Georg Christian Dieffenbach

  * 4 december 1822 – † 10 mei 1901, Schlitz (Oberhessen)

Blijf bij ons, Heer, wanneer over ons komt de nacht van beproeving en angst, de nacht van twijfel en aanvechting, de nacht van de bittere dood

Zoals de ‘Franciscaanse zegenbede’ niet van Franciscus afkomstig is, is het bekende ‘Lutherse avondgebed’ niet van Luthers hand. Het is geschreven door een Duitse predikant-dichter. Dat het in de geest van Maarten Luther is, staat buiten kijf. De schrijver ervan stond dan ook in de Lutherse traditie. Toen er rond 1874 in Hessen nieuwe kerkelijke regelgeving moest komen heeft hij zelfs een leidende rol gespeeld in een confessioneel-lutherse beweging.

Dieffenbach had na zijn theologiestudie in Giessen eerst gefunctioneerd als leraar aan een jongensschool in Darmstadt en als hulpprediker, voordat hij in 1855 opvolger van zijn vader werd als stadspredikant in Schlitz. Toen had hij het Avondgebed al geschreven, want het komt uit zijn ‘Evangelische Hausagende’ van 1853, een boek voor de huiselijke godsdienstoefening, met gebeden en liederen en met schriftlezingen, gebaseerd op de klassieke evangelielezingen voor de zon- en feestdagen.

Uit Dieffenbachs schrijvende pen vloeiden verder diverse prekenbundels, andere teksten voor de liturgie en tal van gedichten. En kinderen hadden kennelijk zijn hart. Want voor hen schreef hij sprookjes en veel kinderliederen. Door anderen op muziek gezet of bij de uitgave van illustraties voorzien kregen ze een grote verspreiding. Met zijn veertien maandbladen ‘voor onze kleinen’ was hij een van de eerste auteurs van kinderliteratuur in Hessen. Een van de melodieën van die kinderliederen drong later door tot de musical My fair lady en werd een marslied bij de Bundeswehr en zelfs een carnavalshit. Maar ondertussen was het wel de oorspronkelijke tekst kwijtgeraakt. Die ging overigens over hoestende regenwormen.

Het Avondgebed haakt aan bij de vraag van de twee Emmaüsgangers in Lucas 24 aan Jezus op de avond van de allereerste paasdag. Die tekst is het uitgangspunt van veel avondliederen. De bekendste is wel de Engelse hymne ‘Abide with me’, ‘Blijf bij mij, Heer’ die op bijna hetzelfde moment ontstond.

Dieffenbach laat je bidden om Christus’ nabijheid in de levensavond en aan de avond van de wereld. Kan er dan een avond van de wereld komen? De boodschap van de zon- en feestdagen gaat over hoop op licht in het donker en over een nieuwe morgen voorbij de nacht. Groot kwaad hult de wereld soms in diep nachtelijk duister. Maar het heeft niet het laatste woord.


Het Luthers avondgebed staat in Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk van 2013 als nummer 202, op muziek gezet door Jan Valkesteijn.

Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher

*21 november 1768, Breslau – † 12 februari 1834, Berlijn

Het wezen van religie is beschouwing en gevoel


‘Over de religie. Betogen voor de ontwikkelden onder haar minachters’ is een beroemd geworden boek uit 1799. Vlak voor de eeuwwisseling anoniem verschenen, bleek het afkomstig te zijn van Schleiermacher, predikant van het Berlijnse Charité-hospitaal. In de vriendenkring van intellectuelen waar hij verkeerde werd druk gefilosofeerd. Maar religie stond nogal in een kwade reuk. In de eeuw van de Verlichting was het verzet gegroeid tegen religieus fanatisme en bekrompenheid. Schleiermacher zelf kende uit ervaring de hardvochtige trekken die het protestantse onderwijs kon hebben dankzij een somber mensbeeld. Hij kwam uit een familie van gereformeerde predikanten en had op school gezeten bij de Herrnhutters, een achttiende-eeuwse opwekkingsbeweging. Ook al had hij daar afstand van genomen, toch zou hij uitgroeien tot de belangrijkste protestantse theoloog van de negentiende eeuw.

Schleiermacher experimenteerde met nieuwe taal voor het geloof in de geest van de Romantiek. Dat was een tegenbeweging tegen de overheersende werking van het verstand en koele beredenering. Leren we belangrijke dimensies van het leven niet eerder direct kennen vanuit ons gevoel? Maar religie is net als kunst dan juist een wezenlijk onderdeel van ons menszijn, zo hield Schleiermacher zijn intellectuele vrienden en vriendinnen voor. Het is ‘een provincie in ons gemoed’ waar we ‘zin en smaak voor het Oneindige’ krijgen.
Klonk dit erg filosofisch en algemeen-religieus, het bleek dat Schleiermacher uit volle overtuiging predikant bleef. De persoon van Jezus en de Kerk bleven voor hem van wezenlijk belang: Jezus had het Godsbewustzijn vervolmaakt! Hij werd een gezaghebbend hoogleraar aan de pas gestichte universiteit van Berlijn, met doorwrochte analyses van de christelijke geloofsleer volgens zijn uitgangspunt van 1799.

Geloofsuitspraken zijn uitdrukking van het ‘afhankelijkheidsgevoel’ dat uiteindelijk niet los van God verkrijgbaar is. Schleiermacher stond zo aan de wieg van de zogenaamde ervaringstheologie die in negentiende eeuw een hoge vlucht zou nemen, ook in ons land.

Maar is zulke theologie niet veel te teveel gericht op de eigen beleving? Karl Barth werd in de twintigste eeuw een uitgesproken criticus. Maar hij bleef zijn boeken herlezen. Misschien moesten we Schleiermachers werk maar opvatten als een theologie van de Heilige Geest. Begint theologie niet bij het zelfbesef en het Godsbesef dat de Geest in mensen wekt?

Twee eeuwen later is het minachten van geloof en religiositeit bepaald niet minder geworden. Het blijft belangrijk om herkenbare taal te zoeken voor de bijzondere zingeving die de christelijke geloofstraditie aanreikt!
(2018)

Justinus de Martelaar

*100/114, Flavia Neapolis – † plm. 165, Rome

de woorden van de Verlosser hebben een ontzaglijke majesteit in zich en brengen een grote gemoedsrust


Je zou hem een Palestijns theoloog kunnen noemen. Want zijn geboorteplaats Flavia Neapolis is het huidige Nabloes. Het was toen deel van het Romeinse rijk. Justinus is een van de eerste apologeten: de gedreven verdedigers van het christelijk geloof uit de tweede eeuw die een christelijke theologie begonnen te ontwikkelen. Die verdediging was wel nodig. Zoals de Apologie van Justinus, gericht aan keizer Antoninus Pius laat zien, had het christendom bij de gestage verbreiding door het Romeinse Rijk te maken met beschuldigingen van atheïsme, incest, kannibalisme en domheid. Door een beeld van het leven van de christenen te geven wil hij laten zien dat het van hoger niveau is dan wat het heidendom leert.

Justinus was een bekeerde niet-jood. Als jonge man bezocht hij diverse filosofische scholen. Op een dag was hij aan het mediteren, mogelijk aan de kust te Efeze. Een oude man zoekt daar het gesprek met hem. Stap voor stap toont hij hem de zwakheid van alle filosofische stelsels en raadt hij hem de lezing van de profeten en evangelisten van de Bijbel aan. Justinus, al onder de indruk van de moed van vervolgde christenen, ging over tot het christendom.

Gekleed in een filosofenmantel dook hij op in allerlei plaatsen in het Romeinse Rijk om debatten aan te gaan over het geloof. Hij verloochende de Griekse filosofie niet, maar gaf er nieuwe inhoud aan. Socrates werd zo net als Abraham een voorloper van het christendom en de God van Plato was eigenlijk de God van de Bijbel. Bewaard gebleven geschriften laten zien dat hij de gnostiek bestreed en de christelijke leer van de opstanding der doden verdedigde. De gnostiek was de ‘new age’-leer van de oudheid: een populaire spirituele filosofie met Christus als symbool van het diepere Zelf. Ook Marcion, de dissidente christen in Rome die het Oude Testament het boek van een mindere God vond dan het Nieuwe, ‘werd bestreden door Justinus.

Zijn belangrijkste geschrift is een debat met Trypho, een rabbijn die de christenen verweet dat ze de joodse wet hadden gebroken en een mens als god vereerden. Justinus beriep zich op de Hebreeuwse Bijbel, die in zijn visie van Christus getuigde. Gods wijsheid is in Christus mens geworden. Hoe kun je die nu passeren? Het gaat er heftig aan toe. ‘Jullie hebben het toppunt van jullie verdorvenheid bereikt in de haat tegen de rechtvaardige die jullie hebben gedood’.

Justinus werd in Rome vanwege zijn overtuigingen veroordeeld en geëxecuteerd. De verantwoordelijke keizer is dan Marcus Aurelius, ook een filosoof en de auteur van Meditaties over stoïcijnse gemoedsrust die nog altijd worden gezien als een literair monument voor dienstbaarheid en plichtsbetrachting. Vervulling met ‘hogere wijsheid’ garandeert dus bepaald nog geen humaan gedrag.
(2018)

W.G. van de Hulst (sr.)

Wat zonneschijn is voor de bloemen, zijn verhalen voor het kind

*28 oktober 1879, Utrecht – † 31 augustus 1963, Utrecht

Willem Gerrit van de Hulst is geroemd als vertegenwoordiger van ‘het beste wat het Nederlandse calvinisme aan de kinderen te bieden had: de lagere school en het kinderboek’. Hele generaties hebben leren lezen met zijn kinderboeken, met streepjes tussen de let-ter-gre-pen in de beginnersboeken. De reeks Voor onze kleinen kreeg wel 21 nummers. Naast Het Grote Voorleesboek waren er de Bijbelsche vertellingen om uit voor te lezen voor het slapen gaan. En was je groter dan las je Jaap Holm en zijn vrienden of de Rozemarijntje-reeks.

Kinderen liepen er vaak op klompjes, waarvan er soms één op het water dreef. Zakgeld bestond niet. Arbeiders werkten zich krom maar konden hun kinderen toch niet altijd fatsoenlijke kleren geven. Deuren gingen er niet op slot, ook al waren er landlopers. De hondjes heetten Fik of Sim. Peerke met z’n kameraden was een zieke bedlegerige jongen. De verhalen waren wel eens sentimenteel of zwart-wit. Gemene mannen en ruwe jongens deelden weleens zulke rake klappen uit en pestten dieren zo heftig, dat sommige boeken niet meer werden herdrukt. Moeders zijn er vaak vroom. En het verloren schaapje dat weg dwaalt van de kudde is stout. Maar de meisjes die een wegje door het koren maken bij het klaprozen plukken hebben alleen goede bedoelingen.

Van de Hulst gaf de kinderen vooral ook een veilige wereld. Er komt altijd redding, het goede overwint, het kwade wordt gestraft of gestopt, maar voor de schurk(jes) is er ook vergeving. God die alles ziet is vol liefde en een beschermer van zwakken. En al speelt het geloof een belangrijke rol in zijn boeken, in tegenstelling tot de kinderboekenschrijvers van voor zijn tijd preekte Van de Hulst niet. Ook veel kinderen buiten de protestantse ‘zuil’ konden daardoor van menig boek genieten.

Hij was geboren in een Utrechts gezin waar vader al vroeg overleed. Ondanks de armoe lukte het hem om op de kweekschool te komen. Op de Nederlands Hervormde School aan de Jutfaseweg in Utrecht waar hij stage liep is hij zijn hele loopbaan blijven hangen. Hij was ook actief in plaatselijke bioscoop- en schoolopvoedingscommissies en werkte mee aan christelijke bladen als De Spiegel en Moeder. Er zijn wel elf miljoen boeken van zijn hand verkocht. In de Soete Suikerbol met prenten van zijn zoon is zelfs bewerkt tot musical.
(2018)

Willem Adolph Visser ’t Hooft

Samen op zoek naar hetzelfde: een beter verstaan van het Evangelie

*20 september 1900, Haarlem – † 4 juli 1985, Genève

Hij heeft in zes continenten van de wereld gepreekt. In grote kathedralen en kleine plattelandskerkjes, in diensten die heel erg plechtig waren en in kerkdiensten met halleluja-geroep en wuivende zakdoekjes tijdens de preek. Voor mensen van allerlei kleur en met verschillende tradities. Met een paar aanpassingen aan de plaatselijke situatie kon hij vaak dezelfde preek houden. ‘De voor de hand liggende conclusie is, dat de kerken veel meer gemeen hebben dan ze zich realiseren’. Het was zijn levenswerk om die diepere eenheid zichtbaar te maken.

Visser ’t Hooft heeft eens voorop Time gestaan. In Genève runde hij het bureau van de voorloper van de Wereldraad van Kerken. Na de oprichting van die Wereldraad, augustus 1948 in Amsterdam, werd hij de eerste secretaris-generaal. Toen hij in 1965 met pensioen ging had hij enkele honderden medewerkers. Zijn leven lang heeft hij het oecumenische ideaal belichaamd, in talloze ontmoetingen met kerkleiders en politici, met delegaties en studenten en op veel grote conferenties. Met alle grote thema’s van de twintigste eeuw heeft hij zich bezig gehouden met het oog op een passend getuigenis van de kerken.

In de bezettingstijd was hij ook hoofd van ‘de Zwitserse Weg’, een inlichtingendienst die informatie uit Nederland naar de regering in ballingschap in Londen smokkelde. Geallieerde regeringen probeerde hij te doordringen van de ernst van Hitlers Jodenvervolging. Na de oorlog werd er vanuit Genève veel georganiseerd voor ontheemde vluchtelingen. Kerk zijn zonder bemoeienis met politiek en samenleving was voor hem ondenkbaar.

Typerend is het thema van het boek dat hij als tachtigplusser nog schreef: het Vaderschap van God in een eeuw van emancipatie. Terecht hebben mensen en volkeren telkens ketens van paternalisme en patriarchale dwang van zich afgeschud om als mannen en vrouwen een waardiger leven te bereiken. Maar emancipatie kan geen definitief doel op zich zijn. Zijn er geen tekens van frustratie over een samenleving waarin alles mag en iedereen alleen bezig is met zelfexpressie? Goed als er dan kerken zijn met een boodschap die ook gaat over grenzen van de vrijheid en over menselijke verantwoordelijkheid. Het is dan 1982 en dat is lang voor het selfie-tijdperk.

Een van zijn overgrootvaders was vurig antirevolutionair. Een grootvader daarentegen verliet de kerk, werd Vrijmetselaar en voorvechter van openbaar onderwijs. Zelf wilde hij beide kanten verbinden, de menselijke honger naar vrijheid én het inzicht in het belang van spiritualiteit en van gezamenlijke overtuigingen, als gedreven zoeker naar de betekenis van de boodschap van het Evangelie over het komende Koninkrijk van de Vader.
(2018)

Jan Buskes

God zegt ja tot de mens en neemt deel aan zijn leven. Hij staat borg voor de mens. Hij is God van Abraham, Isaäc en Jacob, de God van jan en alleman.

*16 sept 1899, Utrecht – † 9 maart 1980, Amsterdam

Bij de deur onderaan van de trap van een bovenwoning in Amsterdam moet hij wel eens naar boven geroepen hebben dat hij ‘van het licht’ was. Een dominee moet soms wat om binnen te mogen komen. Hij kon het pakkend zeggen. Zijn discussies met communisten trokken stampvolle zalen, zijn diensten volle kerken, zijn bijbelse dagboek ‘Brood voor het hart’ veel lezers, zijn optreden voor radio en tv veel kijkers en luisteraars. Een keer zat hij bij Mies Bouman.

Ds. Buskes was een van de predikanten die in 1926 de Gereformeerde Kerken verlieten en ‘Hersteld Verband’ in leven riepen. De synode van Assen had namelijk officieel vastgesteld dat de slang in het paradijsverhaal echt gesproken had. Het was hun te bar. De meeste ‘herstelden’ werden na de oorlog Nederlands Hervormd.

Buskes was al vanaf zijn studietijd onder de indruk van de theologie van Karl Barth. Hij is predikant geweest op Texel, in Rotterdam en het langst in Amsterdam. Bij het bombardement van Rotterdam in 1940 hoorde hij iemand roepen ‘Ik neem het niet’. Buskes als theologisch orthodox maar politiek rode dominee nam ook heel veel niet. Hij liep voorop in bestrijding van het nationaal-socialisme en de NSB. Het kwam hem driemaal op arrestatie te staan en op een verblijf in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel. Zijn boeken kregen titels als ‘Het humanisme van God’, ‘Hoera voor het leven’, ‘Glorie en uitschot van het heelal’, maar ook ‘Zuid-Afrika’s apartheidsbeleid: onaanvaardbaar!’ (al in 1955). Binnen de PvdA lag hij dwars over de strijd in Nederlands-Indië, het toetreden tot de NAVO en de investering in kernwapens. Hij was al vanaf 1928 ook actief in de vredesbeweging ‘Kerk en vrede’.

Opmerkelijk blijft ook dat juist hij zich in de hoofdstad direct na de bevrijding meldde bij de tijdelijke gevangenis voor gevangen gezette NSB-ers. Zij hadden ook pastoraat nodig. Aanwezigheid van gewapende bewakers in de kerkdiensten met hen wees hij af. Over de politieke gevangen hield hij ook het grote publiek én de voorlopige regering voor dat onze gerechtigheid moest lijken op die van God en dus niet genadeloos kon zijn. Maar toen hij in 1948 op de radio te keer ging tegen de politionele acties in Nederlands-Indië werd hij zelf betiteld als landverrader. Bewonderd én verguisd zou hij tot zijn dood blijven.
(2018)

Johannes Bogerman

Je draagt Scherpenheuvel in je hart mee

*1576, Upleward – † 11 september 1637, Franeker

Bogerman is vooral de geschiedenis in gegaan als de voorzitter met baard die in toorn ontstoken de Remonstranten heeft weggestuurd op de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-’19. Ze belemmerden met aanhoudende vragen over procedures en bevoegdheden de inhoudelijke behandeling van het geschil over de leer waarover hooglopende conflicten liepen in ons land.

Bogerman was geboren in Oost-Friesland als zoon van een voormalig pastoor. Hij studeerde aan de universiteit van Franeker en was vervolgens predikant te Sneek (1599), Enkhuizen (1603) en Leeuwarden (1604-1634). Bogerman was mild van karakter, maar streng in de leer tegenover afwijkende varianten van het protestantisme zoals van socinianen, arminianen en doopsgezinden. Leeuwarden leende hem uit aan de Haagse groep contraremonstranten die de leegstaande Kloosterkerk hadden geclaimd voor eigen kerkdiensten. Prins Maurits ging daar ook naar de kerk bij wijze van politiek statement. En Bogerman werd zijn hofprediker.

In de leer was Maurits een calvinist, in het leven een wulpse hoveling. Daarover zou Bogerman de prins nooit in het openbaar kapittelen, noch over de onthoofding van Oldebarnevelt (1619). Maar wel publiceerde Bogerman na het overlijden van de prins een uitvoerig verslag van het sterfbed (1625). Ze hadden elkaar nodig gehad, de een voor zijn politiek en de ander voor de versterking van zijn kerk. En Bogerman vermeldt alleen in algemene termen een biecht van zonden. Maar het geeft wel inkijk in de ziel van Oranjes, ook van de eerder overleden Willem Lodewijk, Fries stadhouder. Beide neven beaamden de leer van de uitverkiezing. En Bogermans verslag liet zien hoe God aan zijn uitverkorenen de volharding schenkt, maar dat Hij ook toelaat dat ze soms zwaar vallen. En God wekt dan bij zijn uitverkorenen berouw en de zekerheid van vergeving. Uitverkiezing geschiedt ’tot geloof’ en niet op basis van ‘vooruitgezien geloof’. Het breekt pas door via gebed en verootmoediging. De leer van Dordt kreeg zo een leeswijzer via een hooggeboren zondaar.

Bogerman heeft ook meegewerkt aan de Statenvertaling waartoe in Dordrecht besloten was. Net voor de officiële overhandiging van de eerste druk overleed hij. Hij was toen hoogleraar theologie in Franeker. De Dordtse kerkorde werd door de gewestelijke Staten afgewezen. Daardoor kwam er twee eeuwen lang geen nationale synode meer bijeen. De kerk moest niet al te zelfstandig beleid willen maken!

Kerkelijke hereniging met de Remonstranten is er nog steeds niet. Misschien iets voor nader gewetensonderzoek?
(2018)

Beatrijs van Nazareth – *1200, Tienen – † 29 augustus 1268, Lier (B)

705 jaar geleden overleed de schrijfster van het oudste geestelijke geschrift in het Middelnederlands. Nazareth was het klooster bij Lier waar ze de hele tweede helft van haar leven woonde. Ze is dus niet de Beatrijs van de legende, de non die haar klooster verlaat voor een aards liefdesleven, maar bij terugkeer merkt dat al die tijd haar plaats is ingenomen door Maria zelf, of de edele vrouwe uit Dantes Divina Comedia. Een non was ze wel en een nogal bruisend liefdesleven had ze ook. Haar geschriftje gaat namelijk helemaal over de Minne. Onze taal is de eeuwen door wel voor slechtere zaken gebruikt!

de liefde neemt je zo te pakken dat je geen maat kunt houden

En ze was er al jong bij. Vader was niet onbemiddeld en had bemoeienis met verschillende kloosters. Als zevenjarige kreeg ze onderwijs van Begijnen en vanaf haar tiende bij de Cisterciënzers. Daar ontmoette ze de mystica Ida van Nijvel en als zestienjarige werd ze zelf novice. Eigenlijk vond men haar nog te jong, maar ze was niet te stuiten. En ze ging nogal drastisch te werk in het zoeken van de vervulling met de goddelijke liefde. Jezelf pijnigen en uithongeren was in de Middeleeuwen toegestaan. Ze had periodes van ‘insania’, waanzin. Van de liefde buiten zichzelf geraakt. Of maakte anorexia haar licht in het hoofd? Ze maakt indruk en wordt een tijd priorin. In het tractaatje ‘Seven manieren van Minne’ beschrijft ze voor andere nonnen verschillende aspecten van de geestelijke toewijding. Eenvoudig, in de geest van de ‘bruidsmystiek’ die dan onder de Cisterciënzers internationaal gangbaar is. Verder zijn er autobiografische notities bewaard gebleven via de Latijnse levensbeschrijving na haar dood. Misschien heeft ze Hadewych ontmoet die ook over de ‘orewoet’ schreef, de liefdesstorm.

Hoe het denkbeeldige klooster in haar hart er uit ziet? God zelf is er de abt, vergezeld door Minne en het Streven naar devotie. Haar adbis is de Rede, Wijsheid de priorin, Voorzichtigheid de sub-priorin, Naastenliefde (caritas) de cellierster, Medelijden de ziekenverzorgster. Dankbaarheid en Trouw zijn de zangeressen, Geloof en Hoop de kosteressen. Gebed moet bij het altaar de wacht houden. Matigheid en Geduld zitten voor in de refter (de eetzaal). Bezorgdheid behandelt de zakelijke besognes, Kuisheid bewaakt de vensters (de zintuigen), Consideratie verpleegt de gasten. Voorzienigheid staat aan de poort die bewaakt wordt door Nederigheid en Gehoorzaamheid. En elke avond houdt ze kapittel, dat wil zeggen gewetensonderzoek.
(2018)

Fedde Schurer – *25 juli 1898, Drachten – † 19 maart 1968, Heerenveen

In Hem leven, bewegen en zijn we. In Hem schrijven we, waken, slapen, zoenen en redetwisten we.

Lied 315 is van hem, maar ‘Heb dank, o God’ is nogal ouderwets. Anders dan zijn Bijbelliederen uit ‘De gitaer by it boek’ uit 1966. Toen ik eens een zanger-gitarist in de kerkdienst had die zijn lied van David en Goliath uitvoerde, ging er een gelach op. De pikante dubbelzinnigheid van Davids slinger die in elk refrein terugkeerde ontging niemand.
Schurer zocht de randen op. Fries bloed kruipt waar het niet gaan kan. In een dossier van de Binnenlandse Veiligheidsdienst werd hij ooit omschreven als ‘talentvol en gevaarlijk spreker, vooral gevaarlijk voor jonge menschen’. Hij kreeg in 1930 ontslag op de christelijke lagere school in Lemmer vanwege zijn pacifistische ideeën. Ook de toegang tot het Avondmaal werd hem geweigerd. Hij is de man van ‘Kneppelfreed’, een flinke rel in Leeuwarden in 1951 naar aanleiding van zijn ‘belediging’ van de rechtbank door Fries te spreken.
Geboren in Drachten, opgegroeid in Lemmer waar hij eerst timmermansknecht was voor hij onderwijzer werd, verhuisde hij na zijn ontslag naar Amsterdam. Hij werd er opnieuw onderwijzer, leerde er andere schrijvers kennen en deed er aan het verzet mee. Hij keerde naar Friesland terug om hoofdredacteur te worden van De Heerenveense (later Friese) Koerier. Al vanaf zijn huwelijk in 1924 publiceerde hij ook gedichten en toneelstukken, het meest in het Fries. Hij was lid van het Kristlik Frysk Selskip dat Friese literatuur promootte. Zijn berijming van de 150 psalmen en van veel gezangen in het Fries was een monumentale prestatie. Gedeeltelijk is deze berijming nog steeds in gebruik.
Hij was ook politiek actief. ‘Geen Führer, maar Schurer’ was in 1935 zijn verkiezingsleus voor de Noord-Hollandse statenverkiezing. Later zat hij voor de PvdA in de Tweede Kamer, want hij behoorde tot de gereformeerden in Hersteld Verband die onder leiding van ds. Jan Buskes na de oorlog hervormd werden en zich samen met andere Barthianen bij de PvdA schaarden.
‘Hij is opstandig geweest en hij heeft zijn kop – die mooie kop waar de meisjes zo weg van waren – gebogen. Hij heeft geloofd en soms liep het geloof als zand door zijn vingers heen’. ‘Fedde wist en was er dankbaar voor, dat de Here God het meest prijs stelt op rare kostgangers. Hij behoorde voluit tot dat volk van God, hopenden en hopelozen’. Aldus ds. Buskes bij zijn uitvaart in Heerenveen.
(2018)

Athenogenes van Sebaste – † 16 juli 305 Sebaste, Armenië

Vriendelijk licht van de heilige glorie

Christenen houden van het licht. Kerken werden altijd oost-west gebouwd zodat de gebeden richting zonsopgang gingen. De dagen begonnen vanouds met dank voor het licht en het overleven van de nacht. Christus won de slag met de zonnegod. En de oudste christelijke hymne buiten de lofzangen in de Bijbel is een avondlied, gericht op het andere licht dat zelfs de donkerste nacht verlicht. Phoos hilaron. Een korte maar krachtige aanbidding van de Drie-enige.
Vriendelijk licht van de heilige glorie, van de onsterfelijke Vader, van de hemelse, de heilige de Zalige Jezus Christus. De zon gaat dalen en wij zien het avondlicht: wij zingen Vader, Zoon en Geest het heilig loflied toe: eer zij God! Te allen tijde prijzen wij met heilige stem U, Zoon van God die alles ’t leven geeft en zingen doet: lof en dank’ (lied 238).
Het lied is verbonden geraakt met de naam Athenogenes. Hij zong het lied terwijl hij onderweg was naar de marteldood. Op afbeeldingen staat hij soms met een beul. De arm van de beul zou verlamd zijn geweest zolang Athenogenes het lied zong. Mogelijk gaat het om de theoloog Athenogenes die met elf anderen de dood vond op 16 juli 305 onder keizer Diocletianus in Sebaste, Armenië. Er is ook een verhaal dat Athenogenes op weg naar zijn executie een jong hert tegenkwam. Het dier liet zich door hem zegenen. De jaren daarna verscheen er telkens op de verjaardag van zijn dood in zijn kerk weer een hert.
Maar Athenogenes was niet de dichter. Het lied wordt al in de tweede eeuw genoemd. Basilius de Grote, een kerkvader verderop in de vierde eeuw, noemt het al een oud lied. Hij waardeert het omdat de Heilige Geest gelijk op met Vader en Zoon wordt bezongen als God. En het lied werd vast bestanddeel van de vespers in de kerken van het oosten: Grieks, Armeens, Russisch. Het zingen gaat traditioneel gepaard met buigingen in oostelijke richting en met het zwaaien van wierook. Pas na 1700 raakte het ook bekend in het westen. Componisten als Charles Wood en John Stainer schreven prachtige koormuziek bij de Engelse vertaling: Hail, gladdening light. En in tal van andere liederen keert het vriendelijk licht terug, in teksten van Verdaasdonk tot Oosterhuis en eerder John Henry Newman. Er is tenslotte licht dat gezonder is dan de straling waartegen je moet smeren met minstens factor zoveel om niet bij de huidspecialist terecht te komen, zonaanbidders als we altijd gebleven zijn.
(2018)