Heruitgave Ethische Theologie voltooid

Blaukapel  In het Noordoostelijke puntje van Utrecht, ingeklemd tussen autosnelwegen en spoorbaan, ligt verstild fort Blauwkapel. Tussen oude huizen staat het fraaie middeleeuwse kerkje. Hier was J.H. Gunning jr tussen 1854 en 1857 predikant. Het was zijn eerste gemeente. Hij verdiende bij met kamerverhuur en lesgeven aan inwonende studenten. Zelf studeerde hij ook hard.

In dit kerkje vond op 10 december 2015 de presentatie plaats van het derde, tevens laatste deel van het Verzameld Werk van deze J.H. Gunning jr. Drie interessante lezingen door de hoogleraren Nico den Bok, Willem Drees en Rinze Reeling Brouwer vergezelden de presentatie. Zij belichtten Gunnings relatie tot de ‘schone letteren’ en zijn discussie met de filosofie van Spinoza. Dr. Leo Mietus, die deze heruitgave had verzorgd, presenteerde ook de aparte uitgave van een interessant collegedictaat dat een inkijkje bood in de manier waarop hij met studenten de beroemde Ethica van Spinoza behandelde, eind 19de eeuw. Op tafel stond het beeldje van Dante dat gedurende heel zijn loopbaan op het bureau van Gunning had gestaan.Dante Gunning

Met deze band Verzameld Werk is een enorm project voltooid. Een wetenschappelijke prestatie van formaat onder steeds moeilijker omstandigheden. Gunning jr (1829-1905) hoort samen met zijn oudere collega Daniël Chantepie de la Sausssaye (1818-1874) tot de eerste generatie theologen van de zogenaamde Ethische richting. In zes dikke banden zijn hun voornaamste geschriften met uitstekend notenapparaat opnieuw en blijvend toegankelijk gemaakt. Hulde aan uitgeverij Boekencentrum. De Stichting Heruitgave Oudere Ethische Theologie hief zichzelf op. Aan deze heruitgave gingen twee andere grote projecten vooraf: de bij uitgeverij Kok verschenen series Verzamelde Werken van  K.H. Miskottte en O. Noordmans, theologen uit het midden van de vorige eeuw. Ook werd nog gerefereerd aan de recente uitgave van de na-oorlogse hervormde theoloog A. A. van Ruler die sterk beïnvloed was door La Saussaye sr en Noordmans.

Meer dan eeuw lang leverden de Ethischen het voornaamste alternatief voor de gereformeerde ‘neo-calvinistische’ theologie. Zij waren van meetaf – 1849 was het jaar van de eerste publicatie van la Saussaye sr – wars van fundamentalisme in de uitleg van de Bijbel en van leerdwang op grond van de belijdenisgeschriften in de kerk. Zij vormden met hun grote openheid naar ontwikkelingen in de wetenschap, de cultuur en de samenleving ook altijd een rem op de verzuiling. Ethische dominees gingen in de jaren ’30 met hun catechisanten wel naar de bioscoop en deden na 1945 vaak me aan ‘de Doorbraak’. Tegelijk vormden zij ook altijd het alternatief voor vrijzinnigheid die een streep zetten door belangrijke principes van christelijk geloof.

De heruitgave van de werken van Miskotte en Noordmans in het laatste kwart van de vorige eeuw (vanaf 1978) was een gezamenlijk project van gereformeerde en hervormde – veelal ook nog jonge – theologen. Dat kwam omdat de gereformeerden waren uitgekeken op de insteek van Kuyper, Bavinck en ook Berkouwer. En dit flankeerde en stimuleerde in belangrijke mate het Samen-op-weg-proces van beider kerken. De theologie was niet kerkscheidend meer en de hervormde kerkorde van 1951 die in belangrijke mate door de ethischen was beïnvloed kon het uitgangspunt worden voor de kerkorde van de te vormen PKN.
De heruitgave van de oudere ethische theologie vanaf 1997 was merkwaardig genoeg vooral een Utrechts ‘hervormd’ project. De fijngevoelige openheid van deze theologen voor psychologie en cultuur zou goed hebben kunnen aansluiten op de verschuiving van kerkelijke focus naar spiritualiteit en beleving na de jaren van veel discussie over ethische en politieke vraagstukken (kernwapens, emancipatie, homoseksualiteit, abortus en euthanasie). Mogelijk dat het geduld dat hun werk en de interpretatie ervan vereist, teveel gevraagd was bij de toenemende druk op predikanten door de secularisatie en de ontkerkelijking.

Hoe dan ook staan deze monumenten voor een vijftal hervormde theologen als een huis. Maar de studiedag werd slechts bezocht door enkele tientallen meest oudere en zelfs bejaarde theologen. Henri Veldhuis benoemde in zijn toespraak t.g.v. de opheffing van de Stichting de voortschrijdende ontkerkelijking en sprak kritische woorden over het verlies van de christocentrische oriëntatie zoals de ethischen die voorstonden. In de kerk zouden we zelfs niet meer zeker weten of we nog wel christelijk willen zijn en niet liever algemeen-religieus. Feit is dat er nu nog nauwelijks institutionele inbedding is voor verdere bestudering van de ethischen. Terwijl het werk niet klaar is. De middengeneratie ethischen zijn nauwelijks toegankelijk en verdienen ook ontsluiting van hun belangrijkste geschriften, al was het maar digitaal: P.D Chantepie de la Saussaye, J.J. Valeton jr , Is. van Dijk en de predikant J.G. Gerretsen (die Juliana mocht dopen). Een goed wetenschappelijk totaaloverzicht ontbreekt van een eeuw lang beïnvloeding van kerk, wetenschap, cultuur en samenleving, vanaf de grondwet van 1848. Hun biografieën zijn meestal in aanzetten blijven steken. Zonder goed historisch inzicht hebben we niet alleen in de kerk maar ook – vooral! – in de samenleving in feite een scheef beeld van onze eigen geschiedenis. Te vrezen valt dat het beeld van het eigen religieuze verleden steeds ongenuanceerder gaat worden. Het echte verhaal gaat niet alleen over gereformeerd fundamentalisme en triomfantelijk katholicisme waartegenover door  het licht van liberale redelijkheid en socialistische gelijkheid langzaam maar zeker het pad gebaand werd naar de heilsstaat van onze moderne seculiere samenleving.

Wat er nog over is van kerk oriënteert zich vooral op Britse en Amerikaanse ‘evangelical’ theologie en kerk. Daarbij komen we soms in discussies terecht die al veel eerder waren gevoerd en tot een goed einde waren gebracht. We vinden wielen opnieuw uit die al eerder draaiden. En met een meer ‘ethische’ inslag was de nieuwe dogmatiek van Vd Kooij/ vd Brink minder neo-orthodox uitgevallen.

Ik idealiseer de ethischen allesbehalve. Het duurde veel te lang tot de sociale vragen van arbeid, armoede en ongelijkheid echt werden opgepakt. Aan de emancipatie van de vrouw hebben de heren ook niet veel bijgedragen. En op deze studiedag werd ook hoorbaar dat het antwoord van Gunning op Spinoza tekort schoot. Anders gezegd: we kunnen de antwoorden van vroeger op de uitdaging van de moderne kijk op de wereld om ons heen en op onszelf, niet kopiëren. En dat geldt volgens mij ook van hun christologie (die door de tijd heen ook aan verandering onderhevig was)! Het is eerder om hun ‘drive’ en hun grondhouding waarmee zij in kerk en samenleving stonden dat zij een blijvende inspiratiebron zijn.

(toespraak Henri Veldhuis op http://www.henriveldhuis.nl/LocalFiles/SaussayePageFiles/SHOET_Symposium_Groenekan_10dec2015.pdf)

 

Geloven onder bezetting

IMG_1415  klus geklaard:
Jacqueline Smits (Rotterdam) , ds Hans Baart (Driebergen), beide de vertalers en ik als ‘coördinator’ van de werkgroep theologie van Vrienden van Sabeel Nl/ Kairos Palestina Nl samen met auteur ds. Mitri Raheb (Bethlehem) tijdens de boekpresentatie met minisymposium in De Nieuwe Liefde in Amsterdam op 9 oktober 2015.

Adresloos danken?

Filosoof Ger Groot schreef in Trouw een mooie column over dankbaarheid: ‘Ook zonder God mogen we ons gelukkig prijzen’. Hij verdedigt de mogelijkheid van jezelf gelukkig prijzen zonder God. Want atheïsten moeten ook dankbaar kunnen zijn voor het geschenk van het leven, ook al heeft hun dank geen adres.
Mij bekroop de vraag of Groot hier niet juist het hybride karakter van atheïstische levenskunst bloot legt. Danken, loven en prijzen zijn nogal religieuze handelingen. Voor veel gelovigen zijn ze zelfs de kern van hun levenskunst. En adresloos danken is ook taalkundig iets raars. Bij het werkwoord danken hoort een dativus, een tegenover. Religie zet daarom God als stip op de horizon als perspectivisch verdwijnpunt voor de gevoelens en daden van dank, lof, vertrouwen, hoop, en niet te vergeten ook de twijfel, de wanhoop, het protest en de schuldbelijdenis. Hij is de spijker aan de muur waaraan we het allemaal ophangen. De theoloog Schleiermacher noemde hem twee eeuwen geleden het ‘Woher’ van dat allemaal, het waarvandaan.
Maar theologie begint al gauw te stamelen als er meer gezegd moet worden. God ‘is’ er dus, maar hij is geen wezen, geen zijnde. Achter de horizon kan ook een gelovige niet kijken. Het theïsme van de gelovige blijft ook hybride. In het heilige van tabernakel en tempel staat geen godsbeeld. En bij al te veel gepraat over God in de derde persoon en zijn al of niet bestaan vlucht de gelovige daarom graag vaak terug naar de religieuze praktijk van het spreken in de tweede persoon. Met behulp van verhalen, liederen, gebeden en andere rituelen proberen we in een relatie te blijven tot een ‘Gij’ (of tutoyeren een Jij). Een gelovige weet dat de voornaamste functie van het woordje ‘God’ is om juist die datief te zijn: de instantie om ‘U’ tegen te zeggen.
Maar als dankbare theïsten en atheïsten in feite hetzelfde doen en het enige verschil is dat de een zijn of haar levenskunst ophangt aan een gat waar de ander nog altijd de spijker ‘God’ heeft zitten, waarom dan niet gewoon samen? Als predikant heb ik in de loop der jaren de geboortekaartjes radicaal zien veranderen van ‘met dank aan God’ naar ‘met dankbaarheid geven we kennis van’ naar ‘hallo hier ben ik’ waar je gevoelens van ouders moet raden uit de bonte uitmonstering van de giga kaart. Toch kloppen ook de laatste ouders nog wel eens aan voor een kinderdoop. De kerk waarin God-gelovigen en God-betwijfelenden samen hun dankbaarheid vieren bestaat al lang. Groot, kom weer eens langs!

(tot zover mijn niet door Trouw geplaatste reactie)

Ongeloof hoef je niet bij de ingang van de kerk in te leveren, integendeel. De viering is er juist om geloof te activeren dat sluimerde en sliep. Soms even kun je er dan het ongeloof er achterlaten. (Bijvoorbeeld in de collectezak, het moment waarop we dankbaarheid in klinkende munt uitbetalen). Maar als dat niet lukt: elke week is er een herkansing. En ook bij de uitgang is er geen controle op de metafysische voorstellingen waarmee je door het leven gaat.

Jezus bestond niet en Troje lag in Engeland

Met verbazing lees ik de argumenten waarmee de redactie van Trouw het opneemt voor collega Van der Kaaij die de historiciteit van Jezus ontkent. Het wetenschappelijke debat in de negentiende eeuw over die historiciteit zou onbeslist geëindigd zijn. En Van der Kaaij zou met zijn opstelling oude papieren hebben. Het stukje suggereert ook dat christelijk Nederland een beetje lui is geweest door de vraag naar de historische bewijzen nooit meer aan de orde te stellen.
De vraag naar de historiciteit van rabbi Jezus van Nazareth is allereerst een gewone  wetenschappelijke kwestie. En dan is de zaak heel helder. Er is een brede wetenschappelijke consensus over die historiciteit. We kunnen er net zo zeker over zijn als over de ligging van het Troje van Homeros aan de kust van het huidige Turkije. Er zullen altijd wel lieden zijn die het proberen met een ligging in Engeland. Zoals er ook Holocaustontkenners zijn. Maar wetenschappelijk is nu eenmaal de regel dat als er een bepaalde mate van plausibiliteit is bereikt, je dan mag spreken van zekere kennis. Precies daarom geldt ook omgekeerd dat de uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster een fabeltje is. Zoiets geldt zelfs voor kennis op natuurwetenschappelijk terrein. De relatie tussen klimaatopwarming en CO2-uitstoot is onomstotelijk, ook al is er geen 100-procent een stemmigheid. Dwarse types zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven, maar je kunt ze niet altijd serieus nemen.
Ja, er is een klein landje waarvan een aantal ultra-vrijzinnige theologen honderd jaar geleden serieus meenden dat Jezus een mythologische constructie was van later datum.  Het strekt niet erg tot onze  eer dat zij de enigen zijn die Nederland vertegenwoordigen in het vuistdikke overzicht van Albert Schweitzer van het wetenschappelijke debat tot dan. De Radicale Hollanders werden aangestuurd door een rigide opvatting over historische bewijsvoering. Daar kon Jezus niet aan voldoen, waarom hij werd veroordeeld: product van mythische fantasie. Het zou niet best zijn voor ons strafrecht als daar dezelfde strenge regels van bewijsvoering werden gehanteerd. Teveel criminelen zouden vrijspraak krijgen wegens gebrek aan bewijs.
Die Radicalen waren wel symptomatisch. De protestantse theologiebeoefening in Nederland heeft ook daarna geen goede traditie opgebouwd op dit veld van wetenschappelijk onderzoek. De enige Nederlander die doorgedrongen was tot Amerikaanse Jesus-seminar waar een groot aantal geleerden de kwesties bediscussieerden, was onze cineast Paul Verhoeven. Zijn Jezusbiografie werd vervolgens door de theologen afgeserveerd, maar zonder dat zij met een alternatief kwamen. De volgende belangrijke wetenschappelijke stap werd gezet door alweer een buitenlander, de niet-meer- christelijke Iraniër Reza Aslan met zijn boek De Zeloot.
Ik zie collega Van der Kaaij als slachtoffer van die zwakte in de Nederlandse theologiebeoefening.  Maar ‘christelijk Nederland’ had en houdt ondertussen goede papieren om zich geen zorgen te maken over de historische plausibiliteit van het bestaan van rabbi Jezus.
En als gelovigen hebben we er nog een belangrijke reden voor. We leven in een wereld waarin Auschwitz geen mythe is en waarin de bewijzen voor de gruwelijkheden van IS nogal verpletterend zijn. In diezelfde wereld kreeg de mensheid ook figuren van vlees en bloed als Gandhi, Martin Luther King, Mandela. We hebben existentieel belang bij de historiciteit van oprechte menselijkheid, geweldloze inzet voor gerechtigheid, gelukte naastenliefde.  Dat die er is maakt de historiciteit van Jezus des te geloofwaardiger. We kunnen niet zonder.

(door dagblad Trouw niet geplaatste bijdrage, vrijdag 6 februari 2015)

Jezus kan niet niet gebeurd zijn

Naar aanleiding van bericht in Trouw, maandag 2 februari 2015

Collega ds van der Kaaij uit Nijkerk was een beetje dom. Hij heeft de kerk ooit boeken met mooie gebeden geschonken. Maar de historische Jezus laten vervluchtigen tot een literaire constructie van gedreven spirituelen is schadelijk voor zijn eigen integriteit als predikant, voor de beroepsgroep, voor de sfeer in zijn gemeente, voor de kerk en voor de spiritualiteit in het algemeen. Het is wetenschappelijke nonsens. Het zet de Nederlandse theologie voor schut. En het zadelt de kerk op met een nieuwe rel. Voor zijn doel is dat allemaal helemaal niet nodig. Hij wil een christendom waarin je niet per se moet geloven in de historiciteit van wonderen als lichamelijke opstanding, maagdelijke geboorte, fysieke wederkomst op wolken des hemels en het bestaan van een superastraal goddelijk wezen om voluit als christen te boek te mogen staan. Maar waarom zo’n paardenmiddel?

Honderd jaar geleden schreef Albert Schweitzer een dikke pil over een eeuw lang theologisch  onderzoek naar de historische Jezus. Er kwamen ook een paar Nederlanders aan bod, de ‘Radicale Hollanders’ heten zelfs een school. De enigen in het hele overzicht die de historiciteit van Jezus ontkenden. Een totaal geïsoleerd gezelschap. Het was namelijk nogal erg doorzichtig dat deze ontkenning weinig te maken had met diepgaand onderzoek van teksten en cultuur, maar vooral was ingegeven door een wetenschapstheoretische onmacht. Ze waren niet in staat om de aard van het historische kennen te formuleren. De hele operatie om Jezus te herleiden tot Egyptische mythen over stervende en herlevende goden is van nood een deugd maken die helemaal geen nood hoeft te zijn. Van de Kaaij trapt in dezelfde val, de val van het positivisme. Omdat we geen absoluut zekere bewijzen hebben van de historiciteit zal Jezus niet historisch zijn. De enige absolute zekerheid is die van de bekering van Paulus, en alleen op dat fundament wil hij zijn theorie opbouwen. Maar dat is nu precies wat het fundamentalisme ook doet dat Van der Kaaij kwijt wil. Vertrekken van absolute ontwijfelbare zekerheden, onzekerheidsmarges niet toelaten.

Historische theorievorming werkt anders. Ik heb mijn ene opa nooit gekend, maar met zijn grafsteen plus de verhalen ben ik niet alleen overtuigd geraakt van zijn bestaan maar heb ik ook een redelijk betrouwbaar beeld. Voor verkrijgen van historische zekerheid kan worden volstaan met het aanwijzen van allerlei ‘sporen’ die samen de historiciteit plausibel maken. Het feit dat het niet-bestaan niet goed te falsificeren valt, wil niet zeggen dat de historiciteit dan niet als zekere kennis kan worden aangenomen.

Van der Kaaij verkeert daarbij dan bovendien in gezelschap van bedenkelijk allooi. Iemand als de Italiaan Francesco Carotta die in 1999 schuivend met wat keizerlijke munten en teksten uit de keizerverering uit de eerste eeuw de evangeliën tot verpakte propaganda voor JC verklaart, Julius Caesar wel te verstaan. Ik verdenk de man aanhanger van Berlusconi te zijn. Zulke betogen worden nogal opzichtig aangestuurd wordt door de behoefte om een rekening te vereffenen met religie.

En Van der Kaaij is ook wel slachtoffer van de tragiek van de protestantse theologie in Nederland. Behalve dan bij die Radicale Hollanders heeft het historische onderzoek naar Jezus nooit veel voet aan de grond gekregen in de Nederlandse wetenschappelijke theologiebeoefening, waarschijnlijk door de sterke koppeling aan kerkelijke predikantenopleidingen en het calvinistische klimaat. We zijn in deze discipline gewoon niet goed getraind. De enige Nederlander die doordrong tot het Amerikaanse Jesus seminar was een outsider: onze filmmaker Paul Verhoeven. Zijn boek is tot nu toe in bijna tweehonderd jaar modern Jezus-onderzoek ook ongeveer de enige serieuze Jezus-biografie van Nederlandse hand. De academici waren er als de kippen bij om het af te kraken, maar het betere alternatief laat nog steeds op zich wachten. Dat betere, hoewel ook niet volmaakte, alternatief kwam opnieuw van buitenlandse hand, geschreven door de Iraniër Reza Aslan, De Zeloot.

En de dominee die het vak ‘uitleg van het Nieuwe Testament’ een beetje bijhoudt kan weten dat er opvattingen zijn over het auteurschap van Marcus, waardoor hij heel wat dichter bij het gebied blijft waarin het oudste evangelie zich afspeelt dan Alexandrië waar Van der Kaaij hem Egyptische mythen laat opsnuiven. En daardoor ook dichter bij zijn hoofdpersoon.

Maar behalve goede wetenschappelijke argumenten om de historische rabbi Jezus van Nazareth niet bij het grofvuil te zetten, is er ook een belangrijk spiritueel argument. Geloof heeft het nodig en wil het gewoon graag voor waar hebben dat radicale liefde, diepgaande vergeving en een verzetspraktijk van vergaande geweldloosheid, ooit ook echt vlees en bloed geworden zijn. Gelukkig levert de recente geschiedenis analogieën op die dat geloof nogal plausibel maken. Van figuren als Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela is de historiciteit even onbetwistbaar is als die van de Holocaust.
Jezus kan gewoon niet niet gebeurd zijn.

Theologie in het publieke domein – 175 jaar FGG

WassenaarIt beaken

Vrijdag 14 februari vierde het Fries Godgeleerd Gezelschap zijn 175-jarig bestaan met een symposium over de betekenis van theologie in het publieke domein. In mijn bijdrage aan de dag en de bundel, in reactie op een voordracht van bisschop Gerard de Korte ben ik ingegaan op het pamflet ‘Heilig vuur’ waarmee zomer 2013 door Ruard Ganzevoort een aardige knuppel in het theologische hoenderhok was gegooid. Ook gastspreker Henk de Roest betrok dit pamflet in zijn lezing.
De bijdragen van zijn gepubliceerd in It Beaken, tijdschrift van de Fryske Akademy, jaargang 2013 nr 3/4. Niet op internet.
Op deze dag werden eerste exemplaren overhandigd van een uitvoerig historisch overzicht van 175 jaar theologiebeoefening in dit gezelschap, geschreven door dr. Jan Dirk Wassenaar en eveneens verschenen als uitgave van de Fryske Akademy (afûk). Een prachtig overzicht van de geschiedenis van dit wonderbaarlijke genootschap.
Informatie over deze dag op http://www.kruspunt.nl/fr/eveneminten/175-jier-fries-godgeleerd-gezelschap.
Het Goede Leven stond er ook bij stil. Ik word er uitvoerig geciteerd, leuk!
http://www.hetgoedeleven.com/Mobiel/MobielDetail/tabid/266/IndexID/194230/Default.aspx

Zionistische bijbellezing maakt het Oude Testament voor Palestijnen ontoegankelijk

Janneke Stegeman verdedigde op 14 januari met succes een mooi proefschrift over Jeremia 32. Jeremia koopt een akker in Anatoth terwijl het land op het punt staat veroverd te worden. Het is een hoofdstuk dat een rol speelt in zionistische claims op het land. Janneke laat in haar verslag van leesgroepen met joodse Israëli’s en Palestijnen zien dat er een soort weegschaal bestaat tussen een lezing die de zionistische claims rechtstreeks op de bijbel fundeert en de mogelijkheid voor Palestijnen om zich in het Oude Testament te herkennen. Naarmate er in haar verslag aan joodse kant meer zelfkritiek naar boven komt, komt er aan Palestijnse kant meer ruimte om zichzelf te herkennen in de worsteling van Jeremia en de zijnen om hoop te bewaren in een situatie van kolonisatie en onderdrukking.
Tijdens de promotie en in de korte conferenties eerder dezelfde week kreeg ook Mitri Raheeb het woord, theoloog uit Bethlehem en nauw betrokken bij het Kairos-document. Hij brengt dit heel stellig onder woorden. Palestijnen hebben het recht zich nu te herkennen in de boodschap van Jeremia. Zijn nieuwe boek heet ‘Faith in the Face of Empire’.
Hier een filmpje van de inleiding dit Janneke zelf hield over haar onderzoek.http://www.youtube.com/watch?v=hwrmdWy8eI4
Een uitvoerig verslag over de conferenties, de promotie en informatie over het boek op www.kairospalestina.nl