je voorgeslacht al eeuwen woonden, werkten en kerkten? Mogen we houden van het nationale volkslied, van onze streektalen en van af en toe een straatbeeld zonder hoofddoekjes, van dagelijks klokgelui zonder verstoring door de gebedsoproep van een moskee? Zo gemakkelijk geven we onze liefde voor ons Heim niet op. Of moeten we daarbij een schuldgevoel hebben?

Topophilia
Britse neurowetenschappers ontdekten onlangs hoe belangrijk topofilie is: ‘liefde voor een plaats’. Diepe gevoelens van geborgenheid, veiligheid, rust en kalmte worden in ons brein vooral opgeroepen door plaatsen. Ze doen dat zelfs meer dan foto’s van geliefden of de trouwring. Herinneringen die bepalend waren voor de ontwikkeling van ons gevoel van identiteit lijken nog meer aan plaatsen vastgeplakt te zitten dan aan de mensen door wie we gevormd zijn. Interessant. ‘Waar kom jij vandaan?’ is daarom dus een vraag die we al gauw stellen als we iemand willen leren kennen, niet wie zijn of haar meesters, juffen of dominees waren.

Daarom doet identiteitspolitiek het momenteel zo goed, in Europa en ver daarbuiten. Amerikanen koesteren hun blanke conservatief-christelijke identiteit (met recht op privé-wapentuig). Israël verklaart zichzelf tot joodse staat, ‘de enige veilige plek voor Joden in deze wereld’. Nederland maakt de kennis van het Wilhelmus tot speerpunt van het kabinetsbeleid. En Duitsland heeft weer ministers voor de Heimat, wat sinds de nazi’s een taboewoord was. Mevrouw Merkel moest wel, vanwege de oplopende spanningen over haar vluchtelingenbeleid. Als het gevoel opspeelt dat we ons plekje kwijtraken, valt het niet mee om ons in te leven in anderen die juist hierheen gekomen zijn omdat ze op hún plek geen leven hadden. We willen misschien best gastvrij zijn. Met enige tegenzin accepteren we misschien de roetveegpiet, want je kunt je vele landgenoten met een slavernijverleden in hun stamboom toch niet op de tenen blijven trappen. Maar hoe kunnen we gastvrij zijn als we geen eigen huis meer hebben, zegt het topofiele stemmetje in ons brein nogal dwingend. En dus willen we maatregelen ter bescherming van ‘onze’ identiteit.

Allemaal migranten
Maar ondertussen zingen we als christenen het pelgrimslied over het komende Koninkrijk. Moet onze bereidheid tot verandering het dan niet winnen van het behoudzuchtig koesteren van onze verworvenheden? Ja. Aldus Dorottya Nagy, hoogleraar missiologie aan onze Protestantse Universiteit, in de synodevergadering van april dit jaar. Ze was uitgenodigd voor de jaarlijkse lezing. Ze is zelf een Hongaarse uit Roemenië, met kinderen geboren in Duitsland, woonachtig in Finland. Ze had een kritisch verhaal over allerlei verwarring en rond het begrip migratie en migranten. De tweedeling tussen migranten en niet-migranten klopt vaak niet. We zijn al eeuwen een gemengd volk. En ze liet zien hoe we nieuwe mythes aan het vormen zijn. Zo bestaat er de evangelische mythe van de christelijke migranten die onbedorven zijn door onze westerse ontwikkeling en daarom het christendom hier zouden kunnen redden. En hoeveel soorten migratie zijn er niet? Neem de trek van platteland naar stad. Dorpen moeten scholen en kerken sluiten door krimp, huizenprijzen in steden schieten de pan uit. En ontkerkelijking is ook van migratie. In korte tijd verwisselen mensen massaal hun kerkelijke onderdak voor het vrije leven van postchristelijke seculieren, al dan niet met Boeddha in de vensterbank. En hoe belangrijk is het om steeds weer de achtergronden in het oog te houden waarom mensen in de wereld op drift zijn. Niet alleen door terrorisme. Klimaatverandering maakt hele streken onbewoonbaar. Zijn we niet zelf mede-verantwoordelijk? En als kerk zijn we daarom nooit klaar. Altijd ‘onderweg’ zijn hoort bij het geloof. Kerk zijn we nog steeds aan het worden, aldus prof. Nagy.

Drie betekenissen van Heimat
Het was misschien een noodzakelijk verhaal. Maar eenzijdig. Kerk alleen maar steeds aan het worden? Vermoeiend. Je wilt toch ook een plek waar je het fijn bént? Eerder in diezelfde aprilmaand werd de pers gehaald door prof. Beatrice de Graaf. Ze is bekend als terrorismedeskundige. Ze had een lezing gehouden voor de Christen-Unie over ons groeiende verlangen naar een Heimat. Via die topofilie en de Duitse Heimatministers kwam ze in haar verhaal bij drie betekenissen van ‘Heimat’. Het is de ruimte en plaats waar je bent geboren of opgegroeid. Het is de plek waar je via de lijn van de geschiedenis aan verbonden bent (via voorouders of gemeenschappelijke voorgeschiedenis). Maar het is bovenal de plaats waar je je sociale tehuis vindt. Het is de gemeenschap waar je door sociale bindingen geborgenheid vindt. ‘Ruimte, historische geworteldheid en gemeenschap – dat is de drieslag die ‘Heimat’ zijn eigen kleur, reuk en smaak geeft’. En die Duitse politici zijn best voorzichtig bezig te onderzoeken hoe het gevoel van veiligheid kan worden bevorderd als het gaat om belangrijke waarden en verworvenheden of ook gewoon leuke dingen van de eigen cultuur. Er zijn dingen die de moeite van het koesteren en bewaren waard zijn.

Er moet een plek zijn op de wereld
Vanaf de eerste boeken van de Bijbel gaat het steeds zowel over een Stem die ons op weg roept maar ook over Land in zicht als grond onder de voeten. God leidt je door de woestijn maar geeft je ook een land van aankomst. De staat Israël is het Beloofde Land nog niet. En Gronings is een mooie taal, maar er worden soms lelijke dingen mee gezegd. Zo dagen de beelden en liederen van het oeroude Geloofsverhaal ons telkens weer uit om te wikken en te wegen over wat we vasthouden en wat we loslaten. ‘Er mag een plek zijn om te blijven, er mag een plek zijn om te gaan. Dan heb je vleugels om te drijven, een been om op te staan’ (Eppie Dam).

Protestantse Kerbode, hoofdartikel oktober 2018

De Geest waait nog steeds

Op Pinksteren is de Kerk nog lang niet jarig. De vuurvlammen uit het Pinksterverhaal geven aan dat het niet klopt als we over het Evangelie met stomheid geslagen zijn. Achter gesloten deuren blijven zitten met de inside-information is er niet bij. En wie geen visioen van vrede, gerechtigheid en eenheid koestert, heeft er ook niets van begrepen. De Heilige Geest ontregelt. Toch is er dit jaar wel een jarig: onze Raad van Kerken. Als dat niet met de Heilige Geest te maken heeft! Tijd voor een feestje.

‘De Heilige Geest, dat is toch iets van de katholieken?’ Die gedachte had een van de deelnemers toen een studiedag van doopsgezinde zusters ‘de Heilige Geest’ als thema had. Anderen dachten aan uit je dak gaan en dat doet een nuchtere protestant niet gauw. Het staat in een boekje dat de Raad van Kerken in Nederland uitgaf ter gelegenheid van haar vijftigjarige bestaan. Het bevat een selectie van Pinksterliederen. Elk lied is gekozen en van commentaar voorzien door een afgevaardigde van een van de aangesloten kerken. Geen christen en geen kerk die er aan ontkomt om het loflied op de Heilige Geest te zingen. De Geest heeft ons allen, ook als we er misschien nuchtere geesten en praktische doeners bij blijven.

Vorig jaar maakte de Raad met een bundel paasmeditaties de veelheid van stemmen in kerkelijk Nederland zichtbaar maakte. Bij de verkondiging van het opstandingsevangelie spreken christenen niet eensluidend. Die bonte diversiteit zou je ook kakafonie kunnen noemen. Maar als het gaat om wat ieder zingt op Pinksteren, dan vallen in dit boekje eerder de overeenkomsten op. Dat is precies wat bij de Heilige Geest past: verbinden en bezielen tot eenheid. Ieder in zijn of haar eigen geloofstaal wordt geraakt door de Ene. De noten op de zang van iedere vogel in de volière van de Raad verschillen. De vierkante blokjes van het Gregoriaans klinken anders dan ‘Ik voel de winden Gods vandaag’ van Kees Boeke of ‘Samen in de naam van Jezus’. Maar wat ieder aan het hart gelegd is, wijst wel in dezelfde richting.

Dit jaar viert ook de Wereldraad van Kerken een jubileum. In augustus zal de oprichting van de Wereldraad zeventig jaar geleden in Amsterdam worden gevierd, op dezelfde plek, de Nieuwe Kerk op de Dam. De Nederlandse Raad van Kerken kwam dus pas twintig jaar later. In ons land was eerst de schok nodig dat de protestantse prinses Irene zich ‘rooms’ liet herdopen, voordat kerken elkaar echt opzichten. Daardoor zit de Rooms-Katholieke Kerk wel in de Nederlandse Raad, terwijl die geen deel uitmaakt van de Wereldraad. (Wat met getallen te maken heeft. De kerken in de Wereldraad hebben samen wereldwijd nog niet de helft van het aantal leden dat de wereldkerk van de paus in Rome heeft).

Maar is de oecumene niet dood dan? Zijn de visioenen van toen niet verbleekt? De versplintering van kerkelijk Nederland is in feite al maar doorgegaan. Er waren wel kerkherenigingen, maar evenzoveel nieuwe kerkstichtingen, en meestal is de reden dat de ene gelovige dan niet wil samenwonen met wie het lied van het geloof anders zingt. En ja, de betekenis van raden en instituten is veranderd. Instituten maken plaats voor netwerken. We zijn veel minder waarde gaan hechten aan officiële verklaringen en gezamenlijke documenten. Het budget van de Raad en de omvang van de staf zijn daarom maar klein.

Maar als je goed kijkt zie je dat het visioen van toen nog springlevend is. Ook al zijn er eerder meer dan minder kerken, kerkmuren zijn wel veel lager geworden. We delen veel gemakkelijker elkaars liederen. Er vindt veel meer grensverkeer plaats. We leven veel minder ‘verzuild’. Partijpolitieke scheidslijnen gaan al lang niet meer gelijk op met kerkelijke scheidslijnen. Het CDA werd geformeerd. De EO kreeg zelfs de IKON onder dak en de NCRV wordt alleen nog door een heel klein verbindingslijntje gescheiden van de KRO. Het verjaardagslied bij de Raad van Kerken moet dan ook luiden ‘Lang zal ze leven!’ Gewoon omdat we moeten erkennen dat de Geest zelf het visioen van eenheid en verbonden werken aan een leefbare wereld onder jongeren en ouderen blijft aanwakkeren.

In de bundel klinkt ook het geluid van kerken van Syriërs en Kopten. Nieuwkomers uit andere landen versterken het geluid van de Geest in ons land. Enkele weken geleden werd dat ook zichtbaar op de synode van onze Protestantse Kerk door het toetreden van een eigen gemeente van Indonesische christenen. Gods Kerk in Nederland wordt steeds veelkleuriger.

In de bundel ontbreken bijdragen uit verwante religies. Want de Raad van Kerken is geen Raad van Religies. Maar ook het geluid van andere religies gaat niet buiten de Geest om. De Geest van Pinksteren is de Geest van Tora en Profeten en Pinksteren zelf is het joodse feest van het verbond op de Sinaï. En Mohammed heeft geput uit joodse en christelijke bronnen bij de formulering van zijn profetische boodschap. Om het even bij twee naaste buren te houden. We kunnen over en weer soms echt bezieling door eenzelfde verlangen waarnemen. Ook al verschillen we wat betreft belijdenis, politieke opvatting of liturgie. De herkenning van anderen als medepelgrims op de weg naar vervulling van Gods visioen voor zijn schepping houdt niet bij kerkmuren op.

Nee, met de Geest gaat stilzitten voorlopig niet lukken.

Protestanste Kerkbode, hoofdartikel mei 2018