Willem Adolph Visser ’t Hooft

Samen op zoek naar hetzelfde: een beter verstaan van het Evangelie

*20 september 1900, Haarlem – † 4 juli 1985, Genève

Hij heeft in zes continenten van de wereld gepreekt. In grote kathedralen en kleine plattelandskerkjes, in diensten die heel erg plechtig waren en in kerkdiensten met halleluja-geroep en wuivende zakdoekjes tijdens de preek. Voor mensen van allerlei kleur en met verschillende tradities. Met een paar aanpassingen aan de plaatselijke situatie kon hij vaak dezelfde preek houden. ‘De voor de hand liggende conclusie is, dat de kerken veel meer gemeen hebben dan ze zich realiseren’. Het was zijn levenswerk om die diepere eenheid zichtbaar te maken.

Visser ’t Hooft heeft eens voorop Time gestaan. In Genève runde hij het bureau van de voorloper van de Wereldraad van Kerken. Na de oprichting van die Wereldraad, augustus 1948 in Amsterdam, werd hij de eerste secretaris-generaal. Toen hij in 1965 met pensioen ging had hij enkele honderden medewerkers. Zijn leven lang heeft hij het oecumenische ideaal belichaamd, in talloze ontmoetingen met kerkleiders en politici, met delegaties en studenten en op veel grote conferenties. Met alle grote thema’s van de twintigste eeuw heeft hij zich bezig gehouden met het oog op een passend getuigenis van de kerken.

In de bezettingstijd was hij ook hoofd van ‘de Zwitserse Weg’, een inlichtingendienst die informatie uit Nederland naar de regering in ballingschap in Londen smokkelde. Geallieerde regeringen probeerde hij te doordringen van de ernst van Hitlers Jodenvervolging. Na de oorlog werd er vanuit Genève veel georganiseerd voor ontheemde vluchtelingen. Kerk zijn zonder bemoeienis met politiek en samenleving was voor hem ondenkbaar.

Typerend is het thema van het boek dat hij als tachtigplusser nog schreef: het Vaderschap van God in een eeuw van emancipatie. Terecht hebben mensen en volkeren telkens ketens van paternalisme en patriarchale dwang van zich afgeschud om als mannen en vrouwen een waardiger leven te bereiken. Maar emancipatie kan geen definitief doel op zich zijn. Zijn er geen tekens van frustratie over een samenleving waarin alles mag en iedereen alleen bezig is met zelfexpressie? Goed als er dan kerken zijn met een boodschap die ook gaat over grenzen van de vrijheid en over menselijke verantwoordelijkheid. Het is dan 1982 en dat is lang voor het selfie-tijdperk.

Een van zijn overgrootvaders was vurig antirevolutionair. Een grootvader daarentegen verliet de kerk, werd Vrijmetselaar en voorvechter van openbaar onderwijs. Zelf wilde hij beide kanten verbinden, de menselijke honger naar vrijheid én het inzicht in het belang van spiritualiteit en van gezamenlijke overtuigingen, als gedreven zoeker naar de betekenis van de boodschap van het Evangelie over het komende Koninkrijk van de Vader.
(2018)

Jan Buskes

God zegt ja tot de mens en neemt deel aan zijn leven. Hij staat borg voor de mens. Hij is God van Abraham, Isaäc en Jacob, de God van jan en alleman.

*16 sept 1899, Utrecht – † 9 maart 1980, Amsterdam

Bij de deur onderaan van de trap van een bovenwoning in Amsterdam moet hij wel eens naar boven geroepen hebben dat hij ‘van het licht’ was. Een dominee moet soms wat om binnen te mogen komen. Hij kon het pakkend zeggen. Zijn discussies met communisten trokken stampvolle zalen, zijn diensten volle kerken, zijn bijbelse dagboek ‘Brood voor het hart’ veel lezers, zijn optreden voor radio en tv veel kijkers en luisteraars. Een keer zat hij bij Mies Bouman.

Ds. Buskes was een van de predikanten die in 1926 de Gereformeerde Kerken verlieten en ‘Hersteld Verband’ in leven riepen. De synode van Assen had namelijk officieel vastgesteld dat de slang in het paradijsverhaal echt gesproken had. Het was hun te bar. De meeste ‘herstelden’ werden na de oorlog Nederlands Hervormd.

Buskes was al vanaf zijn studietijd onder de indruk van de theologie van Karl Barth. Hij is predikant geweest op Texel, in Rotterdam en het langst in Amsterdam. Bij het bombardement van Rotterdam in 1940 hoorde hij iemand roepen ‘Ik neem het niet’. Buskes als theologisch orthodox maar politiek rode dominee nam ook heel veel niet. Hij liep voorop in bestrijding van het nationaal-socialisme en de NSB. Het kwam hem driemaal op arrestatie te staan en op een verblijf in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel. Zijn boeken kregen titels als ‘Het humanisme van God’, ‘Hoera voor het leven’, ‘Glorie en uitschot van het heelal’, maar ook ‘Zuid-Afrika’s apartheidsbeleid: onaanvaardbaar!’ (al in 1955). Binnen de PvdA lag hij dwars over de strijd in Nederlands-Indië, het toetreden tot de NAVO en de investering in kernwapens. Hij was al vanaf 1928 ook actief in de vredesbeweging ‘Kerk en vrede’.

Opmerkelijk blijft ook dat juist hij zich in de hoofdstad direct na de bevrijding meldde bij de tijdelijke gevangenis voor gevangen gezette NSB-ers. Zij hadden ook pastoraat nodig. Aanwezigheid van gewapende bewakers in de kerkdiensten met hen wees hij af. Over de politieke gevangen hield hij ook het grote publiek én de voorlopige regering voor dat onze gerechtigheid moest lijken op die van God en dus niet genadeloos kon zijn. Maar toen hij in 1948 op de radio te keer ging tegen de politionele acties in Nederlands-Indië werd hij zelf betiteld als landverrader. Bewonderd én verguisd zou hij tot zijn dood blijven.
(2018)

Johannes Bogerman

Je draagt Scherpenheuvel in je hart mee

*1576, Upleward – † 11 september 1637, Franeker

Bogerman is vooral de geschiedenis in gegaan als de voorzitter met baard die in toorn ontstoken de Remonstranten heeft weggestuurd op de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-’19. Ze belemmerden met aanhoudende vragen over procedures en bevoegdheden de inhoudelijke behandeling van het geschil over de leer waarover hooglopende conflicten liepen in ons land.

Bogerman was geboren in Oost-Friesland als zoon van een voormalig pastoor. Hij studeerde aan de universiteit van Franeker en was vervolgens predikant te Sneek (1599), Enkhuizen (1603) en Leeuwarden (1604-1634). Bogerman was mild van karakter, maar streng in de leer tegenover afwijkende varianten van het protestantisme zoals van socinianen, arminianen en doopsgezinden. Leeuwarden leende hem uit aan de Haagse groep contraremonstranten die de leegstaande Kloosterkerk hadden geclaimd voor eigen kerkdiensten. Prins Maurits ging daar ook naar de kerk bij wijze van politiek statement. En Bogerman werd zijn hofprediker.

In de leer was Maurits een calvinist, in het leven een wulpse hoveling. Daarover zou Bogerman de prins nooit in het openbaar kapittelen, noch over de onthoofding van Oldebarnevelt (1619). Maar wel publiceerde Bogerman na het overlijden van de prins een uitvoerig verslag van het sterfbed (1625). Ze hadden elkaar nodig gehad, de een voor zijn politiek en de ander voor de versterking van zijn kerk. En Bogerman vermeldt alleen in algemene termen een biecht van zonden. Maar het geeft wel inkijk in de ziel van Oranjes, ook van de eerder overleden Willem Lodewijk, Fries stadhouder. Beide neven beaamden de leer van de uitverkiezing. En Bogermans verslag liet zien hoe God aan zijn uitverkorenen de volharding schenkt, maar dat Hij ook toelaat dat ze soms zwaar vallen. En God wekt dan bij zijn uitverkorenen berouw en de zekerheid van vergeving. Uitverkiezing geschiedt ’tot geloof’ en niet op basis van ‘vooruitgezien geloof’. Het breekt pas door via gebed en verootmoediging. De leer van Dordt kreeg zo een leeswijzer via een hooggeboren zondaar.

Bogerman heeft ook meegewerkt aan de Statenvertaling waartoe in Dordrecht besloten was. Net voor de officiële overhandiging van de eerste druk overleed hij. Hij was toen hoogleraar theologie in Franeker. De Dordtse kerkorde werd door de gewestelijke Staten afgewezen. Daardoor kwam er twee eeuwen lang geen nationale synode meer bijeen. De kerk moest niet al te zelfstandig beleid willen maken!

Kerkelijke hereniging met de Remonstranten is er nog steeds niet. Misschien iets voor nader gewetensonderzoek?
(2018)

Beatrijs van Nazareth – *1200, Tienen – † 29 augustus 1268, Lier (B)

705 jaar geleden overleed de schrijfster van het oudste geestelijke geschrift in het Middelnederlands. Nazareth was het klooster bij Lier waar ze de hele tweede helft van haar leven woonde. Ze is dus niet de Beatrijs van de legende, de non die haar klooster verlaat voor een aards liefdesleven, maar bij terugkeer merkt dat al die tijd haar plaats is ingenomen door Maria zelf, of de edele vrouwe uit Dantes Divina Comedia. Een non was ze wel en een nogal bruisend liefdesleven had ze ook. Haar geschriftje gaat namelijk helemaal over de Minne. Onze taal is de eeuwen door wel voor slechtere zaken gebruikt!

de liefde neemt je zo te pakken dat je geen maat kunt houden

En ze was er al jong bij. Vader was niet onbemiddeld en had bemoeienis met verschillende kloosters. Als zevenjarige kreeg ze onderwijs van Begijnen en vanaf haar tiende bij de Cisterciënzers. Daar ontmoette ze de mystica Ida van Nijvel en als zestienjarige werd ze zelf novice. Eigenlijk vond men haar nog te jong, maar ze was niet te stuiten. En ze ging nogal drastisch te werk in het zoeken van de vervulling met de goddelijke liefde. Jezelf pijnigen en uithongeren was in de Middeleeuwen toegestaan. Ze had periodes van ‘insania’, waanzin. Van de liefde buiten zichzelf geraakt. Of maakte anorexia haar licht in het hoofd? Ze maakt indruk en wordt een tijd priorin. In het tractaatje ‘Seven manieren van Minne’ beschrijft ze voor andere nonnen verschillende aspecten van de geestelijke toewijding. Eenvoudig, in de geest van de ‘bruidsmystiek’ die dan onder de Cisterciënzers internationaal gangbaar is. Verder zijn er autobiografische notities bewaard gebleven via de Latijnse levensbeschrijving na haar dood. Misschien heeft ze Hadewych ontmoet die ook over de ‘orewoet’ schreef, de liefdesstorm.

Hoe het denkbeeldige klooster in haar hart er uit ziet? God zelf is er de abt, vergezeld door Minne en het Streven naar devotie. Haar adbis is de Rede, Wijsheid de priorin, Voorzichtigheid de sub-priorin, Naastenliefde (caritas) de cellierster, Medelijden de ziekenverzorgster. Dankbaarheid en Trouw zijn de zangeressen, Geloof en Hoop de kosteressen. Gebed moet bij het altaar de wacht houden. Matigheid en Geduld zitten voor in de refter (de eetzaal). Bezorgdheid behandelt de zakelijke besognes, Kuisheid bewaakt de vensters (de zintuigen), Consideratie verpleegt de gasten. Voorzienigheid staat aan de poort die bewaakt wordt door Nederigheid en Gehoorzaamheid. En elke avond houdt ze kapittel, dat wil zeggen gewetensonderzoek.
(2018)

Fedde Schurer – *25 juli 1898, Drachten – † 19 maart 1968, Heerenveen

In Hem leven, bewegen en zijn we. In Hem schrijven we, waken, slapen, zoenen en redetwisten we.

Lied 315 is van hem, maar ‘Heb dank, o God’ is nogal ouderwets. Anders dan zijn Bijbelliederen uit ‘De gitaer by it boek’ uit 1966. Toen ik eens een zanger-gitarist in de kerkdienst had die zijn lied van David en Goliath uitvoerde, ging er een gelach op. De pikante dubbelzinnigheid van Davids slinger die in elk refrein terugkeerde ontging niemand.
Schurer zocht de randen op. Fries bloed kruipt waar het niet gaan kan. In een dossier van de Binnenlandse Veiligheidsdienst werd hij ooit omschreven als ‘talentvol en gevaarlijk spreker, vooral gevaarlijk voor jonge menschen’. Hij kreeg in 1930 ontslag op de christelijke lagere school in Lemmer vanwege zijn pacifistische ideeën. Ook de toegang tot het Avondmaal werd hem geweigerd. Hij is de man van ‘Kneppelfreed’, een flinke rel in Leeuwarden in 1951 naar aanleiding van zijn ‘belediging’ van de rechtbank door Fries te spreken.
Geboren in Drachten, opgegroeid in Lemmer waar hij eerst timmermansknecht was voor hij onderwijzer werd, verhuisde hij na zijn ontslag naar Amsterdam. Hij werd er opnieuw onderwijzer, leerde er andere schrijvers kennen en deed er aan het verzet mee. Hij keerde naar Friesland terug om hoofdredacteur te worden van De Heerenveense (later Friese) Koerier. Al vanaf zijn huwelijk in 1924 publiceerde hij ook gedichten en toneelstukken, het meest in het Fries. Hij was lid van het Kristlik Frysk Selskip dat Friese literatuur promootte. Zijn berijming van de 150 psalmen en van veel gezangen in het Fries was een monumentale prestatie. Gedeeltelijk is deze berijming nog steeds in gebruik.
Hij was ook politiek actief. ‘Geen Führer, maar Schurer’ was in 1935 zijn verkiezingsleus voor de Noord-Hollandse statenverkiezing. Later zat hij voor de PvdA in de Tweede Kamer, want hij behoorde tot de gereformeerden in Hersteld Verband die onder leiding van ds. Jan Buskes na de oorlog hervormd werden en zich samen met andere Barthianen bij de PvdA schaarden.
‘Hij is opstandig geweest en hij heeft zijn kop – die mooie kop waar de meisjes zo weg van waren – gebogen. Hij heeft geloofd en soms liep het geloof als zand door zijn vingers heen’. ‘Fedde wist en was er dankbaar voor, dat de Here God het meest prijs stelt op rare kostgangers. Hij behoorde voluit tot dat volk van God, hopenden en hopelozen’. Aldus ds. Buskes bij zijn uitvaart in Heerenveen.
(2018)

Athenogenes van Sebaste – † 16 juli 305 Sebaste, Armenië

Vriendelijk licht van de heilige glorie

Christenen houden van het licht. Kerken werden altijd oost-west gebouwd zodat de gebeden richting zonsopgang gingen. De dagen begonnen vanouds met dank voor het licht en het overleven van de nacht. Christus won de slag met de zonnegod. En de oudste christelijke hymne buiten de lofzangen in de Bijbel is een avondlied, gericht op het andere licht dat zelfs de donkerste nacht verlicht. Phoos hilaron. Een korte maar krachtige aanbidding van de Drie-enige.
Vriendelijk licht van de heilige glorie, van de onsterfelijke Vader, van de hemelse, de heilige de Zalige Jezus Christus. De zon gaat dalen en wij zien het avondlicht: wij zingen Vader, Zoon en Geest het heilig loflied toe: eer zij God! Te allen tijde prijzen wij met heilige stem U, Zoon van God die alles ’t leven geeft en zingen doet: lof en dank’ (lied 238).
Het lied is verbonden geraakt met de naam Athenogenes. Hij zong het lied terwijl hij onderweg was naar de marteldood. Op afbeeldingen staat hij soms met een beul. De arm van de beul zou verlamd zijn geweest zolang Athenogenes het lied zong. Mogelijk gaat het om de theoloog Athenogenes die met elf anderen de dood vond op 16 juli 305 onder keizer Diocletianus in Sebaste, Armenië. Er is ook een verhaal dat Athenogenes op weg naar zijn executie een jong hert tegenkwam. Het dier liet zich door hem zegenen. De jaren daarna verscheen er telkens op de verjaardag van zijn dood in zijn kerk weer een hert.
Maar Athenogenes was niet de dichter. Het lied wordt al in de tweede eeuw genoemd. Basilius de Grote, een kerkvader verderop in de vierde eeuw, noemt het al een oud lied. Hij waardeert het omdat de Heilige Geest gelijk op met Vader en Zoon wordt bezongen als God. En het lied werd vast bestanddeel van de vespers in de kerken van het oosten: Grieks, Armeens, Russisch. Het zingen gaat traditioneel gepaard met buigingen in oostelijke richting en met het zwaaien van wierook. Pas na 1700 raakte het ook bekend in het westen. Componisten als Charles Wood en John Stainer schreven prachtige koormuziek bij de Engelse vertaling: Hail, gladdening light. En in tal van andere liederen keert het vriendelijk licht terug, in teksten van Verdaasdonk tot Oosterhuis en eerder John Henry Newman. Er is tenslotte licht dat gezonder is dan de straling waartegen je moet smeren met minstens factor zoveel om niet bij de huidspecialist terecht te komen, zonaanbidders als we altijd gebleven zijn.
(2018)

Guigo II de Kartuizer, ‘Angelicus’ – † 1188 of 1193, Chartreuse


Lezen, mediteren, bidden, verwijlen

Lectio, meditatio, oratio, contemplatio. Elke kloosterling is met deze begrippen vertrouwd. Een treffende omschrijving die ook voor gelovigen buiten het klooster nogal altijd herkenbaar is. Zo werkt het, als je de Bijbel leest als middel voor je omgang met God. Guigo heeft meer dan duizend jaar geleden deze vier Latijnse begrippen gemunt voor de ‘methode’ van spirituele omgang met de Schrift, de ‘lectio Divina’. Je leest, met aandacht en toewijding, hardop. Je denkt over het gelezene na en overweegt wat het voor je zou kunnen betekenen, alsof het een brief van God aan jou is. Zo maak je contact met God, je raakt in gesprek. Je bidt dus. En daarvan word je stil. De laatste stap is de contemplatio. Letterlijk betekent het beschouwen. Het aanschouwen van God is niet voor niets de eeuwen door een belangrijk thema in de geestelijke lectuur en het theologisch debat. ‘Verwijlen’ lijkt mij ook wel een passende vertaling.
     Guigo legt het uit in beeldende taal. ‘De lezing zoekt naar de zoetheid van het gelukkige leven, de meditatie vindt haar, het gebed vraagt erom, de contemplatie proeft haar’. ‘Zoekt door te lezen en jullie vinden door het mediteren, klopt door te bidden en jullie wordt opengedaan door het contempleren. De lezing brengt als het ware vast voedsel in de mond, de meditatie kauwt en vermaalt het, het gebed verkrijgt er smaak van en de contemplatie is de zoetheid zelf die verblijdt en vitaliseert.’ ‘De lezing is de aandachtige studie met een toegewijde geest. De meditatie is de zich met ijver toegelegde activiteit van het verstand. Het gebed is een toegewijde gerichtheid van het hart. De contemplatie is de verheffing van de geest’.
     Guigo’s boekje ‘De Ladder van de monniken’ is duizenden malen overgeschreven in kloosters wijd verspreid over Europa. Guigo knoopt zijn betoog vast aan het verhaal van de Jacobsladder naar de hemel uit Genesis 32. Van 1174-80 was hij de negende prior van La grande Chartreuse, een klooster hoog in de Franse Alpen bij Grenoble. De Kartuizers vormen een van de strengste monnikenordes. In 2005 werd Guigo’s nog altijd functionerende klooster bekend door de film ‘Into the Great Silence’. Het is een film zonder geluidseffecten. Tot verbazing van zichzelf hebben duizenden bioscoopbezoekers deze urenlange stilte uitgehouden. De film duurt 160 minuten. De filmmaker had zestien jaar moeten wachten op antwoord om toestemming voor zijn komst. Over het nemen van de tijd gesproken.
(2018)

Jacqueline van der Waals – 26 juni 1868, Den Haag – 29 april 1922, Amsterdam

zoo dan, als door een rieten fluit, bij zwijgend eigen stemgeluid, Gods adem door mij henen blies



‘Geiteke wat rek, wat trek je aan je touw?’ Generaties lang maakten kinderen op protestantse lagere scholen (met den Bijbel) voor ’t eerst kennis met echte poëzie – naast de psalmversjes – via het Geiteweitje van Jacqueline van der Waals. (Ik ook.) Ook al is haar werk wel eens afgedaan als ‘scheurkalenderpoëzie’, ze was de belangrijkste protestantse dichteres van haar generatie. Haar lied ‘Wat de toekomst brengen moge’ haalde zelfs de inhuldigingsplechtigheid van koningin Beatrix in 1980. En het ging net als ‘De dag door uwe gunst ontvangen’ mee naar het Liedboek van 2013.
Haar vader was de natuurkundige en Nobelprijswinnaar J.D van der Waals, de naamgever van de ‘vanderwaalskrachten’. Moeder stierf toen ze dertien was. Ze werd lerares geschiedenis, was actief in de drankbestrijding en in de bejaardenzorg en doceerde cultuur aan de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Ze bleef ongehuwd. Sommige schrijvers bewonderde ze zo dat ze hun taal leerde: de Noorse toneelschrijver Ibsen, de Deense filosoof Kierkegaard en de Italiaanse dichter Dante. De theoloog P.D. Chantepie de la Saussaye was vriend van de familie. Hij behoorde tot de ethische richting en had ook grote belangstelling voor kunst en cultuur. Hij stimuleerde haar en zij beschouwde hem als haar mentor. Zijn dood heeft ze diep betreurd.
Ze vertaalde verschillende boeken. Een ervan gaat over het verschil tussen ‘heidense’ en christelijke mystiek. Ze schreef ook eigen essays en één roman, maar vooral gedichten, meer dan 250. Ze heeft lang geaarzeld om deze uitingen van haar zieleroerselen onder eigen naam aan de openbaarheid prijs te geven. Maar zich uiten met de pen was toch wel haar diepste roeping. Veel gedichten gaan over de natuur, andere over haar persoonlijke geloofsbeleving en haar twijfels. Een ervan heet ‘Sinds ik het weet’. Ze kreeg maagkanker en zag haar dood naderen. De fijnzinnige poëzie uit die laatste fase maakte haar voorgoed de dichteres van de overgave als een belangrijke ‘vanderwaalskracht’.

Sinds ik het weet, treed ik, wien ik ontmoet,
Den vreemden en den vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En ‘k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,
Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

Dirk Rafaëlsz. Camphuysen – *4 mei? 1586, Gorinchem – † 19 juli 1627, Dokkum

Godsdienstig te zijn, dat is recht mensenwerk

De ‘Huub Oosterhuis van de Gouden Eeuw’: in zijn tijd werden de ‘Stichtelijcke rymen’ en de ‘Uytbreyding over De Psalmen des propheten Davids’ vaak herdrukt. In het Liedboek van 2013 staat alleen ‘Ik hoor trompetten klinken’ (L. 901). Het is een fragment van zijn ‘uitbreiding’ van Psalm 121.
De zoon van een chirurgijn en een doopsgezinde moeder – opa was om dit geloof ‘onthalst’ – had eerst voor kunstschilder geleerd. De theologiestudie in Leiden daarna brak hij af, mogelijk omdat het dreigende religieconflict in de Republiek hem afschrok. Hij werd huisleraar, maar vanwege zijn oog voor de gouvernante kon hij vertrekken. Inwonen bij de schoonouders gaf gedoe. De baan als onderwijzer in Utrecht gaf maar een karig bestaan. Het niet erg succesvolle leven werd een prikkel om aan zichzelf te werken. Hij was van zichzelf nogal trots en prikkelbaar. Maar het gemoed van de mens is de kamer van zijn geluk of ongeluk.’ ’t Geluk bestaat alleen in ’t achten van ’t geluk/ En in een arme ziel wekt armoe kleine druk’. In zijn dichtwerk valt vaak het woord deugd. Het werken aan je geestelijk leven moet je niet aan anderen over laten. Hier ligt je waardigheid. En in die geest begon hij te preken waar hij maar werd uitgenodigd. Zijn doorleefde boodschap sloeg aan. In 1617, net voor de Synode van Dordrecht, liet hij zich overhalen om predikant te worden. Vleuten werd zijn standplaats. Daar preekte hij de vele katholieken van het dorp de kerk in. En toen na ‘Dordt’ de Remonstrants gezinde voorgangers werden ontslagen trok ook veel kerkvolk uit de stad in groten getale naar Vleuten. Maar in 1620 werd ook hij afgezet door de Staten. Camphuysen zag af van het predikantschap, maar weigerde ervoor te tekenen dat dit voorgoed zou zijn. Hij week uit naar Norden in Oost-Friesland en kwam later via Harlingen en Ameland in Dokkum terecht. Daar kerkten remonstranten en doopsgezinden samen. Hij leefde er als vlashandelaar en gaf er zijn gedichten uit. Ze konden ook worden gezongen.
Toehoorders bij een preek in Rotterdam waren ooit met stenen gaan gooien tegen de overheidsdienaren die hem kwamen arresteren. Het maakte hem kopschuw voor militante Remonstranten. Hadden ze hun vrijheid om goed te doen al wel maximaal uitgebuit? In een officieel kerkgenootschap met remonstrantse belijdenis zag hij ook niets, want het zou anders gelovigen uitsluiten. Hij was een consequente pleitbezorger van religie die zich vooral druk maakt over de persoonlijke verbondenheid met God en Jezus Christus en het vergroten van de innerlijke vrijheid en vrede.
(2018)

Argula von Grumbach – * rond 1492, Burg Ehrenfels – † 23 juni 1554, Zeilitzheim (Beieren)

Het woord van God moet ons wapen zijn – niet om met wapens erop in te slaan, maar om de naaste lief te hebben en vrede onder elkaar te bewaren

Argula von Grumbach was de eerste vrouwelijke auteur die de Reformatie van Luther in het openbaar met pamfletten steunde. Toen ze in 1523 hoorde dat een 18-jarige student Seehofer van de universiteit van Ingolstadt met gevangenneming en dreiging met de brandstapel was gedwongen zijn Lutherse opvattingen te herroepen, deed ze navraag over de toedracht en klom ze in de pen. Kort achter elkaar schreef ze meerdere openbare brieven aan de keurvorst en de universiteit. Hebben Christus of de apostelen iemand ooit om het geloof het zwijgen opgelegd, in een kerker gezet of verbannen? En hoe kun je een overheid gehoorzamen die zich niets aan het gezag van Gods Woord gelegen laat liggen? Ze wilde een openbaar debat, in het Duits. En wie haar het zwijgen wilde opleggen kreeg het met Bijbelteksten om de oren. Jezus sprak met vrouwen en voerde geleerde gesprekken met hen. Ze kende de Bijbelteksten met vrouwelijke Godsbeelden. Mannen én vrouwen zijn geroepen om openlijk te getuigen van hun geloof.
Argula gaf zo invulling aan Luthers oproep tot priesterschap van alle gelovigen. Ze was van adel. Toen ze tien was had haar vader haar een Bijbel in het Duits gegeven. Kort erna was ze haar ouders door de pest verloren. Maar als jonge hofdame in München kreeg ze een behoorlijke vorming. En ze had veel Bijbelteksten paraat! Ze las alles van Luther wat er maar in het Duits gedrukt was en correspondeerde vanuit Beieren ook met hem en enkele van zijn collega’s.
Antwoord kreeg ze niet uit Ingolstadt. Wel kreeg haar man ontslag uit zijn functie als gouverneur omdat hij zijn vrouw het zwijgen niet had opgelegd. De hertog van Beieren had zijn onderdanen in 1522 toch verboden om Luthers geschriften te lezen en te bediscussiëren? Hoewel het gezin financieel aan de grond raakte, bleef Argula zich voor de Reformatie inzetten. Een van haar acht vlugschriften kreeg wel 13 drukken. In die jaren werd zo’n aantal alleen door Luther overtroffen. Ze moet wel 30.000 lezers hebben bereikt.
Na 1524 schreef ze niet veel meer. Wel bezocht ze Luther op de Coburg en zette ze zich in voor gesprekken tussen de mannen van de Reformatie die theologische onenigheid kregen over het Avondmaal. Haar man bleef rooms-katholiek. Na zijn overlijden hertrouwde ze met een protestant. ‘Een zeldzaam werktuig van Christus’, vond Luther.
(2018)

Antoine Court – * 27 maart 1695, Villeneuve (Ardèche, Fr.) – † 13 juni 1760, Lausanne (Zw.)


Ik sprak mij uit tegen wat ‘inspiratie’ genoemd werd en trachtte uit te vinden waar het misbruik ervan vandaan kwam

Mensen zonder bevoegdheid en opleiding toch het woord geven in de kerk kan veel goeds opleveren. Maar begin achttiende eeuw liep het onder de Franse protestanten uit de hand. In 1685 had de Zonnekoning het Edict van Nantes herroepen. Einde godsdienstvrijheid. Protestanten werden  op de vlucht gejaagd, tot de galeien veroordeeld, geëxecuteerd, gedwongen heropgevoed. Voor dopen, trouwen en begraven moest verplicht een priester worden ingeroepen. De illegale samenkomsten van wat er over was werden noodgedwongen geleid door leken: ‘profeten’ en ook ‘profetessen’. Soms waren ze nog kind. In hun boodschappen speelden visioenen een grote rol die hoop gaven op verlossing van de Hugenoten. En dit mondde tussen 1702 en 1704 in de Cévennen uit in een gewelddadige opstand, bekend als de oorlog van de Camisards.
     Antoine Court was als kind door zijn moeder meegenomen naar zulke bijeenkomsten. Nog maar 17 of 18 jaar oud werd hij ook zo’n lekenvoorganger. Maar hij kreeg twijfels over het gedrag van de profeten en profetessen en hun verhalen. Hij belegde daarom in 1715 met een handjevol andere voorgangers in het bergdorpje Montèzes een synode, de eerste in 35 jaar, in het sterfjaar van koning Lodewijk XIV. En hij ging met anderen rond trekken – vaak ’s nachts – om de ontregelde gemeentes weer te organiseren en regionale en nationale bijeenkomsten van afgevaardigden te beleggen voor gemeenschappelijk beleid. En om fanatisme te bestrijden. Dit stuitte niet alleen op weerstand van sommigen profeten en profetessen. De Camisards hadden ook de protestanten buiten Frankrijk kopschuw gemaakt. Die wilden niet geassocieerd worden met fanatici en rebellen. Maar Court wees geweld categorisch af en was een bevlogen ambassadeur voor zijn kerk. Hij liet zich bijscholen in Genève en officieel bevestigen. De theologen die Court de hand toestaken moesten op eieren lopen vanwege permanente Franse politieke druk.
      In 1729 noodgewongen gevlucht kreeg hij de predikantenopleiding voor de Fransen in het Zwitserse Lausanne onder zijn hoede. Vanuit zijn ballingschap bleef hij vasthoudend leiding geven aan de kerk van de Désert. Hij schreef een pleidooi voor staatkundige godsdienstvrijheid plus overzichten van de recente geschiedenis van zijn protestanten. Andere pleitbezorgers van maatschappelijke en politieke tolerantie zoals Voltaire gingen het ook voor hen opnemen. En ook omdat protestanten grote ondernemers voortbrachten, kwam het uiteindelijk goed met hun rechten.     Wie op vakantie in de Elzas of aan de Rivièra wel eens een protestantse kerkdienst heeft bezocht is vast wel eens gestuit op een ouderling als voorganger. Een mooi overblijfsel uit die woestijntijd van inspiratie ook zonder geleerdheid.  
(2018) 

Margareta Porete – * rond 1250, Henegouwen – † 1 juni 1310, Parijs

Deugden, ik neem afscheid van jullie voor immer! Ik was jullie lijfeigene, nu ben ik bevrijd!

Het staat al in Numeri 11. Twee lieden lopen in het kamp van Israël te profeteren zonder dat ze een officiële aanstelling hebben. Mozes wordt er niet zenuwachtig van. Maar Jozua, aankomend leider, wil dat het stopt. En zo hebben ook kerkleiders in de loop der eeuwen meestal graag de controle willen houden over de werking van de Geest.
Vrouwen roerden zich eigenlijk al de hele Middeleeuwen met het verlangen naar ruimte voor een eigen spiritualiteit met een eigen ’taal’. Margarete Porete was zo’n religieuze. Was ze een begijn? In elk geval hoorde ze bij de Broeders en Zusters van de Vrije Geest. Ze schreef in oudfrans over de mystieke weg naar God. Ondanks de veroordeling door de Inquisitie bleef een boek de ronde doen, met de omslachtige titel ‘De spiegel der eenvoudige, vernietigde zielen die één in wil en verlangen naar liefde hunkeren.’ In taal uit de wereld van de hoofse liefde geeft het een zevenstappenplan voor de ziel. Die kan dan al in dit leven een vereniging met God bereiken.
Wat haar vooral werd kwalijk genomen was de gedachte dat je dan je deugden en het redelijke denken achter je laat. Wie zich in de goddelijke liefde verliest raakt het verstand kwijt en wordt ‘ondeugend’. Wat ze beschrijft is te herkennen vanuit de beleving van een roes waarin de controle weg is. Iemand die enthousiast is, ‘vol van God’, kan het decorum kwijt raken of vreemde klanken uitstoten. Margarete bedoelde vooral dat de liefde van God je ook vrijmaakt van dwingend iets ‘moeten’ van God ter verbetering van je eigen gedrag of je gevoelens. Blijvend!
Maar ondermijnt dit niet de moraal? En als je dan ook nog de officiële door mannen geleide kerk betitelt als ‘de kleine kerk’, te onderscheiden van de Grote Kerk waarin de Liefde zegeviert, dan is je lot wel bezegeld. Haar boek werd rond 1300 al veroordeeld door de bisschop van Kamerijk en verbrand op de markt van Valenciennes. Margareta voegde toch nog hoofdstukken toe. Een nieuwe klacht volgde. Verschillende inquisiteurs bogen zich erover. Margareta werd vastgezet. Drie theologen beoordeelden het boek positief. Maar 21 theologen van de Universiteit van Parijs besloten eensgezind dat het ketters was. Met haar boek werd ze nu ook zelf verbrand. Ze ging waardig.
Met ondeugendheid kun je het tegenwoordig juist ver schoppen. Dwarse kunstenaars, tegendraadse denkers en andere vrije geesten krijgen gauw applaus. Soms raakt nu uit zicht dat bij de ‘vrije Geest’ het ontregelen geen doel op zich is.
(2018)

John Wesley – *17 juni 1703, Epworth (GB) – † 2 maart 1791, Londen

Er werd mij een verzekering gegeven

Op 24 mei 1738 ’s avonds om kwart voor negen gebeurde het. Eigenlijk had John Wesley geen zin gehad in de bijeenkomst aan de Aldersgate in London, maar hij was toch maar gegaan. Hij hoorde iemand de inleiding voorlezen die Maarten Luther ooit had geschreven op de Brief van Paulus aan de Romeinen. ‘Geloof is een goddelijk werk in ons, dat ons verandert en laat wedergeboren worden’. Wesley: ‘Er kwam voor het eerst een vreemd warm gevoel van binnen. Ik voelde dat ik werkelijk vertrouwde op Christus’.
Dit geldt als het geboortemoment van het Methodisme. John Wesley en zijn muzikale broer Charles werden samen met John Whitefield de stichters van deze tak van het protestantisme. Momenteel zijn er wereldwijd zo’n 70 miljoen methodisten. Ook het Leger des Heils kwam er uit voort. Methodisten stonden en staan vaak vooraan in de strijd tegen slavernij en schending van andere mensenrechten. Vanaf het begin kwamen veel aanhangers van de kant van arbeiders, gestraften en slaven.
Niet dat John Wesley vòòr die avond geen diepgelovig christen was. Het clubje vrienden waarmee hij als student in Oxford bijbelstudie deed werd al spottend ‘methodisten’ genoemd. John was een Anglicaans geestelijke, kende de boeken van grote mystieke auteurs en leefde zijn hele leven uiterst sober. Hij was al in Amerika geweest voor zendingswerk onder de Indianen. Maar tot dan was zijn geloof ‘meer dat van een slaaf dan van een zoon’.
De broers werden opwekkingspredikers. De wereld werd Johns parochie. In een halve eeuw reisde hij meer dan een kwart miljoen kilometer en hield hij 40.000 preken. Veel toehoorders hadden ter plekke indrukwekkende bekeringservaringen. Ze werden georganiseerd in klassen en kringen om in wekelijkse ontmoetingen te werken aan ieders groei in heiligheid. John deelde ‘tickets’ uit om de vordering bij te houden. Er werden boeken en tractaten gedistribueerd en eigen liedbundels. Ondanks tegenwerking bleven de Wesley’s verbonden aan de kerk van Engeland. Wel maakte John de Amerikaanse tak onafhankelijk.
Het methodisme borduurde voort op het piëtisme van de achttiende eeuw. Maar de nadruk op innerlijke heiliging was een nieuw accent en het methodisch nastreven van perfectie een nogal modern trekje. Het past daarbij dat John zich ontpopte als Arminiaan wat betreft de leer van de volharding en vrije wil. Toen dat discussie gaf met Whitefield lieten ze het uiteindelijk bij de conclusie dat ze het erover eens waren dat ze het oneens bleven. ‘We agree to disagree’. Ze zijn de eersten van wie deze uitspraak bekend is.
(2018)

Pachomius – *292, Esneh a.d. Nijl – † 9 mei 348, Tabenne (Eg.)

Degene die bij de deur van de eetzaal de broeders bij het verlaten van de tafel het dessert verstrekt, moet mediteren over een Bijbeltekst terwijl hij zijn plicht doet


Iemand moet de leiding hebben en er moeten huisregels zijn. Tot dat inzicht kwam Pachomius, een van de anachoreten in Egypte aan het begin van de vierde eeuw. Hij had heidense ouders en was tegen zijn zin terecht gekomen in het leger van keizer Constantijn (toen ook nog niet bekeerd). Pachomius had voedselverstrekkingen meegemaakt van christenen. Het had hem nieuwsgierig gemaakt en in 314 werd hij een van hen. Zoals zoveel anderen in die tijd trok hij zich ook terug naar de rand van de samenleving om zich toe te leggen op een geestelijk leven. Ene Paleamon werd zijn coach.
    Vaak woonden kluizenaars dicht bij elkaar, onderhielden ze onderling contact en deden ze dingen samen. Echte eenzaamheid zoals die van de beroemde Antonius pakte niet voor iedereen goed uit. Pachomius stichtte daarom het coenobitisme, het leven (bios) in een ommuurde gemeenschap (koinonia) van de eremieten (woestijnbewoners). De Regel die hij schreef werd een belangrijke bron voor latere Regels voor het kloosterleven zoals die van Benedictus. Overigens sprak en schreef Pachomius alleen Koptisch. Dat er toch soms onverwacht zinnen in goed Grieks of Latijn uit zijn mond kwamen, wordt verteld als een van de wonderen in zijn leven.
   Vanaf Pachomius wordt de geestelijk leider abba genoemd, ‘vader’, abt of abdis. Hij was er zelf een, succesvol. Maar hij wilde nooit als priester gewijd worden. Precies op het moment dat het christendom de erkende godsdienst wordt en allerlei vormen van institutionalisering van de Kerk een hoge vlucht gaan nemen, houdt hij de rem op het creëren van een baasjescultuur.
    Pachomius geeft de abt de pittige taak om elke drie dagen een leergesprek te leiden waarin hij een overweging houdt. Daarnaast is er elke morgen na het vieren van de liturgie een samenspreking. Iedereen kan er het woord krijgen. In slaap vallen wordt gestraft. De gemeenschap is ook een leerhuis, een plek waarin je aan elkaar en van elkaar leert. Je behoedt elkaar voor terugval of overdrijving. Je reikt elkaar gedachten en ideeën die je toewijding verdiepen en verrijken. Er zijn verhalen over intensief en geconcentreerd luisteren: niemand die op de grond spuugde!
   Nog steeds zoekt een beetje gelovige regelmatig anderen op, in gespreks- of gebedsgroep, Bijbelkring of leerhuis, een kerkvrienden-eetclub met app-groep. Je kunt niet leven van kerkdiensten alleen.   
En niet zonder desserts….  
(2018)

Karl Barth – *10 mei 1886, Bazel – † 10 december 1968, Bazel

Vanuit de pastorie van het Zwitserse arbeidersdorp Safenwil werd een eeuw geleden een theologische revolutie ontketend met een wonderlijk boek, een commentaar op de Brief aan de Romeinen. Ds. Karl Barth wilde een nieuw soort theologie. Heel dicht bij de apostel Paulus, bijbelse theologie. Wel in de filosofische taal van zijn tijd, maar kritisch over de cultuur, de politiek en het christendom van Europa. Vriend ds. Thurneysen dacht via brieven mee. Barth sympathiseerde met de socialisten en was diep geschokt over de Duitse universiteiten waar hij had gestudeerd. Bijna alle hoogleraren steunden Kaiser Wilhelms oorlog. ‘God wil het’. Tijd voor het opnieuw peilen van het Evangelie van oordeel en genade. God is anders. Weg met het theologische liberalisme dat groot denkt over de mens en klein over God. Het boek baarde in 1919 veel opzien, ook bij de tweede druk van 1922 toen Barth het boek geheel omgewerkt had en nog kritischer was. Ook ‘links’ kon het Koninkrijk van God niet brengen.
Hoogleraarsbenoemingen volgden. Zijn theologische ontwikkeling maakte hem in toenemende mate tot bewonderaar van Luther en Calvijn en andere oude klassiekers. Na wat vooroefeningen begon hij begin jaren ’30 aan zijn grote werk: het schrijven van een nieuwe geloofsleer, de Kirchliche Dogmatik, afgekort KD. Hoewel er in een halve eeuw een reeks dikke banden verscheen, kreeg Barth het niet af. Ondertussen was hij wel de meest invloedrijke theoloog van de eeuw geworden, een leraar voor protestanten en rooms-katholieken over de gehele wereld. Dat werd versterkt door zijn voortrekkersrol in het kerkelijk verzet tegen Hitler. Hij redigeerde de Barmer Thesen, het belijdenisgeschrift dat verheerlijking van de Führer radicaal veroordeelde in Christus’ naam. Hitler verjoeg hem uit Bonn. Vanaf 1935 was Bazel Barths hoofdkwartier.
Maar ook de Koude Oorlog kreeg zijn steun niet. De westerse kritiek op het communisme was hem te goedkoop. En zo had Barth wel meer verrassingen. Zo vond hij de muziek van Mozart dichter bij het Evangelie staan dan die van Bach. En preken deed hij het liefst in de gevangenis. Minder aangenaam was zijn wonderlijke relatie met zijn secretaresse, de theologe Charlotte von Kirschbaum.
Die KD, in brieven met zijn Nederlandse bewonderaar K.H. Miskotte aangeduid als Moby Dick, naar een bekende literaire walvis, was wel erg breedsprakig. Die boeken zijn nu voor een habbekrats te koop. De essentie blijft goud waard: een getuigende theologie met diep respect voor het Woord dat uit de bijbelse geschriften opklinkt, eerbiedige overweging van de betekenis van de ene Naam.
(2018)

Het laatste woord dat ik als theoloog en ook als politicus te zeggen heb, is niet een begrip als ‘genade’, maar een naam: Jezus Christus