Jezus stapte mijn zolderkamer binnen (FD 31-8-2018)

zomerserie ‘Mijn ervaring’

Het was ergens rond mijn zestiende. Ik was middelbare scholier en heus niet heel intensief met geloofsvragen bezig. Het vak godsdienst op school vond ik bijvoorbeeld tijdverspilling. Als dat op maandagmorgen viel had ik al een heel weekend achter de rug met catechisatie gevolgd door jeugdvereniging en op zondag meestal twee keer naar de kerk. Kerk en geloof bepaalden nogal de atmosfeer waarin ik opgroeide. Mijn vader was niet de enige dominee in de familie en wij woonden op de Veluwe. En er werd ons verteld dat je toch eigenlijk ook aan persoonlijke Bijbelstudie moest doen, wilde het goed met je komen. De donkerblauwe Bijbel lag dus bij mijn bed , gekregen bij het verlaten van de lagere school en tot mijn spijt al in de brugklas beschadigd geraakt omdat hij elke dag meegenomen moest worden in de zware boekentas. Bijna vijftig jaar later weet ik de speciale geur nog.

Positieve huiver
Niet dat ik ‘s avonds om half elf na de lange fietstochten en het vele huiswerk (vooral dankzij meneer van Diermen, de leraar Duits) nog puf had. Het hoefde misschien niet elke dag en er was gelukkig geen controle. Maar zomaar een stukje uit één van de evangeliën raakte mij op een keer toch wel bijzonder. Er ging een rilling ergens over mijn rug! Een positieve huiver. Meer was het niet. Maar ook niet minder. Die Jezus toch. Hij had mij aangesproken. Ik was geraakt.
Pas later realiseerde ik me meer het belang van dat moment. Dat toen k beslissend de balans was doorgeslagen. Het speet me dat ik toen niet meer terug kon halen bij welke Bijbeltekst het precies geweest was. In elk geval was het bij een van de verhalen dat Jezus rondtrekt door Galilea en ontmoetingen aangaat. In mijn omgeving werd er een enorm nadruk op gelegd dat Jezus gestorven was voor onze zonden. Maar ik voelde me geen groot zondaar, wel een onzekere tiener. Mijn klik met Jezus was zijn boodschap van mededogen in zijn vriendelijke omgang met mensen. Die essentie ‘kwam binnen’. Ik mocht er zijn.

Raakmomenten
Zestien is nu eenenzestig. Ik ben ook theologie gaan studeren en predikant geworden. Niet per se door dat ene moment. Er waren daarvoor en daarna zoveel meer ‘raakmomenten’. Maar dat ene is wel richtinggevend geworden voor de manier waarop ik de Bijbel lees en in de christelijke traditie ben blijven staan. Het bleek onder meer te helpen bij onderscheiden tussen de kern en minder noodzakelijke of zelfs hinderlijke verpakking van de geloofsboodschap, toen de vele kritische vragen bij allerlei aspecten van de christelijke leer zich opstapelden, rationele jongere die ik ook was en man die ik ben. ‘De kern ziet wijd’, zei een van mijn hoogleraren vaak. Amen.
Nee, een visioen was het niet. Maar de theoloog Edward Schillebeeckx schreef ooit in zijn belangrijke Jezus-boek ‘Jezus, het verhaal van een levende’ over de verhalen van zijn verschijningen na Pasen dat Jezus ‘epifaan’ is geworden. Jezus is verschijnend geworden. En daarover kunnen we meepraten. Daar is geen mirakelgeloof bij nodig. De Jezus van Nazareth van toen kan via de Bijbel overal binnen komen.
Die Jezus is wel vriendelijk in zijn vertegenwoordiging van het grote Ja van God tegen mensen, maar niet soft. Ook dat besef dateert uit die jeugd met stevige opvattingen over de Bijbel. Het pastoraat is een mooie manier om persoonlijke ontmoetingen aan te gaan waarin ik op mijn beurt dat Ja mag vertegenwoordigen. Ik hoop dat er kerken zullen blijven die mensen financieel vrij spelen voor dit prachtige werk. Maar kerken moeten zich – in Jezus’ Naam – ook inzetten om de rechtvaardigheid in de wereld te vergroten tegen over mensen die met wie gesold wordt en over wie heen gelopen wordt of die van hun land gejaagd worden om hun geloof of culturele identiteit.

Arabisch
Eens heb ik een kerkdienst meegemaakt in dat gebied waar de Heer zijn voetstap zette. Het was een dienst in het Arabisch, in een volgepakte kerk ergens op de flanken van de Karmel. Totaal onverstaanbaar dus. Alleen de bijbelse plaatsnamen in de preek waren herkenbaar. Maar het was voelbaar dat hier geleefd werd uit de vreugde dat de Heer in hun land was verschenen en dat deze broeders en zusters daar hun gevoel van waardigheid aan ontleenden. Aanstekelijk.

FD 31-8-2018 ‘Geloven’

Koesteren van de Heimat in migrantenland

Christenen zijn pelgrims naar de eeuwigheid, ‘vreemdelingen en bijwoners’. We leven wel ‘in’ de wereld maar we zijn niet ‘van’ deze wereld. ‘En geen plek waar wij al thuis zijn … verre verten zoeken wij op hoop van zegen’, dichtte Sytze de Vries in een prachtig lied voor de laatste weken van het kerkelijk jaar, lied 813. Maar wat betekent het als groeiende aantallen medeburgers uit verre landen neerstrijken in het land waar jij en je voorgeslacht al eeuwen woonden, werkten en kerkten? Mogen we houden van het nationale volkslied, van onze streektalen en van af en toe een straatbeeld zonder hoofddoekjes, van dagelijks klokgelui zonder verstoring door de gebedsoproep van een moskee? Zo gemakkelijk geven we onze liefde voor ons Heim niet op. Of moeten we daarbij een schuldgevoel hebben?

Topophilia
Britse neurowetenschappers ontdekten onlangs hoe belangrijk topofilie is: ‘liefde voor een plaats’. Diepe gevoelens van geborgenheid, veiligheid, rust en kalmte worden in ons brein vooral opgeroepen door plaatsen. Ze doen dat zelfs meer dan foto’s van geliefden of de trouwring. Herinneringen die bepalend waren voor de ontwikkeling van ons gevoel van identiteit lijken nog meer aan plaatsen vastgeplakt te zitten dan aan de mensen door wie we gevormd zijn. Interessant. ‘Waar kom jij vandaan?’ is daarom dus een vraag die we al gauw stellen als we iemand willen leren kennen, niet wie zijn of haar meesters, juffen of dominees waren.

Daarom doet identiteitspolitiek het momenteel zo goed, in Europa en ver daarbuiten. Amerikanen koesteren hun blanke conservatief-christelijke identiteit (met recht op privé-wapentuig). Israël verklaart zichzelf tot joodse staat, ‘de enige veilige plek voor Joden in deze wereld’. Nederland maakt de kennis van het Wilhelmus tot speerpunt van het kabinetsbeleid. En Duitsland heeft weer ministers voor de Heimat, wat sinds de nazi’s een taboewoord was. Mevrouw Merkel moest wel, vanwege de oplopende spanningen over haar vluchtelingenbeleid. Als het gevoel opspeelt dat we ons plekje kwijtraken, valt het niet mee om ons in te leven in anderen die juist hierheen gekomen zijn omdat ze op hún plek geen leven hadden. We willen misschien best gastvrij zijn. Met enige tegenzin accepteren we misschien de roetveegpiet, want je kunt je vele landgenoten met een slavernijverleden in hun stamboom toch niet op de tenen blijven trappen. Maar hoe kunnen we gastvrij zijn als we geen eigen huis meer hebben, zegt het topofiele stemmetje in ons brein nogal dwingend. En dus willen we maatregelen ter bescherming van ‘onze’ identiteit.

Allemaal migranten
Maar ondertussen zingen we als christenen het pelgrimslied over het komende Koninkrijk. Moet onze bereidheid tot verandering het dan niet winnen van het behoudzuchtig koesteren van onze verworvenheden? Ja. Aldus Dorottya Nagy, hoogleraar missiologie aan onze Protestantse Universiteit, in de synodevergadering van april dit jaar. Ze was uitgenodigd voor de jaarlijkse lezing. Ze is zelf een Hongaarse uit Roemenië, met kinderen geboren in Duitsland, woonachtig in Finland. Ze had een kritisch verhaal over allerlei verwarring en rond het begrip migratie en migranten. De tweedeling tussen migranten en niet-migranten klopt vaak niet. We zijn al eeuwen een gemengd volk. En ze liet zien hoe we nieuwe mythes aan het vormen zijn. Zo bestaat er de evangelische mythe van de christelijke migranten die onbedorven zijn door onze westerse ontwikkeling en daarom het christendom hier zouden kunnen redden. En hoeveel soorten migratie zijn er niet? Neem de trek van platteland naar stad. Dorpen moeten scholen en kerken sluiten door krimp, huizenprijzen in steden schieten de pan uit. En ontkerkelijking is ook van migratie. In korte tijd verwisselen mensen massaal hun kerkelijke onderdak voor het vrije leven van postchristelijke seculieren, al dan niet met Boeddha in de vensterbank. En hoe belangrijk is het om steeds weer de achtergronden in het oog te houden waarom mensen in de wereld op drift zijn. Niet alleen door terrorisme. Klimaatverandering maakt hele streken onbewoonbaar. Zijn we niet zelf mede-verantwoordelijk? En als kerk zijn we daarom nooit klaar. Altijd ‘onderweg’ zijn hoort bij het geloof. Kerk zijn we nog steeds aan het worden, aldus prof. Nagy.

Drie betekenissen van Heimat
Het was misschien een noodzakelijk verhaal. Maar eenzijdig. Kerk alleen maar steeds aan het worden? Vermoeiend. Je wilt toch ook een plek waar je het fijn bént? Eerder in diezelfde aprilmaand werd de pers gehaald door prof. Beatrice de Graaf. Ze is bekend als terrorismedeskundige. Ze had een lezing gehouden voor de Christen-Unie over ons groeiende verlangen naar een Heimat. Via die topofilie en de Duitse Heimatministers kwam ze in haar verhaal bij drie betekenissen van ‘Heimat’. Het is de ruimte en plaats waar je bent geboren of opgegroeid. Het is de plek waar je via de lijn van de geschiedenis aan verbonden bent (via voorouders of gemeenschappelijke voorgeschiedenis). Maar het is bovenal de plaats waar je je sociale tehuis vindt. Het is de gemeenschap waar je door sociale bindingen geborgenheid vindt. ‘Ruimte, historische geworteldheid en gemeenschap – dat is de drieslag die ‘Heimat’ zijn eigen kleur, reuk en smaak geeft’. En die Duitse politici zijn best voorzichtig bezig te onderzoeken hoe het gevoel van veiligheid kan worden bevorderd als het gaat om belangrijke waarden en verworvenheden of ook gewoon leuke dingen van de eigen cultuur. Er zijn dingen die de moeite van het koesteren en bewaren waard zijn.

Er moet een plek zijn op de wereld
Vanaf de eerste boeken van de Bijbel gaat het steeds zowel over een Stem die ons op weg roept maar ook over Land in zicht als grond onder de voeten. God leidt je door de woestijn maar geeft je ook een land van aankomst. De staat Israël is het Beloofde Land nog niet. En Gronings is een mooie taal, maar er worden soms lelijke dingen mee gezegd. Zo dagen de beelden en liederen van het oeroude Geloofsverhaal ons telkens weer uit om te wikken en te wegen over wat we vasthouden en wat we loslaten. ‘Er mag een plek zijn om te blijven, er mag een plek zijn om te gaan. Dan heb je vleugels om te drijven, een been om op te staan’ (Eppie Dam).

Protestantse Kerbode, hoofdartikel oktober 2018

Over het besluit van de synode Protestantse Kerk m.b.t. huwelijksinzegening, 15-11-2018

De synode heeft op 15 november 2018 besloten: de officiële regelgeving van de kerk waarin het woord huwelijk alleen van toepassing is op huwelijken van man en vrouw blijft ongewijzigd. Er is een officiële uitleg aangenomen die zegt dat daarmee geen waardeoordeel wordt uitgesproken over homoseksuelen en hun eventuele huwelijk. Waarmee de weg vrij is voor gemeenten om naar wens zulke huwelijken ook in een trouwdienst in te zegenen. Wie in de praktijk geen onderscheid maakt tussen zegening en inzegening zal niet worden gestraft.
Mooi toch? De Gereformeerde Bond kan zeggen dat de synode de verschillende soorten huwelijk niet gelijk gesteld heeft. En de ‘regenbooggemeenten’ kunnen de vlag uithangen dat de kerk weer een klein stapje verder is gekomen op de lange weg naar volledige gelijkwaardigheid van LHTB-ers (etc.) in de kerk. Want een klein stapje is er wel degelijk gezet.
Het was niet mooi. Procedureel verliep de stemming verwarrend, om niet te zeggen geheel tegen de regels van het huishoudelijk reglement van de synode. Normaliter wordt er eerst over tegenvoorstellen en amendementen gestemd en daarna pas over het oorspronkelijke voorstel (als deze niet zijn aangenomen). Het moderamen had zelf twee voorstellen, geheel ongebruikelijk, en liet nu de stemming over het eigen eerste voorstel voorgaan.
Hoe dan ook: er komt nu dus geen verplichte beraadslaging in de kerkenraden en classicale vergaderingen over een voorstel tot wijziging van de regels. Wel hebben we nu een nieuw fenomeen: de synodale bijsluiter bij de officiële wetsteksten van de kerk. Naast de kerkorde (‘Romeinse artikelen’), de ordinanties en generale regelingen nu ook een afdeling ‘synodale verklaringen ter nadere uitleg’. Die laatste worden door de synode vastgelegd zonder dat deze ‘ter consideratie’ aan de kerkenraden en classicale vergaderingen worden voorgelegd.
De kerkenraden krijgen binnenkort wel een dik pakket met zeer specialistische technische detailwijzigingen in de ordinanties, om de puntjes op de i te zetten wat betreft wijzigingen in verband met wijzigingen over ‘Kerk 2025’.
Heeft het moderamen zich niet teveel gedragen als de moeder die bij dreigend onweer voortdurend roept dat onweer echt heel gevaarlijk is, in plaats van haar onzekere kinderen gerust te stellen door de verwijzing naar bliksemafleiders en andere zekerheden? Trainingen in pastoraat en leiderschap gaan altijd over ‘niet-angstige presentie’. Maar nu voerde krampachtige bezorgdheid de boventoon. Een discussie over een andere tekst over het huwelijk zou het op sommige plekken voor mensen eerder erger dan beter maken. ‘Ik ben bang’ zei ook letterlijk een van de synodeleden die instemde met het moderamenvoorstel, terwijl hij zelf graag homohuwelijken inzegenen wil.
Ik heb Paulus opgevoerd. De Paulus die leiding moest geven in het grootste conflict van de kerk van de eerste eeuw, op de historische tweesprong waar christenen en joden uit elkaar dreven. Hij deed geen water in de wijn bij zijn standpunt van maximale vrijheid op de punten waar het conflict over ging: de besnijdenisverplichting en het wel of niet kosher moeten eten van de nieuwe gelovigen. Hij waste niemand minder dan Petrus de oren die aan deze vrijheid wilde morrelen (lees de brief aan de Galaten). Tegelijk heeft Paulus het principe van gewetensvrijheid en respect voor elkaars geweten geformuleerd dat blijvende ruimte biedt aan ‘zwakken in het geloof’ die een ruime praktijk niet aandurfden, want hij was de apostel van de liefde (lees Romeinen 14). Maar hij liet zich niet intimideren.
Maar in de praktijk hebben gemeenten met hun kerkenraden de ruimte om hun geweten voluit te volgen. ‘Liturgisch is het geen verschil’, zegt de bijsluiter over het onderscheid tussen inzegening van het huwelijk van man en vrouw en de zegening van andere relaties. De omstreden ordinantietekst is in feite onschadelijk gemaakt. Het is nu officieel een dode letter. Sacrosanct maar nietszeggend.

Raam was al open

(oorspronkelijke tekst ingezonden reactie Trouw 8 juni 2017)

Wat een treurig beeld schetste hoofdredacteur Cees van der Laan zaterdag 3 juni​ ​van kerkelijke gelovigen. Het is het beeld van een eilandje waarop ze zichzelf teruggetrokken hebben terwijl de zeespiegel alsmaar verder stijgt. Ze ‘zien de wereld om zich heen seculariseren, ze zien hun vertrouwde wereld kleiner worden.’ En alsof dat nog niet erg genoeg is komen dan ook nog eens ‘de theologen, de geestelijke leiders, van binnenuit een steen door de kerkramen gooien’. Met hulp van de krant natuurlijk, want Van der Laan ziet het als zijn roeping om een platform voor nieuwe idee​ën te bieden.
Van der Laan gebruikt ondertussen De Lange met zijn schrijfsel over hemel en eeuwigheidsbeleving voor een eigen agenda. De Lange gooide helemaal niet agressief een steen door de ruit. Hij schreef in de wij-vorm. En omgekeerd hebben veel gelovigen heus geen hulp van theologen nodig om niet in primitieve idee​ë​n over God en hemel te blijven hangen. Ze hebben ook tv en internet en de kanker en het terrorisme vallen hen soms ook rauw op het dak. De deuren en ramen zijn al open. Velen blijven juist in de kerk omdat er ruimte is voor kritisch nadenken en een persoonlijke spirituele zoektocht. En als ze dan wat langer vrijmoedig op hun fantasie blijven leunen dan de geharnaste athe​ï​sten heeft dat niets met conservatisme te maken.

Trump: de nieuwe Luther?

De media staan bol van de analyses over het nieuwe radicalisme dat in de westerse wereld de macht grijpt. Bij de overwinning van Trump moet ik denken aan Maarten Luther. Zojuist is het jaar van de Reformatieherdenking begonnen. Of we het als protestanten en beschaafde west-europeanen nu leuk vinden of niet, er zijn nogal wat parallellen te trekken tussen de electorale revolutie van Trump en Luthers revolutie die maakte dat Noord-West Europa tot op de huidige dag door protestantisme gestempeld raakte (zelfs rooms-katholieken zijn hier protestant in hun doen en laten).
Luther was ook behoorlijk grof gebekt en kon racistisch tekeer gaan. Niet voor niets moesten we als protestanten eerst excuus aanbieden aan de wereld voor het antisemitisme van Luther voordat we ons herdenkingsjaar mochten gaan vieren.
Over vrouwen denken ze behoorlijk gelijk. Met de vrouwonvriendelijkheid van Trump valt het wel mee (in zijn eigen ondernemingen kunnen vrouwen door glazen plafonds breken) en met de vrouwvriendelijkheid van Luther valt het een beetje tegen. Katrien mocht dan wel de broek aanhebben, vrouwen in het ambt zijn pas van eeuwen later. Trump is trouwens een tijd bij Dutch Reformed protestanten ter kerke geweest.
Belangrijker is dat hun succes in brede kring totaal onverwacht was en door het ‘weldenkende deel van de natie’ niet voorzien was. We kijken naar dat van Trump zoals Erasmus keek naar Luther: vol afgrijzen over zijn platheid en ruwe optreden, niet in staat om erkenning te geven voor het feit dat Luther de veranderingen daadwerkelijk doorvoerde die in feite door Erasmus zelf in hekelteksten waren bepleit. Stel je voor dat Trump inderdaad de maatregelen neemt waar veel niet erg bemiddelde burgers al jaren na snakken?
Belangrijk is ook dat beide succesvol waren door handig gebruik te maken van nieuwe communicatiemiddelen. Luthers Reformatie leunde zwaar op de snel verbeterende boekdrukkunst waardoor in no time zijn ideeën verbreid werden en de discussie over de kerk gedemocratiseerd werd. Trump wist als geen ander de media te bespelen en met de social media om te gaan (als ik commentaren goed beluister).
Beide ontketenden krachten die een reëel gevaar voor de samenleving waren en zijn! De Boerenoorlog met massa-slachtingen en de bloedig beëindigde orgie van de ‘wederdopers’ in Münster vonden binnen twee decennia na 31 oktober 1517 plaats. Luther trok zijn handen af van deze radicalen en nam medeverantwoordelijk voor het neerslaan van de sociale opstand van de boeren, met behoud van paternalistische opvattingen over het gezag van vorsten. Trump moet nog maar zien of hij alle racistische en xenofobe krachten weer in het hok krijgt. Hij heeft er wel erg nadrukkelijk populistisch gebruik van gemaakt.
Wie zijn oor te luisteren legt in het huidige VMBO moet weten dat een herhaling op Nederlandse bodem van deze revolte bij de verkiezingen van volgend jaar veel reëler is dan menigeen nu nog denkt. Er zijn meer Nederlanders VMBO-er dan ‘hoger of hoog opgeleid’. En het denken in termen van ‘eenvoudige’ oplossingen als een stop op toelating van asielzoekers, AOW weer op je 65ste en niet zeuren over Zwarte Piet, zou wel eens heel breed verspreid kunnen zijn. Nee, hiermee zet ik de VMBO-er en zijn of haar ouders niet weg, ik probeer juist informatie serieus te nemen over de stand van de ziel in een groot gedeelte van onze bevolking.
Ik moet er niet aan denken dat we een Trump in onze politiek krijgen. Maar ik vrees dat we hem al hebben. Volgens mij is het daarom de hoogste tijd voor vooral twee zaken: Een. De partijen in het politieke midden moeten de handen ineen slaan. D’66, CDA, CU, Groen Links: kom op zeg, voeg jullie zaakjes bij elkaar, maak er één grote club ‘fatsoenlijk Nederland’ van en begraaf je onderlinge strijdbijlen over stokpaardjes die debatten opleveren over zaken die niets toevoegen aan de kwaliteit van de samenleving (‘voltooid leven’, Oekraïne). Vooral de dreiging dat de VS de klimaatbeheersing nu weer helemaal op zijn beloop zal laten, maakt het noodzakelijk om in Europa een sterk ‘groen’ midden in de politiek aan de macht te laten komen en te houden. We hebben veel reden om heel bezorgd te zijn over de toekomstige leefbaarheid van onze planeet voor alle geboren levens.
Daarvoor is ten tweede absolute integriteit bij de politici nodig. Hillary Clinton was dus gewoon niet fatsoenlijk en niet betrouwbaar genoeg. Ze heeft zich ook laten verleiden tot het wegzetten van tegenstanders met stigmatiserende etiketten, tot spelen op de man in plaats van alleen maar op de bal. Ik ben bereid direct te geloven dat ze daarmee een cruciaal deel van het kiezersvolk kwijt raakte. De Democraten hebben ook zelf de erfenis van Obama om zeep gebracht. Integriteit gaat over het hart volstrekt op de goede plaats hebben zitten. Over vurig gaan voor echte gerechtigheid, echte vrijheid en echte compassie voor de zwakke. Die krachten moeten we aan de macht helpen. Om te beginnen bij onszelf natuurlijk.
Dit moest ik even kwijt.

De regiobisschop komt eraan! Kerk 2025

In ´Kerk 2025´, het beleidsvoorstel dat de synode PKN in november a.s. gaat bespreken, wordt het voorstel gedaan om acht protestantse regiobisschoppen te gaan aanstellen. Eindelijk! De functie heet nog wel niet zo: ‘pastor pastorum’ is Latijn om de kerk niet teveel te laten opschrikken. Maar ‘Herder van herders’ is precies wat een bisschop van oorsprong is. Een bovenplaatselijke figuur die gezicht geeft aan de kerk in de regio. Hij/zij bouwt een vertrouwensrelatie op met de voorgangers en kerkenraden in de regio, werkt nauw samen met de regionale kerkvergadering (nieuwe superclassis), vliegt conflictbegeleiders in (visitatie, commissie bijzondere zorg) en voert gesprekken met predikanten en kerkenraden als het tijd wordt voor de predikant om te verkassen. Verder geeft de bisschop leiding aan  nieuwe initiatieven van kerk-zijn in de regio en begeleidt het stopzetten van niet meer levensvatbare gemeentes.

Ik heb jaren geleden al voor deze functionaris gepleit. Helemaal goed dus. Zoals ik het ook van harte eens ben met ‘wit laten op de kaart’ van postcodegebieden waar de gemeente moest worden opgeheven.  Geen eindeloze fusies tot steeds grotere streekgemeentes met steeds langere lijnen. En natuurlijk moet de periodieke visitatie worden afgeschaft. De enigen die er nog in geloofden zijn al jaren lang alleen de visitatoren zelf.

Ook goed aan het rapport is dat er flink gas terug genomen is ten opzichte van het eerdere schot voor de boeg dat predikantsaanstellingen beperkt zouden moeten worden tot twee keer vier jaar. Dat was een onuitvoerbaar en bot plan. De ideeën die nu worden geopperd om de mobiliteit te bevorderen klinken een stuk realistischer. Met een begeleidende rol voor die regiobisschop. Twaalf jaar is een redelijke limiet.

Veel meer staat er eigenlijk niet in het rapport. Maar dat is niet erg. De kerk wordt ook niet van boven af gemaakt. Kerkleiding en bovenplaatselijke organisatie moet eerder ‘onder’ de gemeentes en de andere vormen van kerkzijn in het land staan, dragend en voedend. Nu stevig insteken op het opnieuw vormgeven van de regionale ‘tussenlaag’ , mét budget, lijkt me een prima keuze.

Het rapport laat ook zien dat kerkbestuur en kerkorde altijd achter de feiten aanlopen. De ingrepen op het bestuurlijke tussenniveau waren al veel langer noodzakelijk. Ook zonder krimp was het model van 75 classes met colleges van visitatoren achterhaald en de functie van RACV (regionaal adviseur classicale vergaderingen náást gemeente-adviseurs) een ongemakkelijke noodoplossing.  En dat de kerk moet durven ‘verkleuren’ door meer samenwerking met SKIN-kerken zou ook los van eigen krimp in ons multiculturele land een opdracht moeten zijn.

Wat mij betreft zou het hier en daar zelfs nog wel een tandje gedurfder mogen zijn. Het kan nog oecumenischer. De mobiliteitsrevolutie en de digitale revolutie zouden nog meer verdisconteerd kunnen worden. ‘Witte plekken’ denkt nog teveel vanuit een monopoliegedachte. Maar de kaart van Nederland kent nog heel veel andere kerkgenootschappen. Met sommige ervan zijn er plaatselijke samenwerkingsconstructies. En in de digitale wereld bestaan er geen postcodes. De internetkerk  kan overal in het land en zelfs daarbuiten leden hebben.

Ik pleit ook voor de mogelijkheid van volwaardig dubbellidmaatschap, verder gaand dan gastlidmaatschap. Ik zie steeds meer gemeenteleden nu al in meerdere (vaak aangrenzende) gemeentes actief betrokken: ze bezoeken soms kerkdiensten elders omdat de liturgie er traditioneler is of juist ‘hoger liturgisch’ – sturen kinderen naar een club of gaan zelf naar een gespreksgroep die er in de eigen gemeente niet is – blijven na verhuizing nog penningmeester in de oude gemeente omdat er geen opvolger is. Dit dubbellidmaatschap zou ook open moeten staan voor leden van andere kerken. Door twee of meer vakjes rood te maken op de lijst met kerken waarmee je verbonden bent zou je stem niet ongeldig mogen worden. (Omdat kerken hun ledenbestanden niet uitwisselen denk ik dat het nu ook al kan).

En waar is toch dat oude idee van een soort landelijke ‘studentenkerk’ gebleven? Iedere student die op kamers gaat wordt in principe overgeschreven naar de stad van kamerbewoning, tenzij hij/zij weer teruggeschreven wordt naar de thuisgemeente. En die stadsgemeente kan al die studenten niet langsfietsen. De PKN zou deze jongeren gedurende hun studietijd kunnen ‘parkeren’ in een aparte studentenkerk. Deze moet dan natuurlijk vooral als internetkerk vormgegeven worden, met nauwe banden met de studentenpastores in de desbetreffende steden. Gekoppeld aan het dubbellidmaatschap kan er desgewenst een relatie blijven met de thuisgemeente of een nieuwe gelegd worden met de gewone gemeente in de stad. Het belangrijkste is dat de kerk dan meer doet dan nu om de jongeren die zich losmaken van thuis te prikkelen en met andere mogelijkheden van kerk-zijn te confronteren dan die ene die ze nu misschien al te goed kennen en achter zich willen laten.

Tenslotte: ik verbaas me erover dat Kerk 2025 overal waar ‘predikant’ staat niet ook de kerkelijk werker wordt genoemd. Die moet natuurlijk net zo goed ‘gemobiliseerd’ worden en aan de geestelijke begeleiding van de regiobisschop worden blootgesteld.

Adresloos danken?

Filosoof Ger Groot schreef in Trouw een mooie column over dankbaarheid: ‘Ook zonder God mogen we ons gelukkig prijzen’. Hij verdedigt de mogelijkheid van jezelf gelukkig prijzen zonder God. Want atheïsten moeten ook dankbaar kunnen zijn voor het geschenk van het leven, ook al heeft hun dank geen adres.
Mij bekroop de vraag of Groot hier niet juist het hybride karakter van atheïstische levenskunst bloot legt. Danken, loven en prijzen zijn nogal religieuze handelingen. Voor veel gelovigen zijn ze zelfs de kern van hun levenskunst. En adresloos danken is ook taalkundig iets raars. Bij het werkwoord danken hoort een dativus, een tegenover. Religie zet daarom God als stip op de horizon als perspectivisch verdwijnpunt voor de gevoelens en daden van dank, lof, vertrouwen, hoop, en niet te vergeten ook de twijfel, de wanhoop, het protest en de schuldbelijdenis. Hij is de spijker aan de muur waaraan we het allemaal ophangen. De theoloog Schleiermacher noemde hem twee eeuwen geleden het ‘Woher’ van dat allemaal, het waarvandaan.
Maar theologie begint al gauw te stamelen als er meer gezegd moet worden. God ‘is’ er dus, maar hij is geen wezen, geen zijnde. Achter de horizon kan ook een gelovige niet kijken. Het theïsme van de gelovige blijft ook hybride. In het heilige van tabernakel en tempel staat geen godsbeeld. En bij al te veel gepraat over God in de derde persoon en zijn al of niet bestaan vlucht de gelovige daarom graag vaak terug naar de religieuze praktijk van het spreken in de tweede persoon. Met behulp van verhalen, liederen, gebeden en andere rituelen proberen we in een relatie te blijven tot een ‘Gij’ (of tutoyeren een Jij). Een gelovige weet dat de voornaamste functie van het woordje ‘God’ is om juist die datief te zijn: de instantie om ‘U’ tegen te zeggen.
Maar als dankbare theïsten en atheïsten in feite hetzelfde doen en het enige verschil is dat de een zijn of haar levenskunst ophangt aan een gat waar de ander nog altijd de spijker ‘God’ heeft zitten, waarom dan niet gewoon samen? Als predikant heb ik in de loop der jaren de geboortekaartjes radicaal zien veranderen van ‘met dank aan God’ naar ‘met dankbaarheid geven we kennis van’ naar ‘hallo hier ben ik’ waar je gevoelens van ouders moet raden uit de bonte uitmonstering van de giga kaart. Toch kloppen ook de laatste ouders nog wel eens aan voor een kinderdoop. De kerk waarin God-gelovigen en God-betwijfelenden samen hun dankbaarheid vieren bestaat al lang. Groot, kom weer eens langs!

(tot zover mijn niet door Trouw geplaatste reactie)

Ongeloof hoef je niet bij de ingang van de kerk in te leveren, integendeel. De viering is er juist om geloof te activeren dat sluimerde en sliep. Soms even kun je er dan het ongeloof er achterlaten. (Bijvoorbeeld in de collectezak, het moment waarop we dankbaarheid in klinkende munt uitbetalen). Maar als dat niet lukt: elke week is er een herkansing. En ook bij de uitgang is er geen controle op de metafysische voorstellingen waarmee je door het leven gaat.

Jezus bestond niet en Troje lag in Engeland

Met verbazing lees ik de argumenten waarmee de redactie van Trouw het opneemt voor collega Van der Kaaij die de historiciteit van Jezus ontkent. Het wetenschappelijke debat in de negentiende eeuw over die historiciteit zou onbeslist geëindigd zijn. En Van der Kaaij zou met zijn opstelling oude papieren hebben. Het stukje suggereert ook dat christelijk Nederland een beetje lui is geweest door de vraag naar de historische bewijzen nooit meer aan de orde te stellen.
De vraag naar de historiciteit van rabbi Jezus van Nazareth is allereerst een gewone  wetenschappelijke kwestie. En dan is de zaak heel helder. Er is een brede wetenschappelijke consensus over die historiciteit. We kunnen er net zo zeker over zijn als over de ligging van het Troje van Homeros aan de kust van het huidige Turkije. Er zullen altijd wel lieden zijn die het proberen met een ligging in Engeland. Zoals er ook Holocaustontkenners zijn. Maar wetenschappelijk is nu eenmaal de regel dat als er een bepaalde mate van plausibiliteit is bereikt, je dan mag spreken van zekere kennis. Precies daarom geldt ook omgekeerd dat de uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster een fabeltje is. Zoiets geldt zelfs voor kennis op natuurwetenschappelijk terrein. De relatie tussen klimaatopwarming en CO2-uitstoot is onomstotelijk, ook al is er geen 100-procent een stemmigheid. Dwarse types zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven, maar je kunt ze niet altijd serieus nemen.
Ja, er is een klein landje waarvan een aantal ultra-vrijzinnige theologen honderd jaar geleden serieus meenden dat Jezus een mythologische constructie was van later datum.  Het strekt niet erg tot onze  eer dat zij de enigen zijn die Nederland vertegenwoordigen in het vuistdikke overzicht van Albert Schweitzer van het wetenschappelijke debat tot dan. De Radicale Hollanders werden aangestuurd door een rigide opvatting over historische bewijsvoering. Daar kon Jezus niet aan voldoen, waarom hij werd veroordeeld: product van mythische fantasie. Het zou niet best zijn voor ons strafrecht als daar dezelfde strenge regels van bewijsvoering werden gehanteerd. Teveel criminelen zouden vrijspraak krijgen wegens gebrek aan bewijs.
Die Radicalen waren wel symptomatisch. De protestantse theologiebeoefening in Nederland heeft ook daarna geen goede traditie opgebouwd op dit veld van wetenschappelijk onderzoek. De enige Nederlander die doorgedrongen was tot Amerikaanse Jesus-seminar waar een groot aantal geleerden de kwesties bediscussieerden, was onze cineast Paul Verhoeven. Zijn Jezusbiografie werd vervolgens door de theologen afgeserveerd, maar zonder dat zij met een alternatief kwamen. De volgende belangrijke wetenschappelijke stap werd gezet door alweer een buitenlander, de niet-meer- christelijke Iraniër Reza Aslan met zijn boek De Zeloot.
Ik zie collega Van der Kaaij als slachtoffer van die zwakte in de Nederlandse theologiebeoefening.  Maar ‘christelijk Nederland’ had en houdt ondertussen goede papieren om zich geen zorgen te maken over de historische plausibiliteit van het bestaan van rabbi Jezus.
En als gelovigen hebben we er nog een belangrijke reden voor. We leven in een wereld waarin Auschwitz geen mythe is en waarin de bewijzen voor de gruwelijkheden van IS nogal verpletterend zijn. In diezelfde wereld kreeg de mensheid ook figuren van vlees en bloed als Gandhi, Martin Luther King, Mandela. We hebben existentieel belang bij de historiciteit van oprechte menselijkheid, geweldloze inzet voor gerechtigheid, gelukte naastenliefde.  Dat die er is maakt de historiciteit van Jezus des te geloofwaardiger. We kunnen niet zonder.

(door dagblad Trouw niet geplaatste bijdrage, vrijdag 6 februari 2015)

Jezus kan niet niet gebeurd zijn

Naar aanleiding van bericht in Trouw, maandag 2 februari 2015

Collega ds van der Kaaij uit Nijkerk was een beetje dom. Hij heeft de kerk ooit boeken met mooie gebeden geschonken. Maar de historische Jezus laten vervluchtigen tot een literaire constructie van gedreven spirituelen is schadelijk voor zijn eigen integriteit als predikant, voor de beroepsgroep, voor de sfeer in zijn gemeente, voor de kerk en voor de spiritualiteit in het algemeen. Het is wetenschappelijke nonsens. Het zet de Nederlandse theologie voor schut. En het zadelt de kerk op met een nieuwe rel. Voor zijn doel is dat allemaal helemaal niet nodig. Hij wil een christendom waarin je niet per se moet geloven in de historiciteit van wonderen als lichamelijke opstanding, maagdelijke geboorte, fysieke wederkomst op wolken des hemels en het bestaan van een superastraal goddelijk wezen om voluit als christen te boek te mogen staan. Maar waarom zo’n paardenmiddel?

Honderd jaar geleden schreef Albert Schweitzer een dikke pil over een eeuw lang theologisch  onderzoek naar de historische Jezus. Er kwamen ook een paar Nederlanders aan bod, de ‘Radicale Hollanders’ heten zelfs een school. De enigen in het hele overzicht die de historiciteit van Jezus ontkenden. Een totaal geïsoleerd gezelschap. Het was namelijk nogal erg doorzichtig dat deze ontkenning weinig te maken had met diepgaand onderzoek van teksten en cultuur, maar vooral was ingegeven door een wetenschapstheoretische onmacht. Ze waren niet in staat om de aard van het historische kennen te formuleren. De hele operatie om Jezus te herleiden tot Egyptische mythen over stervende en herlevende goden is van nood een deugd maken die helemaal geen nood hoeft te zijn. Van de Kaaij trapt in dezelfde val, de val van het positivisme. Omdat we geen absoluut zekere bewijzen hebben van de historiciteit zal Jezus niet historisch zijn. De enige absolute zekerheid is die van de bekering van Paulus, en alleen op dat fundament wil hij zijn theorie opbouwen. Maar dat is nu precies wat het fundamentalisme ook doet dat Van der Kaaij kwijt wil. Vertrekken van absolute ontwijfelbare zekerheden, onzekerheidsmarges niet toelaten.

Historische theorievorming werkt anders. Ik heb mijn ene opa nooit gekend, maar met zijn grafsteen plus de verhalen ben ik niet alleen overtuigd geraakt van zijn bestaan maar heb ik ook een redelijk betrouwbaar beeld. Voor verkrijgen van historische zekerheid kan worden volstaan met het aanwijzen van allerlei ‘sporen’ die samen de historiciteit plausibel maken. Het feit dat het niet-bestaan niet goed te falsificeren valt, wil niet zeggen dat de historiciteit dan niet als zekere kennis kan worden aangenomen.

Van der Kaaij verkeert daarbij dan bovendien in gezelschap van bedenkelijk allooi. Iemand als de Italiaan Francesco Carotta die in 1999 schuivend met wat keizerlijke munten en teksten uit de keizerverering uit de eerste eeuw de evangeliën tot verpakte propaganda voor JC verklaart, Julius Caesar wel te verstaan. Ik verdenk de man aanhanger van Berlusconi te zijn. Zulke betogen worden nogal opzichtig aangestuurd wordt door de behoefte om een rekening te vereffenen met religie.

En Van der Kaaij is ook wel slachtoffer van de tragiek van de protestantse theologie in Nederland. Behalve dan bij die Radicale Hollanders heeft het historische onderzoek naar Jezus nooit veel voet aan de grond gekregen in de Nederlandse wetenschappelijke theologiebeoefening, waarschijnlijk door de sterke koppeling aan kerkelijke predikantenopleidingen en het calvinistische klimaat. We zijn in deze discipline gewoon niet goed getraind. De enige Nederlander die doordrong tot het Amerikaanse Jesus seminar was een outsider: onze filmmaker Paul Verhoeven. Zijn boek is tot nu toe in bijna tweehonderd jaar modern Jezus-onderzoek ook ongeveer de enige serieuze Jezus-biografie van Nederlandse hand. De academici waren er als de kippen bij om het af te kraken, maar het betere alternatief laat nog steeds op zich wachten. Dat betere, hoewel ook niet volmaakte, alternatief kwam opnieuw van buitenlandse hand, geschreven door de Iraniër Reza Aslan, De Zeloot.

En de dominee die het vak ‘uitleg van het Nieuwe Testament’ een beetje bijhoudt kan weten dat er opvattingen zijn over het auteurschap van Marcus, waardoor hij heel wat dichter bij het gebied blijft waarin het oudste evangelie zich afspeelt dan Alexandrië waar Van der Kaaij hem Egyptische mythen laat opsnuiven. En daardoor ook dichter bij zijn hoofdpersoon.

Maar behalve goede wetenschappelijke argumenten om de historische rabbi Jezus van Nazareth niet bij het grofvuil te zetten, is er ook een belangrijk spiritueel argument. Geloof heeft het nodig en wil het gewoon graag voor waar hebben dat radicale liefde, diepgaande vergeving en een verzetspraktijk van vergaande geweldloosheid, ooit ook echt vlees en bloed geworden zijn. Gelukkig levert de recente geschiedenis analogieën op die dat geloof nogal plausibel maken. Van figuren als Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela is de historiciteit even onbetwistbaar is als die van de Holocaust.
Jezus kan gewoon niet niet gebeurd zijn.